RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448435 / JE RK 26-887
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Bergen op Zoom,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 12 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij door tussenkomst van de GI op juiste wijze is opgeroepen.
De kinderrechter heeft voorafgaand aan de vorige zitting van 9 juni 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier toen geen gebruik van gemaakt.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
Bij beschikking van 9 maart 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 9 maart 2023 en tot 9 maart 2024.
Bij beschikking van 8 maart 2024 is deze ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 9 maart 2024 en tot 9 april 2024 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 25 maart 2024 is de ondertoezichtstelling destijds voor het laatst verlengd met ingang van 9 april 2024 en tot 9 december 2024.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 januari 2025, bekend onder kenmerk C/02/381454 / FA RK 21-261, is bepaald dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar één keer per vier weken op woensdag gedurende vier uur op een neutrale plek in [plaats] en onder begeleiding van [het zorgbureau] en met in achtneming van hetgeen in die beschikking onder rechtsoverweging 2.5.7 is overwogen. Ook is bij die beschikking bepaald dat de vader en de minderjarigen gerechtigd zijn tot een belcontact met elkaar op vrijdag één keer per twee weken op een in onderling overleg overeen te komen tijdstip, alsmede dat de vader uiterlijk twee dagen voorafgaand aan een bezoekmoment € 35,- aan de moeder dient te voldoen als bijdrage in de reiskosten van de moeder en de minderjarigen naar [plaats].
Bij beschikking van 9 januari 2025 heeft de kinderrechter de beslissing ten aanzien van het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangehouden tot 13 mei 2025 pro forma, met het verzoek aan de Raad, de (advocaat van de) moeder en de vader om dan te rapporteren over de ontwikkelingen.
Bij proces-verbaal van 7 juli 2025 heeft deze rechtbank geconstateerd dat de moeder, haar advocaat en een vertegenwoordig(st)er van de GI niet zijn verschenen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 7 juli 2025. Het was voor de Raad op dat moment niet mogelijk om het verzoek tot ondertoezichtstelling inhoudelijk te onderbouwen dan wel aan te geven of zij het verzoek handhaven. Zij hadden meer tijd en informatie nodig om een beter beeld over de situatie te krijgen. Gelet daarop heeft de rechtbank de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek aangehouden tot de mondelinge behandeling van 19 september 2025.
Bij beschikking van 19 september 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 september 2025 en tot 19 juni 2026. Moeder heeft op 9 januari 2026 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Ze heeft dit hoger beroep op 19 maart 2026 weer ingetrokken. Bij beschikking van 23 april 2026 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch haar daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep.
Bij beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2026 heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder om, bij wijze van voorlopige voorziening, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met onmiddellijke ingang op te schorten afgewezen. Daarnaast heeft de kinderrechter in deze beschikking het verzoek van de moeder om primair de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met onmiddellijke ingang te beëindigen en subsidiair de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering afgewezen.
Bij beschikking van 12 juni 2026 is in verband met een onjuiste oproep van de vader de ondertoezichtstelling voor een korte periode verlengd, te weten tot 19 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderrechter heeft bij voornoemde beschikking van 12 juni 2026 reeds deels beslist op dit verzoek. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen, te weten voor de periode van 19 juli 2026 en tot 19 december 2026.
4 De standpunten
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen omdat de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onverminderd aanwezig zijn en sturing en begeleiding vanuit de GI om deze zorgen weg te nemen langer nodig is. Het is namelijk tot op heden niet gelukt om de omgang tussen de vader en de kinderen vorm te geven. Het is de bedoeling dat dit contact onder begeleiding van [het zorgbureau] wordt opgestart. In dit kader vindt eerdaags de intake plaats voor het bepalen van de randvoorwaarden. [minderjarige 2] vindt het leuk om papa weer te zien, [minderjarige 1] vindt dit lastig. De kinderen zijn bang voor nieuwe teleurstellingen. De jeugdbeschermer hoopt dat de vader zijn verantwoordelijkheid gaat nemen en de afspraken gaat nakomen. Hierover zijn twijfels omdat de nieuwe jeugdbeschermer de vader nog steeds niet heeft gezien en hij ook nu weer niet naar de zitting is gekomen. Het is dus echt noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om te monitoren en waar nodig te sturen. Tot slot benoemt de GI dat de wisseling van jeugdbeschermer de samenwerking met de moeder goed heeft gedaan. De moeder houdt de jeugdbeschermer goed op de hoogte van wat er speelt rondom de kinderen en houdt daarbij het belang van de kinderen voor ogen bij de te nemen stappen. De ondertoezichtstelling ziet dus voornamelijk nog op het contact(herstel) van de kinderen met de vader.
De moeder kan zich vinden in een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij vindt het wel belangrijk dat er goed gekeken wordt naar het belang van de kinderen. De moeder gunt de vader en de kinderen het contact met elkaar, maar de vader zal dan wel zijn verantwoordelijkheid moeten gaan nemen. De moeder hoopt dat het in de komende periode gaat lukken om de omgang structureel op te starten en dat daarmee rust gaat komen voor de kinderen. Namens de moeder wordt gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter voor wat betreft de noodzaak van de maatregel, nu de resterende doelen alleen nog zien op het contact met de vader. De moeder zal alles blijven doen in het belang van de kinderen, ook vanuit een vrijwillig kader.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan1. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek van de GI toewijzen en legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat het in de afgelopen periode niet is gelukt om het contact tussen de vader en de kinderen op te starten en structureel vorm te geven. De kinderrechter vindt dit zorgelijk, omdat het in het belang van hun verdere ontwikkeling is dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een onbelast contact kunnen hebben met hun beide ouders. De kinderrechter vindt het daarom belangrijk dat de GI het komende halfjaar betrokken blijft om het contactherstel te begeleiden en te sturen waar nodig. Daarbij acht de kinderrechter het ook noodzakelijk dat de GI de vader blijft stimuleren om een andere rol c.q. houding aan te nemen en dat hij de afspraken structureel nakomt. Voorkomen moet worden dat de kinderen opnieuw teleurgesteld worden in het contact met de vader. Het is aan de GI om aan het eind van de komende periode de balans op te maken. Bezien moet worden of er iets van contact mogelijk is en/of nog langer ingezet moet worden op het contactherstel. De kinderen moeten namelijk duidelijkheid hierover gaan krijgen. Aan de hand daarvan dient ook beoordeeld te worden of de noodzaak voor een maatregel in het gedwongen kader nog langer aanwezig is. Tot slot merkt de kinderrechter op dat hij het fijn vindt om te horen dat er een positieve samenwerking is ontstaan tussen de moeder en de nieuwe jeugdbeschermer en dat de moeder achter het contact van de kinderen met de vader staat en stappen zet in het belang van de kinderen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 19 juli 2026 en tot 19 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.