RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448074 / JE RK 26-813
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft beide kinderen naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft een briefje naar de kinderrechter gestuurd met daarin zijn mening over het verzoek. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij kenbaar hebben gemaakt. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 juni 2025 verlengd tot
25 juni 2026. Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige 1] in een gezinshuis in [plaats 1] .
Bij een andere beschikking van 18 juni 2025 heeft de voormelde kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] met ingang van 25 juni 2025 verlengd tot 25 juni 2026. Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige 2] in een gezinshuis in [plaats 2] .
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van beide kinderen te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot hun uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Beide kinderen, zijnde een tweeling, ontwikkelen zich momenteel positief binnen hun eigen gezinshuizen. Wel hebben er zich met [minderjarige 2] op school wat incidenten voorgedaan en zijn er nog wat zorgen over de onderlinge dynamiek tussen beide kinderen. Zo zijn er signalen dat [minderjarige 1] in contact met [minderjarige 2] soms een dominante rol inneemt. Naar de mening van de GI vraagt deze dynamiek verdere observatie en begeleiding, zodat de relatie tussen de kinderen een veilig en gelijkwaardiger vorm kan krijgen.
In het afgelopen jaar is er geen contact geweest tussen [minderjarige 1] en de moeder. [minderjarige 1] blijft consequent aangeven dat hij geen contact wil met zijn moeder, zowel niet telefonisch als fysiek. [minderjarige 2] had tot 2 maart 2026 zeer frequent contact met zijn moeder via WhatsApp en een wekelijks telefonisch contact, maar heeft op deze dag aangegeven dat hij helemaal geen contact meer met haar wil. Hij heeft hierbij verwoord dat hij zich door het contact veel zorgen ging maken over zijn moeder, waardoor hij zich onvoldoende op zichzelf, school en eigen ontwikkeling kon concentreren.
Het contact met de moeder is in de afgelopen jaren gekenmerkt geweest door onduidelijkheid en ervaren onveiligheid. De moeder kampt met verslavingsproblematiek, waar de GI momenteel geen zicht op heeft en waar beide kinderen zich met regelmaat zorgen over maken. Naar de mening van de GI dienen op dit moment de wensen van de kinderen gerespecteerd te worden dat zij niet openstaan voor contact met hun moeder. Het blijft wel onderwerp van gesprek bij zowel gezinshuisouders als de GI. De kinderen gaan drie van de vier weekenden naar hun vader. Deze onderlinge relatie is goed. Beide kinderen zouden het allerliefste weer bij hun vader willen wonen. De ouders hebben met elkaar een moeizame verstandhouding. Zij zijn niet in staat gebleken tot een goede onderlinge samenwerking. Een voortzetting van de plaatsing van de kinderen in de gezinshuizen acht de GI in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk. Voor beide kinderen zal nog Psycho Motore Therapie (PMT) worden ingezet. In het komende jaar wil de GI een perspectiefonderzoek gaan doen om te kunnen bepalen waar de kinderen zullen gaan opgroeien.
Door en namens de moeder is het volgende aangegeven. De moeder vindt het positief om te horen dat het met de kinderen goed gaat, ook ten aanzien van hun contact met de vader. Zij maakt zich wel zorgen over haar eigen positie in het geheel. Zij voelt zich onvoldoende gehoord. Zij vindt het belangrijk dat zij goed over de kinderen geïnformeerd blijft worden en dat zij ten volle meegenomen gaat worden in de komende trajecten, zoals PMT en over het toekomstperspectief, temeer omdat de kinderen wel nieuwsgierig blijven naar haar. De moeder zou met hen erg graag weer contact willen hebben, maar respecteert hun huidige wensen. Zij merkt daarbij op dat zij intussen abstinent is van drugs en alcohol en dat zij nu zelfstandig woont. Volgens haar gaat het met haar momenteel goed. Met de thans voorliggende verzoeken is de moeder het eens.
De vader is tevreden over het huidige verloop van de hulpverlening. Hij heeft inderdaad een goed contact met beide kinderen. Zij komen in de weekenden graag naar hem toe. Voortzetting van alle maatregelen vindt hij noodzakelijk. Naar de mening van de vader kunnen de verzoeken daarom worden toegewezen.
[minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat het zowel in het gezinshuis als op school goed met hem gaat. Hij gaat per vier weken, samen met [minderjarige 2] , drie keer een weekend naar zijn vader en zijn nieuwe gezin. Het onderlinge contact is goed. Als het bij zijn vader nog een beetje beter zou gaan, zou hij graag daar willen wonen. Voor contact met zijn moeder staat hij op dit moment nog niet open. [minderjarige 1] wil haar enkel bezoeken of contact met haar hebben als het weer veel beter met haar gaat. Hij is het eens met de beide op hem betrekking hebbende verzoeken. Hij is het ook eens met het perspectiefonderzoek dat de GI wil gaan doen.
[minderjarige 2] heeft aan de kinderrechter geschreven dat hij zijn briefje met behulp van mevrouw [persoon 1] , vertrouwenspersoon van [organisatie] , heeft geschreven. Met hem gaat het in het gezinshuis goed. Hij heeft vier á vijf keer per jaar een gesprek met zijn jeugdbeschermers. Hij vindt het nodig dat de jeugdbeschermers aanblijven, omdat zij voor hem en [minderjarige 1] dingen goed regelen en zij goed naar hem luisteren. Op school gaat het met [minderjarige 2] ook best goed. De verhuizing van Noord-Brabant naar Zeeland vond [minderjarige 2] lastig. Nu hij daar iedereen goed kent en hij daar zijn plekje heeft gevonden, vindt hij het best prima. Liever zou hij meer bij zijn vader willen zijn. Het allerliefste zou hij weer helemaal bij zijn vader willen wonen. Volgens hem is het contact met zijn vader heel goed. Met zijn moeder wil [minderjarige 2] nog geen contact. Hij zou haar wel graag willen zien, maar hij wil zich niet wederom zorgen moeten maken over haar. Volgens hem gebeurt dat automatisch, zodra hij zijn moeder ziet. Uit zelfbescherming vindt hij het daarom beter om haar niet te hoeven zien. Op dit moment is [persoon 2] , naar de kinderrechter begrijpt de gezinshuismoeder, voor hem therapie aan het regelen, zodat hij straks beter zal kunnen omgaan met de dingen die hij heeft meegemaakt, zoals de uithuisplaatsing. [minderjarige 2] vindt dat fijn, omdat hij daar soms nog emotioneel over kan worden.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat bij beide kinderen aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de verlenging van de machtiging tot hun uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.2 De in de vorige beschikking genoemde ‘accommodatie van een jeugdhulpaanbieder’ wordt tegenwoordig aangeduid met de term ‘gezinsgerichte voorziening’. De kinderrechter overweegt hierbij dat de kinderen zich in hun eigen gezinshuizen (gezinsgerichte voorziening) in positieve zin ontwikkelen. Zij krijgen aldaar de benodigde rust, stabiliteit, structuur en veiligheid geboden. Nog onbekend is of de ouders de kinderen dit weer zullen kunnen bieden. Een thuisplaatsing bij een van de ouders behoort op dit moment dan ook niet tot de mogelijkheden. In het komende jaar zal de GI onderzoek gaan doen naar het toekomstperspectief van de kinderen. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn ook daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal beide maatregelen dan ook verlengen voor de verzochte periode van een jaar. Naar de kinderrechter begrijpt stemmen de ouders en de kinderen in met die verlenging. De kinderrechter gaat hierbij ervan uit dat de GI in het komende jaar in elk geval aandacht blijft houden voor contactherstel tussen de moeder en beide kinderen en dat vooral de moeder goed over hen geïnformeerd blijft worden. Vanwege het goede contact tussen de vader en de kinderen is het voor de vader gemakkelijk om informatie over de kinderen te verkrijgen. Daarnaast verzoekt de kinderrechter de GI voortvarend haar perspectiefonderzoek te gaan verrichten. De verwachting is immers dat over bijna een jaar de GI opnieuw een verzoek zal indienen om alle maatregelen opnieuw te verlengen. De kinderrechter hoopt dat de GI dan haar perspectiefonderzoek heeft afgerond en ook dat zij een perspectiefbesluit heeft genomen. Hierbij is dan de verwachting dat bij de behandeling te zijner tijd van de nieuwe verzoeken, waaronder de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen, ook het perspectiefbesluit aan de kinderrechter ter toetsing zal worden voorgelegd.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 25 juni 2026 tot 25 juni 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de voormelde kinderen in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 25 juni 2026 tot 25 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 25 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.