RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448994 / JE RK 26-999
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren uit Gilze,
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N.N. Nunnikhoven uit Tilburg,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 juni 2026;
-
de op 27 juni 2026 ontvangen brief van de pleegouders;
-
de brief met bijlagen van 6 juli 2026 van mr. Verschuren;
-
de door de GI ter zitting overgelegde pleitnotities.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De moeder was - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet aanwezig op de zitting. De pleegouders zijn, zoals zij hebben aangegeven in hun brief, niet op de zitting verschenen.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 17 juli 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 17 mei 2026. Bij beschikking van 12 mei 2026 is deze machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 17 juli 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoeken het volgende aangegeven. De GI vindt dat de terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader onderzocht moet worden. De ouders en [minderjarige] zij aangemeld bij [de psychologenpraktijk] . Daar zal op korte termijn gestart worden met systeemgesprekken, omgangsobservaties en een perspectiefonderzoek. [minderjarige] heeft recent enkele zorgelijke uitspraken gedaan, bijvoorbeeld over dat de vader haar pijn doet. Het is onduidelijk waar deze uitspraken vandaan komen. Dit zal ook worden meegenomen in het traject bij [de psychologenpraktijk] . De planning is dat dit traject ongeveer vier maanden zal duren en dat er in oktober een adviesgesprek plaatsvindt. Aan de moeder zijn vragenlijsten gestuurd. Het is helpend voor het beeld over [minderjarige] als zij deze vragenlijsten invult. Als de moeder niet reageert, heeft dit geen gevolg voor de duur van het traject met de vader. De GI heeft gelezen dat de vader zijn traject bij de GGZ heeft afgerond, maar beschikt niet over informatie hierover. De GI wil deze informatie nog graag van de vader ontvangen. De vader laat zich negatief uit over de plaatsing van [minderjarige] in [plaats]. Dit heeft te maken met de lange reistijd voor de vader om [minderjarige] te bezoeken en de GI van hem verwacht dat hij dat doet. In mei en juni 2026 heeft gedurende vier weken geen omgang plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] heeft hier moeite mee gehad. De vader heeft direct na de vorige zitting aangegeven nergens meer aan mee te werken. Er zijn vier omgangsmomenten door hem afgezegd, vanwege een geschil met de voormalige jeugdbeschermer, autopech en een sollicitatiegesprek van de vader. De vader heeft laten zien dat hij nog onvoldoende in staat is zijn emoties te reguleren en constructief samen te werken met de hulpverlening. Hij heeft bedreigende uitspraken tegen de voormalig jeugdbeschermer gedaan. De GI vindt het van belang dat de vader zich herpakt en zich weer zal inzetten voor het contact met [minderjarige] . Er is inmiddels een andere jeugdbeschermer en er wordt gewerkt aan de samenwerking met de vader. De moeder is nog steeds uit contact met de GI en [minderjarige] . De GI heeft alleen begin juni enkele berichten, waaronder één met een bedreigende inhoud, ontvangen. De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn nog steeds noodzakelijk, omdat onduidelijk is of de vader in voldoende mate de verzorging en opvoeding van [minderjarige] kan dragen. Er is nog geen definitieve en verantwoorde beslissing over het opvoedperspectief mogelijk. De GI kan instemmen met een tussentijdse toetsing van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing na zes maanden.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij er moeite mee heeft dat de GI beloftes doet, maar deze niet nakomt. Van hem wordt als vader veel verwacht, maar ook de GI behoort de opdrachten uit te voeren. Hij heeft een gesprek gehad met [de psychologenpraktijk] , maar de komende weken is zij op vakantie en gebeurt er dus weer niets. Hij is bereid zijn volle medewerking te geven aan het traject. Ook is hij bereid informatie met de GI te delen over zijn behandeling bij de GGZ. De advocaat heeft aangegeven dat het niet in lijn is met de vorige beschikking dat de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] nog niet is uitgebreid. De advocaat verzoekt primair het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair om de duur daarvan te beperken tot maximaal zes maanden. Het advies van [de psychologenpraktijk] , dat in oktober 2026 gereed zal zijn, kan dan besproken worden. De vader kan zich vinden in de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.
De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat de moeder zich op de achtergrond houdt wegens haar wantrouwen naar instanties. Zowel de moeder als de vader willen graag dat [minderjarige] thuis wordt geplaatst bij de vader. Ten aanzien van de ondertoezichtstelling heeft de advocaat namens de moeder geen opmerkingen. Over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing sluit de advocaat zich aan bij de advocaat van de vader en verzoekt om een beperking van de duur tot zes maanden.
De pleegouders hebben schriftelijk aangegeven dat zij zich onthouden van een mening over de verzoeken en niet naar de zitting komen, omdat dit mogelijk niet ten goede komt aan de verstandhouding met de ouders. Het contact met de ouders is respectvol en constructief. [minderjarige] ontwikkelt zich goed. Zij heeft nog wel een achterstand in spraak en taal en veel behoefte aan fysiek contact, nabijheid en bevestiging. In de afgelopen twee maanden is [minderjarige] meer opstandig en kan verdriet laten zien. Soms doet zij heftige uitspraken, zoals dat ze stuk en dood moet, of slaat ze zichzelf uit onmacht en verdriet. Het is zichtbaar dat de onrust bij haar is toegenomen. Ook de recente afwezigheid van de vader gedurende vier weken viel haar zwaar. Ze laat zich wel goed troosten. De pleegouders vinden het belangrijk dat er duidelijkheid voor [minderjarige] over haar perspectief komt, omdat zij dit nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat [minderjarige] op dit moment nog niet bij één van haar ouders kan wonen. [minderjarige] is uit huis geplaatst vanwege zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vader in verband met zijn psychische gesteldheid. [minderjarige] ontwikkelt zich bij de pleegouders goed, maar heeft duidelijkheid nodig over waar zij zal gaan opgroeien. Daarnaast doet zij ook zorgelijke uitspraken. Het is nodig dat er zicht komt op de mogelijkheden van de vader om voor [minderjarige] te zorgen. Met de recente start van het traject bij psychologenpraktijk [de psychologenpraktijk] zou hier in de komende vier maanden duidelijkheid over moeten komen. Voor de uitvoering van dit traject is het van groot belang dat de vader en de GI in een betere samenwerking tot elkaar komen. De kinderrechter begrijpt dat het voor de vader soms ingewikkeld en emotioneel kan zijn, omdat het zijn dochter betreft, maar het is niet in het belang van [minderjarige] als de vader zich tegen de GI verzet en zijn emoties daarbij niet onder controle houdt. De vader moet hierin zijn verantwoordelijkheid pakken, ook als het gaat om het afleggen van de reisafstand naar het pleeggezin voor het contact met [minderjarige] . De kinderrechter vindt dat ook de GI de verantwoordelijkheid moet nemen als het gaat om het contact tussen vader en [minderjarige] tijdens de zomervakantie. Het mag niet zo zijn dat [minderjarige] de gehele vakantieperiode geen contact met haar vader heeft. De kinderrechter vindt het tenslotte zorgelijk dat de moeder inmiddels al maanden niet in contact is met [minderjarige] en met de GI.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Zowel de vader als de moeder hebben geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter zal de duur van deze machtiging beperken tot zes maanden, onder aanhouding van het verdere verzoek. Op dit moment is de verwachting dat [de psychologenpraktijk] in oktober 2026 een advies gereed heeft over de mogelijkheden van de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader. De kinderrechter vindt het in dat kader van belang dat er een tussentijdse toetsing over de noodzaak van de maatregel plaatsvindt.
Aangezien het zittingsrooster van de rechtbank het niet toelaat om op dit moment de volgende zitting te plannen, zal de zaak worden aangehouden tot hierna te noemen pro forma datum, waarna de zaak nader zal worden gepland. Tot die datum kunnen partijen eventuele verhinderdata aan de rechtbank doorgeven.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de volgende zitting schriftelijk verslag uit te brengen over het verloop van de maatregelen en het traject bij [de psychologenpraktijk] , met haar standpunt ten aanzien van het resterende verzoek.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot met ingang van 17 juli 2026 tot 17 juli 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 17 juli 2026 tot 17 januari 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot dinsdag 13 oktober 2026 en verzoekt de griffier van de rechtbank om deze zaak uiterlijk op deze datum, met inachtneming van eventuele verhinderdata van partijen en de voormelde afloopdatum van de machtiging tot uithuisplaatsing, te plannen op een zitting en partijen daarvoor tijdig op te roepen;
verzoekt aan de GI om uiterlijk twee weken voor de (nader te plannen) zitting schriftelijk verslag uit te brengen en haar standpunt kenbaar te maken over het resterende deel van het verzoek;
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.