ECLI:NL:RBZWB:2026:7983

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/450628 / JE RK 26-1322
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/450628 / JE RK 26-1322

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Middelburg,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • het mondelinge verzoek van de GI op 21 juli 2026;

  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 23 juli 2026.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij haar moeder.

2.3.

Bij beschikking van 25 oktober 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 oktober 2024 en tot 25 oktober 2025. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 25 oktober 2026.

3. Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4 De beoordeling

4.1.

De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. In juni 2026 heeft de moeder een overdosis medicatie ingenomen terwijl [minderjarige] in bed lag te slapen. Hier heeft de moeder pas later melding van gemaakt bij de betrokken hulpverlening. Vervolgens heeft de moeder de GI op 20 juli 2026 bericht dat de nachten erg zwaar voor haar zijn, dat zij aanhoudend suïcidale gedachten heeft en recent opnieuw een overdosis medicatie wilde innemen, maar dit tijdig heeft kunnen stoppen. De moeder geeft aan dat zij zichzelf ’s nachts niet meer herkent en bang is voor haar eigen gedachten en handelingen. Zij is zelf tot het inzicht gekomen dat het zo niet langer door kan gaan en dat ze op dit moment niet in staat is de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De moeder heeft de GI daarom gevraagd [minderjarige] tijdelijk uit huis te plaatsen zodat zij aan zichzelf kan werken. De vader kan instemmen met de plaatsing in het pleeggezin, maar hoopt dat in de komende periode ook wordt onderzocht of [minderjarige] bij hem zou kunnen verblijven.

4.2.

Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.1 De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige]. De kinderrechter overweegt hiertoe dat de moeder op dit moment niet in staat is de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen, hetgeen de moeder zelf ook inziet. De betrokken hulpverlening is niet 24 uur per dag aanwezig in de thuissituatie van de moeder en daardoor worden acute situaties in de nacht niet ondervangen, terwijl juist is gebleken dat de nachten een risico vormen. De kinderrechter acht het daardoor op dit moment niet verantwoord dat [minderjarige] bij de moeder verblijft. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken.

4.3.

Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat het verzoek mondeling is behandeld. Deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden op [datum] 2026 om [uur]. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er op dat moment met de moeder, de vader en de GI zal worden gesproken.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 21 juli 2026 en tot 4 augustus 2026;

5.2.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

5.4.

roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. De Beer op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;

5.5.

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »