RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/430725 FA RK 25-177
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Nadere beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf en contact
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R.C. Vermeer te Rhenen,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2]geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022, hierna: [minderjarige 2] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank (nader) over de verzoeken geadviseerd.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 11 december 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- het F9-formulier van mr. Vermeer van 10 juni 2026 met bijlagen;
- het uitstelverzoek van mr. Van der Marel van 15 juni 2026;
- de reactie van mr. Vermeer van 15 juni 2026 op het uitstelverzoek.
1.2 Op 15 juni 2026 is de behandeling van de zaak ter zitting voortgezet. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de advocaat van de vrouw. Daarnaast waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI. De vrouw is niet in persoon verschenen. Kort voorafgaand aan de start van de zitting is namens de vrouw verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting, nu de vrouw daarbij niet aanwezig kan zijn. Van de zijde van de man is bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. Tijdens de zitting hebben de advocaten van partijen en de man hun standpunten hierover toegelicht. De rechtbank heeft op basis daarvan overwogen dat de behandeling ter zitting zal worden voortgezet.
2 De (aangehouden resterende) verzoeken
Aan de orde zijn nu nog de volgende verzoeken.
De man verzoekt, samengevat, dat de rechtbank bepaalt dat:
- voortaan aan hem alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) toekomt;
- de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij hem.
De vrouw verzoekt, samengevat, dat de rechtbank:
- primair
bepaalt dat de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;
- subsidiair
een regeling vaststelt inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, inhoudende dat zij en de kinderen driemaal per week recht hebben op contact met elkaar, dan wel op enige andere zorgregeling, die de rechtbank in het belang van de kinderen acht.
3 De nadere beoordeling
De eerdere beschikking
Bij voormelde beschikking van 11 december 2025 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken en de verzoeken ten aanzien van de opneming van een ouderschapsplan en de bewoning van de woning afgewezen.
De beslissing op de verzoeken tot gezag, hoofdverblijf en contact zijn aangehouden in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het verloop van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling.
De berichtgeving van advocaten
Van de zijde van de man zijn op 10 juni 2026 stukken ingediend, waaronder het verzoek van de GI van 8 mei 2026 (met bijlage) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de beschikking van de kinderrechter van 4 juni 2026, waarin de ondertoezichtstelling van de kinderen is verlengd met ingang van 12 juni 2026 tot 12 juni 2027.
De nadere standpunten van partijen
Tijdens de zitting is door en namens de man, samengevat, aangevoerd dat de man in de uitoefening van zijn gezag tegen praktische zaken aanloopt. Zo is de inschrijving van de kinderen bij een huisarts in [woonplaats] nog niet geregeld. Eerder had de vrouw daaraan haar medewerking toegezegd maar later heeft zij deze ingetrokken. Wanneer de man de vrouw om haar toestemming vraagt, bijvoorbeeld voor logopedie, dan duurt het erg lang voordat hij een reactie van haar krijgt. De vrouw is een goede moeder die veel van de kinderen houdt maar het lukt haar, gelet op haar verslavingsproblematiek, niet om haar gezag in het belang van de kinderen uit te oefenen. Zij is al meermalen opgenomen geweest in een kliniek in Zuid-Afrika. Ook zijn er nu zorgen over een mogelijke GHB-verslaving van de vrouw en dat zij een nieuwe partner heeft, die risicovol voor haar is. Daarbij komt dat het netwerk van de vrouw niet veilig is. De man wordt in de gaten gehouden, er is geprobeerd bij hem in te breken en de advocaat heeft een bedreiging gehad vanuit dit netwerk. De huidige situatie is zwaar voor de man. Hij kan niet rustig over straat omdat nooit duidelijk is hoe hij de vrouw daar aantreft. Zij kan agressief zijn. Het liefst zou de man een 50-50-regeling met de vrouw uitvoeren maar dat is nu niet mogelijk. De kinderen ervaren de belmomenten met de vrouw als heel moeilijk, waardoor de frequentie ervan is teruggebracht. De man verzoekt om alleen met het gezag te worden belast zodat hij zaken voor de kinderen kan regelen. Er gebeurt veel en hij wil meer rust in de situatie. Hij staat open voor een herstel in het gezag van de vrouw zodra dat mogelijk zou zijn. Tijdens de vorige zitting van 20 november 2025 heeft de man voorgesteld om een raadsonderzoek te verrichten. Dat voorstel handhaaft hij.
De advocaat van de vrouw heeft samengevat naar voren gebracht dat er niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de man. Niet ontkend wordt dat de vrouw al heel lang met verslavingsproblematiek kampt maar er ligt onvoldoende om haar gezag te beëindigen. De vrouw heeft een belangrijke rol in het leven van de kinderen gespeeld. Dat zij steeds een terugval heeft, heeft mede te maken met de rol die zij in het voormalige gezin heeft en in het verloop van het contact met de kinderen. Dat zij enkel op de achtergrond aanwezig is, trekt een grote wissel op haar.
Door de man alleen met het gezag over de kinderen te belasten, verbetert de situatie niet. De vrouw moet juist meer bij de kinderen betrokken worden. Zij betwist dat zij de uitoefening van het ouderlijk gezag frustreert, zeker nu de GI in beeld is en deze ook zaken voor de kinderen kan regelen. De advocaat zal de vrouw bewegen om toestemming te geven voor de inschrijving van de kinderen bij een huisarts in [woonplaats] . Wanneer de man het eenhoofdig gezag krijgt, is de moeder uit beeld. De stellingen van de man over het netwerk van de vrouw en over een mogelijke GHB-verslaving van de vrouw zijn niet onderbouwd. Het is nog te vroeg om een uitspraak te doen over het gezag nu de ondertoezichtstelling inmiddels verlengd is. Met de informatie van de GI kan er op enig moment een beslissing te worden genomen. Ten aanzien van de verzoeken tot het bepalen van het hoofdverblijf van de kinderen refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. De man beschikt over een eigen woning. De vrouw is aan het zoeken naar een geschikte eigen woonruimte, zij verblijft nu in een chalet waar permanente bewoning niet is toegestaan. Het contact tussen de vrouw en de kinderen kan via de GI verlopen. De advocaat verzoekt daarom om alle verzoeken aan te houden.
Het standpunt van de GI
Van de zijde van de GI is aangegeven dat het contact met de vrouw wisselend is. Vóór haar recente opname was er geen contact met de vrouw. Het ging erg slecht met de vrouw. Zij was erg bezig met haar verslaving waar zij niet uit kan komen. Er komt weinig initiatief vanuit de vrouw. Na haar vorige opname leek het goed te gaan met de vrouw maar op enig moment verliep het contact toch weer moeizaam. De kinderen hebben last van de situatie. Zij hebben belcontacten met de vrouw, die begeleid worden door [hulpverlening] . Vanwege de veiligheid hebben zij de vrouw al een jaar fysiek niet kunnen zien. Het lukt de vrouw niet om van haar verslaving af te komen. Zij wil graag contact met de kinderen maar de realiteit laat zien dat dit moeilijk gaat. Gekeken wordt naar wat het beste is voor de kinderen. Voor [minderjarige 1] is er inmiddels speltherapie gestart. Gezien wordt dat het onderwerp ‘gezin’ veel bij hem oproept. Hij wil hierover niks loslaten. De therapeut gaat kijken hoe de band tussen de man en de kinderen verder versterkt kan worden. De man heeft baat bij de hulpverlening vanuit de WMO. Over de opvoedingsvaardigheden van de man zijn geen twijfels. De vraag is wel wat het netwerk van de vrouw doet. De vrouw is niet zozeer onveilig maar haar netwerk wel. Daarnaast heeft de vrouw een nieuwe partner die niet veilig is. Zij heeft hem tijdens haar vorige opname leren kennen. De vrouw is daarna teruggevallen in haar verslaving. Tijdens haar recente opname zou zij met haar nieuwe partner in Zuid-Afrika zijn. Het is de GI niet bekend of de vrouw mogelijk aan GHB verslaafd is. Het netwerk van de vrouw is wel bekend met die problematiek.
Het advies van de Raad
De vertegenwoordigster van de Raad heeft te kennen gegeven dat de Raad op dit moment geen meerwaarde ziet in een raadsonderzoek, nu de GI in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken is. Hierin zijn nog de nodige ontwikkelingen gaande. Niet te voorspellen is hoe de vrouw zich in de komende periode gaat ontwikkelen. De Raad ziet echter niet dat er geen besluiten voor de kinderen kunnen worden genomen. Het heeft wel even geduurd maar ter zitting is van de zijde van de vrouw toegezegd dat de inschrijving van de kinderen bij een huisarts in [woonplaats] geregeld wordt. In het komende half jaar kunnen de ontwikkelingen binnen de ondertoezichtstelling worden gevolgd, onder de aanhouding van het verzoek van de man tot eenhoofdig gezag. In die periode moet er echter wel een aanzienlijke verbetering in de verslavingsproblematiek van de vrouw zichtbaar worden. Hoewel de vrouw al veel terugvallen heeft gehad, is het nog te vroeg om te concluderen dat zij niet meer gaat veranderen. Wanneer de vrouw geen stabiliteit laat zien, kan de Raad echter mogelijk tot het advies komen om het gezag over de kinderen alleen bij de man te laten. De Raad begrijpt dat het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de man kan bijdragen aan het creëren van meer rust voor de man maar ziet op dit moment nog voldoende de belangen voor het behouden van het gezag van de vrouw.
De Raad adviseert verder om het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te bepalen. De kinderen verblijven nu al anderhalf jaar bij de man. Er is op dit moment geen fysiek contact tussen de vrouw en de kinderen. Niet verwacht wordt dat dit binnen afzienbare tijd zal kunnen worden gerealiseerd. De regie over het contact tussen de vrouw en de kinderen dient volgens de Raad bij de GI te worden belegd.
De nadere beoordeling door de rechtbank
Vaststelling gezamenlijk gezag
Ingevolge artikel 1:253aa lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) oefenen de ouders gedurende hun geregistreerd partnerschap het gezag gezamenlijk uit. Uit de toelichting bij dit artikel volgt dat dit geldt als het kind tijdens het geregistreerde partnerschap is geboren, maar ook als het kind reeds voor het aangaan van het geregistreerd partnerschap is geboren.
Volgens het tweede lid van dit artikel blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag na ontbinding van het geregistreerd partnerschap gezamenlijk uitoefenen. De bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag van gehuwde en gehuwd geweest zijnde ouders zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdverblijf
Gelet op het voorgaande zijn partijen belast met het gezamenlijk gezag. Op de verzoeken van partijen ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen is dan van toepassing artikel 1:253a lid 2 onder b BW. Hierin is bepaald dat de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten de beslissing bij welke ouder het kind het hoofdverblijfplaats heeft.
Tijdens de zitting heeft de Raad geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen, nu deze al anderhalf jaar bij de man verblijven, er nu geen fysiek contact is tussen de vrouw en de kinderen en dit ook niet op korte termijn te verwachten is. Namens de vrouw heeft haar advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank hierover. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de vrouw nu niet over een permanente woonplek beschikt, terwijl de man deze wel heeft. De rechtbank deelt de toelichting van de Raad en de opmerking van de advocaat van de vrouw. Het hoofdverblijf van de kinderen zal daarom op die gronden bij de man worden bepaald. Daarbij komt dat de kinderen zich goed ontwikkelen bij de man, met de hulpverlening vanuit de WMO.
Contact
Nu het primaire verzoek van de vrouw zal worden afgewezen, is op het subsidiaire verzoek van de vrouw tot een vaststelling van een zorg- en contactregeling van toepassing artikel 1:253a lid 2 onder a BW. Hierin is bepaald dat de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
Bij recente beschikking van de kinderrechter van 4 juni 2026 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 12 juni 2026 tot 12 juni 2027. Binnen de uitvoering van deze maatregel is het contact tussen de vrouw en de kinderen eveneens onderdeel. De GI is al geruime tijd bij partijen en de kinderen betrokken en heeft daardoor goed zicht op de situatie. Als taak heeft de GI onder andere om te bekijken wat de kinderen nodig hebben, wat de (on)mogelijkheden van partijen zijn en welke hulpverlening noodzakelijk en passend is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de regie over het contact tussen de vrouw en de kinderen daarom het beste in handen is bij de GI gedurende de ondertoezichtstelling. De GI blijft met partijen in gesprek over het verloop van de huidige begeleide contacten en kan met partijen kijken naar mogelijkheden voor een eventuele uitbreiding daarvan, eventueel naar fysieke contacten, wanneer dit in het belang van de kinderen is. Met partijen kan de GI tot afspraken komen, die op verzoek kunnen worden vastgesteld door de rechtbank. De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de vrouw daarom met inachtneming van het voorgaande afwijzen.
Gezag
Zoals hiervoor is overwogen zal de rechtbank de regie over het contact tussen de vrouw en de kinderen beleggen bij de GI. De GI en de in dat kader ingezette hulpverleningsinstanties (waaronder WMO en [hulpverlening] ) zijn het best bij partijen en de kinderen betrokken. De jeugdbeschermer van de GI heeft af en toe contact met de vrouw. Wanneer de rechtbank het verzoek van de man tot eenhoofdig gezag op dit moment zou toewijzen, zal het geringe contact dat er nu met de vrouw is, wegvallen en kan de GI haar niet langer corrigeren. Dit vindt de rechtbank niet wenselijk noch in het belang van de kinderen. De rechtbank heeft begrip voor de ingewikkelde situatie waarin de man zich op dit moment bevindt en dat hij hierin duidelijkheid en rust wil. Zij twijfelt er ook niet aan dat de man veel van de kinderen houdt en dat hij het beste voor hen wil. Tegelijkertijd zit de vrouw eveneens in een ingewikkelde situatie en houdt ook zij veel van de kinderen, maar kampt zij ook met aanhoudende verslavingsproblematiek.
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het nog te vroeg is om de man alleen met het gezag over de kinderen te belasten. Hoewel het langer duurt dan wenselijk, kunnen er wel beslissingen voor de kinderen worden genomen. De rechtbank verwacht echter uitdrukkelijk van de vrouw dat zij in de komende periode laat zien dat zij werkt aan haar verslavingsproblematiek, dat zij hiervoor hulpverlening accepteert en dat zij daaraan haar medewerking verleent. De vrouw dient zich in te zetten om haar problematiek structureel op te heffen, deze blijvend te waarborgen om terugval te voorkomen. Het is aan de vrouw om deze dringende oproep aan haar serieus te nemen en hiermee, in het belang van de kinderen, aan de slag te gaan. Wanneer het de vrouw niet lukt om haar situatie zodanig blijvend te verbeteren dat zij een positieve ouderrol in het leven van de kinderen kan spelen, kan de rechtbank zich mogelijk beraden op toewijzing van het verzoek van de man tot het vaststellen van zijn eenhoofdig gezag. De rechtbank realiseert zich de strenge toon waarmee zij zich tot de vrouw richt, echter hoopt zij hiermee een langdurige vicieuze cirkel bij de vrouw te kunnen doorbreken. Allereerst in het belang van de vrouw zelf maar ook in dat van de kinderen door er weer voor hen te kunnen zijn en voor de man, zodat de verzorging en opvoeding van de kinderen op een realistische wijze kan worden verdeeld.
De rechtbank zal het verzoek van de man ten aanzien van het gezag daarom aanhouden. De zaak zal op een nader te bepalen datum, naar verwachting in oktober/november 2026 opnieuw op zitting worden behandeld. Van de GI wordt verwacht dat deze de rechtbank uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zittingsdatum schriftelijk informeert over de dan huidige stand van zaken, wat de ontwikkelingen zijn in de situatie van de vrouw, hoe de kinderen zich ontwikkelen en hoe het contact tussen de vrouw en de kinderen verloopt.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
4 De beslissing
De rechtbank
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de man;
wijst de verzoeken van de vrouw af;
houdt het verzoek van de man over het gezag aan tot een nader te bepalen zitting in oktober/november 2026 in afwachting van het schriftelijk bericht, met inachtneming van hetgeen is opgenomen in de tweede alinea van 3.10.;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, en, in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.