ECLI:NL:RBZWB:2026:7987

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/450327 / JE RK 26-1268
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging OTS en MUHP

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/450327 / JE RK 26-1268

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. R. Joosen in Oosterhout.

Als informant is aangemerkt:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het op 14 juli 2026 ontvangen verzoek van de GI met bijlagen;

  • de op 15 juli 2026 ontvangen stelbrief van mr. Joosen.

1.2

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • twee vertegenwoordigsters van de GI;

  • de moeder en haar advocaat;

  • de vader.

1.3.

Gelet op de nauwe samenhang tussen het resterende verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/449533 JE RK 26-1079 zijn deze zaken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij separate beschikking beslist.

2 De feiten

2.1

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2

[minderjarige] woont bij zijn moeder. Feitelijk verblijft [minderjarige] samen met zijn moeder op een zogenoemde ouder-kind-voorziening.

2.3

Bij beschikking van deze rechtbank van 6 november 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 augustus 2026.

2.4

In de zaak met zaaknummer C/02/449533 / JE RK 26-1079 heeft de kinderrechter bij beschikking van deze rechtbank van 2 juli 2026 de beslissing op het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aangehouden, omdat de kinderrechter zich onvoldoende voorgelicht achtte om op dat moment op het verzoek van de GI te beslissen. Het resterende verzoek is vervolgens door de GI ter zitting ingetrokken, nu hetzelfde verzoek is opgenomen in het onderhavige verzoek. De zaak met zaaknummer C/02/449533 / JE RK 26-1079 wordt bij afzonderlijke beslissing afgedaan.

3 Het verzoek

3.1

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.

3.2

Daarnaast verzoekt de GI een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van 1 jaar;

3.3

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1

Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd. [minderjarige] laat een kwetsbare sociaal-emotionele ontwikkeling zien. Hij heeft moeite met veranderingen, overgangen, wachten en het accepteren van grenzen. Wanneer de spanning bij hem oploopt, raakt hij snel overprikkeld. Dit uit zich onder meer in boos gedrag, zoals gillen, slaan, bijten, krabben, met spullen gooien, weglopen of zich terugtrekken. [minderjarige] heeft daarom een opvoeder nodig die emotioneel beschikbaar is, hem helpt om zijn emoties te reguleren, duidelijk grenzen stelt en op een rustige en voorspelbare manier reageert. Ondanks de langdurige en intensieve ondersteuning vanuit ASVZ is het de moeder volgens de GI onvoldoende gelukt om de noodzakelijke opvoedvaardigheden duurzaam eigen te maken. ASVZ en de GI zien dat er sprake is van pedagogische onmacht. De moeder is, ondanks de geboden hulp, onvoldoende in staat gebleken om zelfstandig een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie te bieden. Een belangrijk opvoeddoel, namelijk het consequent stellen en vasthouden van grenzen richting [minderjarige] , is onvoldoende bereikt. Zij accepteert ook niet altijd de adviezen vanuit ASVZ. De zorgen over de veiligheid van [minderjarige] zijn de afgelopen maand verder toegenomen. Er zijn meerdere meldingen gedaan bij Veilig Thuis naar aanleiding van onverklaarbare blauwe plekken en schrammen in zijn gezicht. Ook uit uitlatingen van [minderjarige] leidt de GI af dat sprake is van een zorgelijke situatie. De opeenvolgende meldingen in korte tijd onderstrepen volgens de GI de ernst van de zorgen. De GI vreest dat de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] verder wordt geschaad en verzoekt daarom zo mogelijk direct uitspraak te doen omdat er nu een plek voor [minderjarige] is. Een plaatsing binnen het netwerk is volgens de GI niet mogelijk. Er zijn zorgen over de veiligheid binnen het netwerk, onder meer vanwege alcoholproblematiek en agressief gedrag van de partner van oma en signalen dat oma zelf fysiek reageert op moeilijk gedrag van [minderjarige] . Ook een nieuw ouder-kindplaatsing wordt niet passend geacht, omdat de problematiek volgens de GI niet ligt in een gebrek aan ondersteuning, maar in de beperkte mogelijkheden van de moeder om de aangeboden hulp zelfstandig en blijvend toe te passen. Voor [minderjarige] is inmiddels een passende plek beschikbaar binnen een gezinshuis plus. Daar kan hij de structuur, duidelijkheid, voorspelbaarheid en emotionele beschikbaarheid krijgen die hij nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen.

4.2

Door en namens de moeder is het volgende – samengevat - aangevoerd. De moeder is het eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar voert verweer tegen het verzoek tot uithuisplaatsing. De moeder erkent dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie, maar is van mening dat een uithuisplaatsing op dit moment een te vergaande maatregel is. Volgens de moeder zijn de zorgen voldoende ondervangen doordat zij met [minderjarige] verblijft binnen een ouder-kindvoorziening, waar begeleiding aanwezig is. De moeder betwist dat zij de blauwe plekken en schrammen bij [minderjarige] heeft veroorzaakt. Volgens haar zijn deze op een andere wijze ontstaan en is er geen sprake geweest van mishandeling. De moeder accepteert de geboden hulp en vraagt, waar nodig, ook zelf om extra ondersteuning. De moeder stelt verder dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Zij wijst erop dat uit eerdere stukken, waaronder het plan van aanpak, volgt dat zij openstaat voor hulpverlening en goed samenwerkt met de begeleiding. Ook is in een eerdere beschikking overwogen dat de ontwikkeling de goede kant op ging en dat kon worden toegewerkt naar een vrijwillig kader. Volgens de moeder heeft de GI onvoldoende toegelicht wat er sinds die tijd is veranderd waardoor nu een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Daarbij merkt zij op dat haar beperkte leerbaarheid al langere tijd bekend was en niet duidelijk is waarom dit nu de doorslag geeft. Verder zijn volgens de moeder minder ingrijpende alternatieven onvoldoende onderzocht. Zo is nog geen diagnose bij [minderjarige] gesteld, terwijl die mogelijk handvatten kan bieden voor de opvoeding. Ook heeft de GI het onderzoek naar netwerkplaatsing gebaseerd op oude informatie. De moeder staat inmiddels open voor een deeltijdplaatsing of ondersteuning vanuit het netwerk, bijvoorbeeld door [minderjarige] in de weekenden bij familie te laten verblijven ter ontlasting van de moeder. Mocht de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing toch verlenen, dan verzoekt de moeder deze in duur te beperken.

4.3

Door de vader is het volgende – samengevat – aangegeven. De vader heeft ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar voert verweer tegen het verzoek tot uithuisplaatsing. De vader vindt een uithuisplaatsing een ingrijpende maatregel. Hij heeft zelf als kind een uithuisplaatsing meegemaakt en weet uit eigen ervaring wat voor impact dit kan hebben. Daarnaast maakt hij zich zorgen over het contact met [minderjarige] wanneer hij uit huis wordt geplaatst. De vader vreest dat hij zijn zoon dan nog maar weinig zal zien en vindt het belangrijk dat hun band behouden blijft. Volgens de vader zijn nog niet alle minder ingrijpende alternatieven onderzocht. Zo heeft hij voorgesteld om te kijken naar een plaatsing binnen zijn netwerk, onder meer bij zijn opa en oma, waar hij zelf jarenlang heeft gewoond. Volgens de vader heeft de GI deze mogelijkheid niet onderzocht. Daarnaast heeft de vader voorgesteld om voor [minderjarige] gedragstherapie in te zetten, omdat hij daar zelf in het verleden ook baat bij heeft gehad. Volgens de vader dient eerst te worden onderzocht welke alternatieven mogelijk zijn, voordat wordt overgegaan tot een uithuisplaatsing.

4.4

De Raad heeft ter zitting, samengevat, geadviseerd zowel de verlenging van de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen. De Raad vindt de zaak ingewikkeld. Hoewel de moeder heeft aangevoerd dat de zorgen kunnen worden ondervangen binnen de huidige ouder-kindvoorziening, deelt de Raad dat standpunt niet.

Volgens de Raad zijn er niet alleen zorgen over de emotionele veiligheid van [minderjarige] , maar inmiddels ook over zijn fysieke veiligheid, mede gelet op de recente meldingen bij Veilig Thuis. Daarnaast laat [minderjarige] gedrag zien dat past bij een gevoel van onveiligheid. Uit recente rapportages van het ASVZ blijkt volgens de Raad dat de moeder, ondanks de intensieve begeleiding, onvoldoende in staat is gebleken om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Door haar beperkte leerbaarheid beschikt zij volgens de Raad onvoldoende over de vaardigheden die nodig zijn om sensitief en consequent aan te sluiten bij een jong kind met deze problematiek. De Raad vindt het daarom van groot belang dat [minderjarige] zo snel mogelijk rust, stabiliteit en duidelijkheid krijgt over zijn opvoedsituatie. Een plaatsing in een gezinshuis kan hem die veiligheid en voorspelbaarheid volgens de Raad op dit moment het beste bieden. Van daaruit kan worden bezien hoe hij zich verder ontwikkelt. Het belang van [minderjarige] om op te groeien in een veilige en stabiele omgeving staat voorop.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits

aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de

ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder

toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig

opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de

minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of

onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen

binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te

achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel

1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

5.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Verlenging ondertoezichtstelling

5.3.

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds is voldaan aan de wettelijke gronden voor het verlenging van de ondertoezichtstelling. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij laat een kwetsbare sociaal-emotionele ontwikkeling zien. Hij heeft moeite met veranderingen, wachten en het accepteren van grenzen. Wanneer de spanning oploopt, raakt hij snel overprikkeld. Dit uit zich onder meer in schoppen, slaan, bijten, krabben, krijsen, met spullen gooien, weglopen of zich terugtrekken. [minderjarige] heeft daarom bovengemiddeld behoefte aan structuur, duidelijkheid, voorspelbaarheid en een opvoeder die hem helpt zijn emoties te reguleren en consequent grenzen stelt. De moeder staat open voor hulpverlening en werkt hier over het algemeen aan mee. Tegelijkertijd blijkt uit de langdurige en intensieve begeleiding dat zij, ondanks haar inzet, onvoldoende in staat is gebleken blijvend aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. De kinderrechter vindt daarom, net als de GI en ASVZ, dat er sprake is van pedagogische onmacht. Hoewel de moeder hulp accepteert, lukt het haar niet steeds om de adviezen van de hulpverlening vast te houden en consequent toe te passen. De ondertoezichtstelling blijft noodzakelijk om regie te voeren op de hulpverlening, de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te bewaken en te beoordelen welke hulp in de komende periode verder nodig is.

5.4.

De kinderrechter zal het (onweersproken) verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar toewijzen.

Machtiging tot uithuisplaatsing

5.5.

De kinderrechter is voorts van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ondanks de langdurige en intensieve ondersteuning is het niet gelukt om voor [minderjarige] een voldoende veilige en stabiele thuissituatie te realiseren. De zorgen keren steeds terug. Daarbij weegt de kinderrechter mee dat recent meerdere meldingen bij Veilig Thuis zijn gedaan naar aanleiding van onverklaarbare blauwe plekken en schrammen bij [minderjarige] . De moeder heeft hiervoor een andere verklaring gegeven. Tegelijkertijd geven ook de uitlatingen en het gedrag van [minderjarige] aanleiding tot ernstige zorgen over zijn veiligheid. De kinderrechter kan daarom niet vaststellen dat [minderjarige] op dit moment voldoende veilig opgroeit. De kinderrechter ziet dat de moeder zich voor [minderjarige] inzet en hem graag zelf wil verzorgen en opvoeden. Dat neemt echter niet weg dat uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat zij, mede vanwege haar eigen beperkingen, onvoldoende kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] vraagt, mede door zijn problematiek en gedrag, meer dan de moeder hem op dit moment kan bieden.

5.6

De kinderrechter heeft vervolgens beoordeeld of met een minder ingrijpende maatregel kan worden volstaan. Dat is op dit moment niet het geval. Ook binnen de ouder-kindvoorziening, waar de moeder intensief wordt begeleid, zijn de zorgen niet weggenomen. Een netwerkplaatsing of deeltijdplaatsing biedt op dit moment evenmin een passend alternatief. De kinderrechter begrijpt dat de moeder graag wil dat deze mogelijkheden verder worden onderzocht. Uit de stukken volgt dat er nog altijd zorgen bestaan over de veiligheid en stabiliteit binnen het netwerk. Bovendien heeft de oma aangegeven dat de zorg voor [minderjarige] te belastend is. De kinderrechter ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten om te verwachten dat een netwerkplaatsing op korte termijn een veilig en duurzaam alternatief biedt. De kinderrechter vindt het niet in het belang van [minderjarige] om de beslissing over de uithuisplaatsing aan te houden voor nader onderzoek naar andere mogelijkheden. [minderjarige] laat ernstig zorgelijk gedrag zien en heeft nu behoefte aan rust, veiligheid en duidelijkheid. Vanuit een stabiele plaatsing in een gezinshuis kan worden onderzocht waar zijn gedrag vandaan komt, welke behandeling hij nodig heeft en welk toekomstperspectief uiteindelijk het beste bij hem past. De kinderrechter zal de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing daarom toewijzen en gelet op het feit dat er nu een plek beschikbaar is voor [minderjarige] , op verzoek van de GI deze machtiging per heden laten ingaan. De moeder heeft verzocht de duur van de machtiging te beperken. De kinderrechter ziet hiervoor geen aanleiding. Gelet op de aard en ernst van de zorgen en de verwachting dat tijd nodig zal zijn om [minderjarige] tot rust te laten komen, nader onderzoek te doen naar zijn problematiek en een passend toekomstperspectief te bepalen, vindt de kinderrechter een machtiging voor de verzochte duur noodzakelijk.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.7

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

5.8

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 7 augustus 2026 tot 7 augustus 2027;

6.2.

verleend de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie met ingang van 21 juli 2026 tot 21 juli 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 4 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »