ECLI:NL:RBZWB:2026:7756

Datum uitspraak
16-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/424391 / FA RK 24-3148
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Combizaak. Or vastgesteld, gezag en hoofdv aangehouden in afwachting hulpverlening en kal vastgesteld. Man heeft onderneming in Portugal. Onvoldoende inzage in fin gegevens verstrekt.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/424391 / FA RK 24-3148

Datum uitspraak: 16 juli 2026

beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf, contactregeling en levensonderhoud

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] (België),

hierna te noemen de man,

advocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Kalle te Middelburg.

Ouders van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012;

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1 Het verdere procesverloop

1.1

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van 23 april 2025 en de daarin vermelde stukken;

- het F9-formulier van 24 juni 2025 van mr. Burlet;

- de brief van 13 februari 2026 van mr. Kalle met bijlagen;

- de brief van 13 februari 2026 van mr. Burlet met bijlagen;

- het briefrapport van 18 februari 2026 van de Raad;

- de brief van 6 mei 2026 van mr. Burlet met bijlagen;

- het F9-formulier van 8 mei 2026 van mr. Kalle met bijlagen.

1.2.

De op 24 februari 2026 geplande zitting heeft in verband met ziekte van mr. Burlet geen doorgang gevonden. De zaak is nader behandeld op de zitting van 18 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. De voor de zitting door de man geregelde tolk (in de Portugese taal) heeft zich in de ochtend vóór de zitting afgemeld. Voor de man is geen (andere) tolk verschenen. Op uitdrukkelijk verzoek van de man heeft de zitting, zonder tolk voor de man, doorgang gevonden.

1.3.

Na te noemen minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 24 februari 2026 een gesprek met een rechter gevoerd. De rechter heeft tijdens de zitting samengevat wat de kinderen naar voren hebben gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij de beschikking van 23 april 2025 is aan de man toestemming verleend, welke de toestemming van zowel de vrouw als [minderjarige 1] vervangt, tot het erkennen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De behandeling van de verzoeken ten aanzien van het gezag, de zorg-/omgangsregeling en de kinderalimentatie is aangehouden, in afwachting van de stappen die partijen gaan zetten onder begeleiding van de ingezette hulpverlening. Partijen is verzocht de rechtbank te informeren over de actuele ontwikkelingen en zich uit te laten over het gewenste procesverloop in deze procedure.

2.2.

De man heeft de minderjarigen inmiddels erkend. Aan de orde zijn nog de verzoeken van de man om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag over de minderjarigen en tot vaststelling van een zorg-/omgangsregeling alsmede het subsidiaire verzoek van de vrouw (bij toekenning van gezamenlijk gezag) tot vaststelling van het hoofdverblijf en het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.3.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag, het subsidiaire verzoek van de vrouw tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en het verzoek over de zorg-/omgangsregeling. Ook ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de minderjarigen in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben. De rechtbank zal bij alle verzoeken Nederlands recht toepassen.

Zorg-/omgangsregeling

2.5.

De man verzoekt tussen hem en de minderjarigen een zorgregeling danwel omgangsregeling vast te stellen op basis waarvan de minderjarigen minimaal een weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag na school tot maandagochtend, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen ophaalt en brengt, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- of omgangsregeling.

2.6.

De Raad heeft bij de briefrapportage van 18 februari 2026 geadviseerd over de contactregeling. De Raad adviseert, gelet op de door partijen gemaakte afspraken tijdens het netwerkberaad van 10 februari 2026, een definitief besluit te nemen in die zin dat de minderjarigen vanaf april 2026 eenmaal in de maand gedurende 8 uur bij de man verblijven gedurende de tweede zondag van de maand. Tussen ouders wordt daarbij afgesproken dat de minderjarigen vaker naar de man kunnen gaan zodra zij dat zelf aangeven. Op basis van de informatie vanuit het netwerkberaad blijkt dat een dergelijke regeling op dit moment het maximaal haalbare is.

2.4.

Tijdens de zitting hebben beide partijen aangegeven achter het advies van de Raad te staan om vast te leggen dat de minderjarigen een dag per maand bij de man verblijven. De man heeft daarbij aangegeven dat hij eigenlijk meer omgang wil, maar niet aan de minderjarigen wil trekken nu dat niet in het belang van de minderjarigen is en dat hij daarom instemt met deze regeling. Omgang op een andere wijze acht hij niet in het belang van de minderjarigen. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat de omgang niet ‘lekker’ loopt nu de minderjarigen aangeven het niet leuk te vinden bij de man. Vastgelegd kan worden dat eenmaal per maand omgang plaatsvindt en zij hoopt dat daarin verbetering komt.

2.5.

De rechtbank zal, gelet op de instemming van partijen en nu de Raad deze regeling de hoogst haalbare regeling acht wat beide partijen erkennen en partijen duidelijkheid willen omtrent de omgang, conform het Raadsadvies beslissen. Dit betekent dat een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de minderjarigen iedere tweede zondag van de maand gedurende acht uur bij de man verblijven. Partijen zijn het erover eens dat als de minderjarigen aangeven vaker naar de man te willen, dat mogelijk is. Niet gebleken is dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen deze regeling. De rechtbank is van oordeel dat, indien de omgang onverhoopt op een tweede zondag van de maand niet door kan gaan, de omgang op een andere zondag in die maand, door partijen op dat moment in onderling overleg aan te wijzen, zal plaatsvinden.

Gezag

2.6.

De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om hem met de vrouw gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen te belasten, samengevat, het volgende aangevoerd. Uitgangspunt in de wet is gezamenlijk gezag en er is geen sprake van een uitzonderingssituatie. Op dit moment wordt hij door de vrouw onvoldoende geïnformeerd over de ontwikkeling van de minderjarigen. De vrouw gebruikt het eenhoofdig gezag tegen hem. De man vreest dat de minderjarigen uit zijn leven verdwijnen als zijn verzoek voor het gezag niet wordt toegewezen. De man vraagt al hulp bij [hulpverlening] , de gemeente en mevrouw [persoon] en laat zien dat hij daar iets mee doet. Hij vraagt zich af wat hij nog meer moet doen. De man staat open voor hulpverlenging om de onderlinge communicatie tussen partijen te verbeteren. De hulpverlening heeft daar tot op heden onvoldoende op ingezet.

2.7.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man om hem mede met het gezag over de minderjarigen te belasten. Zij vraagt primair dit verzoek af te wijzen en subsidiair, bij toewijzing van het verzoek, te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij haar hebben. Zij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken bij toewijzing van het verzoek. Er is al een lange periode geen sprake van communicatie tussen partijen, wat het maken van gezamenlijke beslissingen over de minderjarigen op dit moment niet mogelijk maakt. De vrouw maakt zich dan ook zorgen dat, bij toewijzing van het verzoek, beslissingen over bijvoorbeeld vakanties en inschrijvingen voor scholen niet gezamenlijk gemaakt kunnen worden. In het verleden wilde de man links als de vrouw rechts wilde. Indien de omgang verbetert dan is er geen reden om de man niet ook het gezag toe te kennen. Op dit moment dient het verzoek te worden afgewezen, zodat er rust komt hetgeen positief voor de omgang is. Indien de situatie verbetert dan kan de man in de toekomst opnieuw het gezamenlijk gezag verzoeken. De Raad dient dan ook niet te worden gevolgd in zijn advies om de zaak ten aanzien van het gezag aan te houden. Indien de rechtbank het advies van de Raad tot aanhouding toch volgt dan kan de vrouw zich daarin vinden.

2.8.

De Raad adviseert de rechtbank het verzoek ten aanzien van het gezag aan te houden voor de periode van een jaar. Tijdens de zitting stelt de Raad te bemerken dat ouders nog steeds onvoldoende op één lijn zitten en dat zij nauwelijks met elkaar communiceren. De Raad vindt dan ook dat het op dit moment niet mogelijk is dat de ouders gezamenlijk beslissingen nemen over de minderjarigen. Verder vraagt de Raad zich af of de man in staat is om mee te beslissen over de minderjarigen, in die zin dat de vraag is in hoeverre hij geïnformeerd is om beslissingen te kunnen nemen, nu hij hen slechts één keer per maand ziet. De Raad ziet wel kansen. De man moet laten zien dat hij probeert aan te sluiten bij de hulpverlening, dat hij adviezen vraagt en die opvolgt. De bal ligt dus bij de man. Als daarin stappen worden gemaakt dan zou gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarigen kunnen zijn. De Raad adviseert partijen onder begeleiding van mevrouw [persoon] aan de slag te gaan om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Verder geeft de Raad aan dat het voor partijen onduidelijk is welke hulpverlening er op dit moment is en dat het voor hen duidelijk moet zijn aan welke hulpinstantie zij hun vraag kunnen voorleggen. De Raad spoort partijen aan hierover contact op te nemen met mevrouw [persoon] . Ook hier dient de man een stap naar voren te doen. Verder geeft de Raad aan over een jaar zo nodig opnieuw een kortdurend onderzoek uit te kunnen voeren en de rechtbank van advies te voorzien.

2.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.10.

De rechtbank constateert dat partijen niet of nauwelijks met elkaar communiceren en dat de hulpverlening die heeft plaatsgevonden daarin tot op heden geen verbetering heeft gebracht. Vaststaat ook dat de hulpverlening in het verleden met name gericht is geweest op de omgang tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank is, gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, met de Raad van oordeel dat in ieder geval verbetering in de communicatie tussen partijen nodig is alvorens het gezag mogelijk gezamenlijk door partijen kan worden uitgeoefend. Er is nog altijd hulpverlening bij partijen betrokken. Hoewel de vrouw tijdens de zitting in eerste instantie aangaf nu een beslissing te willen op het verzoek omtrent het gezag heeft zij vervolgens, evenals de man, aangegeven dat zij wil bezien of verbetering in het contact tussen partijen tot de mogelijkheden behoort. Voorts hebben partijen tijdens de zitting toegezegd daarover met mevrouw [persoon] contact op te nemen. In dit licht is de rechtbank van oordeel dat de man nog een kans dient te krijgen en dat het verzoek conform het advies van de Raad dient te worden aangehouden.

2.11.

De rechtbank zal daarom de beslissing op het verzoek van de man over het gezag aanhouden, voor de duur van negen maanden en verwijzen naar de familiekamerrol van 13 april 2027, in afwachting van de hulpverlening ter verbetering van de communicatie tussen partijen. De Raad dient dan, zoals is aangeboden, de rechtbank schriftelijk te adviseren omtrent het verzoek omtrent het gezag middels een briefrapportage. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld te reageren op het advies van de Raad en daarbij het door hen gewenste procesverloop aan te geven.

Hoofdverblijfplaats

2.12.

De vrouw verzoekt subsidiair, bij toewijzing van het verzoek van de man ten aanzien van het gezag, te bepalen dat de minderjarigen het hoofdverblijf bij de vrouw hebben. De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:253a BW in geval van gezamenlijk gezag tussen partijen kan bepalen waar het hoofdverblijf van hun minderjarige kinderen is gelegen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, wordt het verzoek van de man om hem mede met het gezag over de minderjarigen te belasten aangehouden. Om die reden zal de rechtbank ook het verzoek van de vrouw ten aanzien van de hoofdverblijfplaats aanhouden.

Kinderbijdrage

2.13.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen aan haar een bijdrage te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 januari 2024 van € 750,= per kind per maand, dan wel een bijdrage vast te stellen die de rechtbank juist acht en een ingangsdatum te bepalen die de rechtbank juist acht waarbij de bijdrage in ieder geval niet minder bedraagt dan € 110,= per kind per maand. Zij legt aan dat verzoek ten grondslag dat de minderjarigen behoefte hebben aan die bijdrage.

2.14.

De man heeft verweer gevoerd.

2.15.

Voorop gesteld wordt dat artikel 21 en 22 Rv meebrengen dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechtbank de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

Ingangsdatum

2.16.

De man heeft tijdens de zitting ingestemd met de door de vrouw verzochte ingangsdatum. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage dan ook vaststellen met ingang van 1 januari 2024.

Behoefte

2.17.

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

2.18.

Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van 2021, nu de vrouw dit jaar tot uitgangspunt heeft genomen en de man daar tijdens de zitting mee heeft ingestemd. Tussen partijen is vast komen te staan dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw in 2021 € 1.106,= per maand bedroeg (conform de berekening van de vrouw). Zij verschillen van mening over het NBI van de man in 2021. De vrouw heeft, bij gebrek aan (inzicht in de) stukken van de man, zijn inkomen geschat op € 5.000,= netto per maand en komt dan op een behoefte van de minderjarigen van € 1.365,= per maand in 2022. De man heeft de stelling van de vrouw betwist en onder overlegging van stukken in de Portugese taal, anders dan in zijn eerdere berekening, gesteld dat hij in 2021 een netto inkomen had van € 14.193,87 per jaar, zijnde 1.183,= per maand. De door de vrouw gestelde behoefte van de minderjarigen is volgens de man dan ook niet juist.

2.19.

Mede in het licht van het verweer van de vrouw, dat zij de stukken van de man niet kan doorgronden, is de rechtbank van oordeel dat de man zijn financiële situatie ten tijde van (de verbreking van) de samenwoning niet inzichtelijk heeft gemaakt. Hiertoe wordt als volgt overwogen. De man stelt dat hij een onderneming in Portugal heeft, die staat ingeschreven in Portugal. Hij heeft producties overgelegd in de Portugese taal, waarvan hij stelt dat het een privé-aangifte van hem in 2021 is, een zakelijke aangifte in 2021 en een privé-aangifte van de man in 2020. Deze stukken zijn niet vertaald in het Nederlands. Volgens de man omdat een vertaling te hoge kosten mee zou brengen. Namens de man is ter zitting ook aangegeven dat hij weet dat daaraan consequenties verbonden kunnen worden.

2.20.

Bij een zelfstandig ondernemer wordt voor de berekening van het NBI in het kader van de behoefte in beginsel uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de laatste drie jaar van de samenleving. De man heeft voor de behoefteberekening alleen voornoemde stukken overgelegd, die de rechtbank zonder Nederlandse vertaling en zonder deugdelijke uitleg van het Portugese (belasting)systeem niet kan duiden. Bovendien zijn de overgelegde stukken niet compleet. Gelet op de nummering in de stukken ontbreken er pagina’s. De man heeft zijn financiële positie voor het uiteengaan van partijen dan ook niet inzichtelijk gemaakt. Dit betekent dat niet gecontroleerd kan worden of het NBI dat de man stelt te hebben gehad van € 1.182,82 juist is. De rechtbank kan gelet op het vorenstaande ook zelf het NBI van de man niet vaststellen. Daarentegen heeft de vrouw tijdens de zitting toegelicht dat zij haar schatting van het NBI van de man van € 5.000,= per maand heeft gebaseerd op de situatie zoals die destijds was. De man werkte veel, had mensen onder zich en verhuurde zich aan een bedrijf. Hij had een auto van 50.000,= à € 60.000,= en een huis in Portugal met een zwembad met mogelijk inkomsten daaruit. De man heeft dit alles, behoudens de dure auto die volgens hem een oude auto was, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de man het door de vrouw aangevoerde NBI van de man onvoldoende (onderbouwd) heeft weerlegd, terwijl het op de weg van de man lag om voldoende inzicht in zijn inkomen te verschaffen. De rechtbank zal dan ook moeten uitgaan van een NBI van de man van € 5.000,= per maand. De stelling van de man dat hij op basis van een toevoeging procedeert, maakt het vorenstaande niet anders.

2.21.

Nu de rechtbank meegaat met het standpunt van de vrouw, zal voor de behoefte worden aangesloten bij de berekening van de vrouw en de door haar gestelde behoefte van € 1.365,= per maand in 2022. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte per 1 januari 2024 € 1.499,= per maand.

2.22.

Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen

becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.

Draagkracht vrouw

2.23.

De vrouw stelt dat zij uitgaande van haar jaaropgave van 2025 met een inkomen van

€ 13.196,= bruto per jaar een draagkracht heeft van € 50,= per maand. De man heeft ter zitting, nadat hij in de door hem overgelegde berekening net als de vrouw uitging van haar jaaropgave van 2025 en een draagkracht van € 50,= per maand, gesteld dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij haar inkomen aanzienlijk verbetert. Zeker nu zij onlangs van baan is gewisseld. Zij heeft nu een baan voor slechts 20 uur in de week en zij schat haar inkomen zelf op € 19.000,= bruto per jaar. De man stelt dat van een inkomen van de vrouw van € 22.000,= bruto per jaar moet worden uitgegaan.

2.24.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft aangevoerd dat zij in het kader van de toeslagen een geschat inkomen van € 19.000,= bruto per jaar heeft opgegeven, omdat zij dan in ieder geval niet terug hoeft te betalen. Haar werkelijke inkomen blijkt uit de jaaropgave. Het bedrijf waarvoor zij werkte is overgenomen door een ander bedrijf. Zij is dus niet van baan veranderd en heeft geen ander inkomen. Hetgeen is vermeld op de jaaropgave 2025 is wat zij verdient. De rechtbank zal gelet op deze overigens onweersproken toelichting van de vrouw van dit inkomen uitgaan. De stelling van de man dat van de vrouw kan worden verlangd dat zij meer uren gaat werken in die zin dat van een inkomen van € 22.000,= bruto per jaar moet worden uitgegaan wordt gepasseerd. Deze stelling is door de man voor het eerst op zitting naar voren gebracht, wat de vrouw beperkt in haar procesmogelijkheden. De vrouw heeft de stelling van de man alleen kunnen betwisten, stellende dat zij op dit moment niet in staat om meer dan 20 uur per week te werken, mede in verband met de zorg voor de minderjarigen. Het te behalen inkomen van € 22.000,= bruto per jaar heeft de man ook niet onderbouwd. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om in het kader van de kinderalimentatie uit te gaan van de door de man opgevoerde verdiencapaciteit. Daarbij zij nog wel opgemerkt dat de vrouw uit hoofde van haar onderhoudsverplichting ook gehouden is om te voorzien in de kosten van de kinderen en daartoe zo nodig en mogelijk haar werkzaamheden en inkomsten dient uit te breiden.

2.25.

Nu beide partijen, gelet op het vorenstaande, met het inkomen van de vrouw zoals

vermeld op de jaaropgave de draagkracht van de vrouw voor 2026 berekenen op € 50,= per maand, zal de rechtbank daar ook vanuit gaan voor de gehele periode.

Draagkracht man

2.26.

De man heeft in de door hem als productie 2 bij genoemde brief van 13 februari

2026 overgelegde draagkrachtberekening volgens de tarieven van 2026 (eerste helft) zijn NBI berekend op € 2.417,= per maand. Daarbij is hij uitgegaan van een fiscale winst uit onderneming van € 29.000,= in 2023. Hij heeft geen stukken over 2024, 2025 of 2026 overgelegd. Zijn draagkracht is volgens de man € 114,= per kind per maand. De vrouw heeft aangevoerd dat zij bij gebrek aan stukken geen berekening van de draagkracht van de man heeft kunnen maken. Zij heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij, net als in het kader van de behoefteberekening ten aanzien van het NBI van de man, ook uit de door de man voor zijn draagkracht overgelegde stukken door de onduidelijkheid de winst van de man niet kan herleiden. De man heeft volgens de vrouw dan ook niet aangetoond dat hij de door haar verzochte bijdrage van € 750,= per kind per maand niet kan betalen.

2.27.

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de man, evenals ten aanzien van zijn NBI in het kader van de behoefteberekening is overwogen, ook voor zijn draagkracht onvoldoende inzicht heeft gegeven door ook hier ter onderbouwing alleen (als productie 1A en 1B bij de brief van 13 februari 2026 van mr. Burlet) Portugese aangiftes over 2023 in het geding te brengen. Het had op de weg van de man gelegen om (ook) recente en op de toekomst gerichte, in het Nederlands vertaalde, stukken in het geding te brengen en een deugdelijke toelichting te verschaffen, in die zin dat voldoende inzicht in het Portugese (belasting)systeem wordt gegeven. Nu de man dit heeft nagelaten, kan de rechtbank de draagkracht van de man niet beoordelen, hetgeen voor rekening en risico van de man dient te komen. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de man per 1 januari 2024 voldoende draagkracht heeft om in de (resterende) behoefte van de minderjarigen te voorzien, als volgt.

2.28.

Zoals hiervoor is overwogen, bedraagt de behoefte in 2024 € 1.499,= per maand en is de draagkracht van de vrouw € 50,= per maand. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval, waarin, gelet op hetgeen is overwogen omtrent de draagkracht van de man, geen draagkrachtvergelijking kan worden gemaakt, aanleiding om rekening te houden met een aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen van € 50,= per maand. Zodat ervan uit wordt gegaan dat de man de resterende behoefte van € 1.449,= per maand, ofwel (afgerond) € 725,= per kind per maand, kan voldoen.

2.29.

Het verzoek van de vrouw zal tot zover worden toegewezen, als na te melden.

3 De beslissing

De rechtbank

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012,

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014,

gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eenmaal per maand gedurende 8 uur op de tweede zondag van de maand, met inachtneming van hetgeen in punt 2.5. is overwogen;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, met ingang van 1 januari 2024 op € 725,= per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het omtrent de omgangsregeling en de kinderbijdrage meer of anders verzochte af;

houdt de beslissing op het verzoek van de man ten aanzien van het gezag en het (subsidiaire) verzoek van de vrouw ten aanzien van het hoofdverblijf aan tot de familiekamerrol van 13 april 2027, zulks in afwachting van de hulpverlening en het advies (briefrapportage) van de Raad, zoals omschreven in punt 2.11..

Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »