RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450131 / JE RK 26-1219
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2026 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 3].
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 3] als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam.
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 3] als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het (spoed)verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 9 juli 2026.
2 De feiten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 3].
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.
Bij beschikking van 17 april 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 17 oktober 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
3 Het verzoek
De GI verzoekt een (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 17 oktober 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4 De beoordeling
Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
Uit het (spoed)verzoek blijkt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds is vervuld (1:265b BW). De kinderrechter is van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat de minderjarigen met spoed in voorziening voor pleegzorg uit huis wordt geplaatst en dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarigen. Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende.
De kinderrechter is van oordeel dat er sprake is van een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de drie minderjarigen. Gelet op hun zeer jonge leeftijd van zeven maanden, bijna twee jaar en drie jaar zijn zij volledig afhankelijk van hun ouders voor hun verzorging, voeding, bescherming en voortdurend toezicht. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de moeder door ernstige lichamelijke en psychische overbelasting regelmatig uitvalt en zich noodgedwongen terugtrekt op bed waardoor zij niet in staat is de dagelijkse zorg voor de kinderen te dragen. Verder is het de kinderrechter gebleken dat de vader onvoldoende beschikbaar is om deze zorg structureel over te nemen. De kinderrechter acht de recente gebeurtenissen van zeer zorgwekkende aard. Op 2 juli 2026 was voor moeder sprake van een ambulance-inzet vanwege klachten die volgens betrokkenen verband hielden met hoge spanning en overbelasting. Tijdens de verjaardagsviering op 5 juli 2026 lag de moeder ziek op bed en was de vader afwezig waardoor de kinderen grotendeels aan hun lot werden overgelaten. De oudste kinderen namen noodgedwongen de verzorging van de jongere kinderen op zich. Daarbij is [minderjarige 3] aangetroffen die onder de ontlasting zat en nog gevoed moest worden door een derde terwijl er ook signalen zijn ontvangen dat de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zonder voldoende toezicht en verzorging verdrietig in kinderstoelen zaten. De kinderrechter constateert hiermee dat de meest basale verzorging en veiligheid van de kinderen op dat moment niet waren gewaarborgd. Eerdere vergelijkbare incidenten, waarbij de minderjarigen langdurig niet waren verschoond en door derden moesten worden verzorgd laten zien dat er geen sprake is van een eenmalige gebeurtenis maar van een structureel patroon.
Daarnaast groeien de kinderen op in een gezin waarin sprake is van voortdurende spanningen, emotionele onveiligheid en signalen van huiselijk geweld. Ondanks langdurige en intensieve hulpverlening is de thuissituatie niet verbeterd maar juist verder verslechterd. Minder ingrijpende maatregelen, zoals ambulante hulpverlening of ondersteuning vanuit het netwerk, hebben de veiligheid onvoldoende kunnen waarborgen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het onverantwoord is de kinderen nog langer in deze situatie te laten verblijven. Er bestaat een reëel risico dat moeder opnieuw uitvalt waardoor de kinderen wederom zonder adequate verzorging, voeding en toezicht komen te zitten. Gezien hun zeer jonge leeftijd kunnen zij zichzelf op geen enkele wijze beschermen tegen deze risico's.
De kinderrechter is van oordeel dat in een situatie als deze waarin er zulke ernstige zorgen zijn over de minderjarigen en voldoende aannemelijk is dat de minderjarigen niet op een veilige manier thuis bij de moeder kunnen wonen, een uithuisplaatsing noodzakelijk is. De kinderrechter acht een plaatsing bij de vader niet mogelijk nu hij onvoldoende beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging van de kinderen en onvoldoende zicht bestaat op zijn thuissituatie. Onder deze omstandigheden acht de kinderrechter een plaatsing in een voorziening voor pleegzorg in het belang van de minderjarigen. Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook voor korte tijd worden toegewezen.
De GI en (de advocaat van) de moeder en (de advocaat van) de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder genoemde zitting. In afwachting van deze zitting zal een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van twee weken worden verleend, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026. Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 9 juli 2026 tot 23 juli 2026;
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 te [uur], ten overstaan van mr. Borm voor de duur van 60 minuten, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, (de advocaat van) de moeder en (de advocaat van) de vader;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.