ECLI:NL:RBZWB:2026:7409

Datum uitspraak
09-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/450130 / JE RK 26-1218
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Spoed muhp voorziening voor pleegzorg voor twee weken. restant aanhouden tot zitting.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/450130 / JE RK 26-1218

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

- het (spoed)verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 9 juli 2026.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] woont bij haar moeder.

2.3.

Bij beschikking van 8 september 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 8 september 2021 en tot 8 december 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 27 augustus 2025 tot 8 september 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 8 september 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4 De beoordeling

4.1.

Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

4.3.

Uit het (spoed)verzoek blijkt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een machtiging tot uithuisplaatsing is vervuld (1:265b BW). De kinderrechter is van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] met spoed in een andere voorziening uit huis wordt geplaatst en dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende.

4.4.

Uit de overgelegde stukken is het de kinderrechter gebleken dat er sprake is van een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] . Uit de overgelegde stukken blijkt dat [minderjarige] binnen het gezin een verantwoordelijkheid draagt die niet past bij haar leeftijd en dat zij wordt belast met opvoedende taken en problemen van volwassenen. Daarnaast bestaan er ernstige zorgen over haar emotionele en fysieke veiligheid vanwege de voortdurende spanningen in het gezin en de signalen van huiselijk geweld, ook richting [minderjarige] . De kinderrechter constateert dat de moeder herhaaldelijk heeft aangegeven de zorg voor [minderjarige] en de andere kinderen binnen het gezin niet langer aan te kunnen. Ook is het de kinderrechter gebleken dat de fysieke en emotionele beschikbaarheid van de moeder ernstig is afgenomen en de reeds langdurig ingezette hulpverlening de zorgen niet heeft kunnen wegnemen. Betrokken hulpverleners signaleren juist een verdere verslechtering van de thuissituatie. Ook de situatie bij vader biedt op dit moment onvoldoende waarborgen voor de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] .

4.4.

De kinderrechter is van oordeel dat in een situatie als deze waarin er zulke ernstige zorgen zijn over [minderjarige] en voldoende aannemelijk is dat [minderjarige] niet op een veilige manier thuis bij de moeder kan wonen, een uithuisplaatsing noodzakelijk is. De kinderrechter acht een plaatsing bij vader niet mogelijk, nu hij onvoldoende beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging van de kinderen en er onvoldoende zicht bestaat op zijn thuissituatie. Onder deze omstandigheden acht de kinderrechter een plaatsing in een voorziening voor pleegzorg in het belang van [minderjarige] . Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook voor korte tijd worden toegewezen.

4.5.

De GI en (de advocaat van) de moeder, en (de advocaat van) de vader en [minderjarige] worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder genoemde zitting. In afwachting van deze zitting zal een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van twee weken worden verleend, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026. Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden.

4.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 9 juli 2026 tot 23 juli 2026;

5.2.

verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 te [uur], ten overstaan van mr. Borm voor de duur van 60 minuten, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg , Kousteensedijk 2;

5.4.

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, (de advocaat van) de moeder en (de advocaat van) de vader;

5.5.

bepaalt de [minderjarige] via een aparte brief zal worden opgeroepen voor een gesprek met de kinderrechter;

5.6.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »