ECLI:NL:RBZWB:2026:6604

Datum uitspraak
18-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/448658 / JE RK 26-926
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het overige gedeelte van het verzoek voor een tussentijss toetsmoment

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448658 / JE RK 26-926

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. T. van Riel te Breda.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026;

  • de op 5 juni 2026 ontvangen brief van mr. Van Riel;

  • de op 5 juni 2026 ontvangen brief van mr. Van Wensen.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- Mr. Van Riel, namens de vader;

- een vertegenwoordiger van de GI.

De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen. Haar advocaat is, met bericht van verhindering, ook niet verschenen. Evenmin is de vader in persoon verschenen.

2. De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.3.

Bij beschikking van 24 juni 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 juni 2025 tot 24 juni 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.1.

De GI legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag.

4.1.2.

De hulpverlening bij [psychologenpraktijk] is pas recent gestart, met name doordat de vader steeds lastig was en is te bereiken. De GI bevindt zich daardoor nog in een beginfase van de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Daarom hebben [minderjarige] en haar ouders op dit moment nog onvoldoende kunnen profiteren van de ingezette hulpverlening. Er zijn nog geen concrete observaties of resultaten beschikbaar, op basis waarvan een inhoudelijke beoordeling zou kunnen worden opgemaakt. Voor een zorgvuldige en verantwoorde beoordeling acht de GI het noodzakelijk dat eerst meer zicht wordt verkregen op de ontwikkeling van [minderjarige] , de opvoedsituaties bij beide ouders, hun onderlinge communicatie en de rol en het handelen van de ouders binnen het kader van de hulpverlening. Op dit moment hebben de vader en [minderjarige] nog geen contact met elkaar. Ter zitting handhaaft de GI haar verzoek.

4.1.3.

De GI heeft wel als voorkeur dat het verzoek voor de duur van zes maanden wordt toegewezen en dat er ter beoordeling van de resterende duur een tussentijds toetsmoment komt. Immers, het is goed mogelijk dat er na verloop dat zes maanden een zodanige progressie is bereikt dat er wellicht gesproken kan worden over het op enig moment afsluiten van de maatregel. Daarnaast heeft de jeugdbeschermer van de GI op 17 juni 2026 de moeder gesproken, die daarbij heeft aangegeven vandaag niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. Wel heeft zij tegenover de jeugdbeschermer verklaard een voorstander te zijn voor een toewijzing van het verzoek voor zes maanden, met op het einde van deze periode een toetsmoment en een beoordeling van het resterende deel van het verzoek. Hiervoor is door de moeder gekozen, omdat een verlenging voor twee of drie maanden en snel weer een nieuwe zitting niet wenselijk is, omdat de stand van zaken na deze maanden niet veel anders zal zijn dan nu het geval is.

4.2.

Namens de vader is beaamd dat de hulpverlening zich in de opstartfase bevindt. De advocaat hoort de GI in dit verband aangeven dat de vader voor de hulpverlening lastig te bereiken zou zijn. De advocaat kan die mededeling van de GI niet zo goed plaatsen. Volgens de advocaat heeft hijzelf geen moeite om de vader te kunnen bereiken. In elk geval heeft de vader de dringende behoefte om [minderjarige] weer zo spoedig mogelijk te kunnen zien. Tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling heeft de vader geen bezwaar. Wel onderschrijft de vader het standpunt van de GI en de moeder om het verzoek nu voor zes maanden toe te wijzen om aldus een tussentijds toetsmoment te creëren.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 Hij overweegt hierbij dat de concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds gelegen is in de ouderstrijd. Een van de gevolgen van deze ouderstrijd is dat het contact tussen [minderjarige] en haar vader verbroken is. [minderjarige] wordt daardoor nog altijd ernstig in haar sociaalemotionele- en identiteitsontwikkeling bedreigd.

5.2.

Binnen de ondertoezichtstelling zijn, zoals reeds beschreven in de beschikking van de ondertoezichtstelling van 24 juni 2025, de navolgende hulpverleningsdoelen gesteld:

  • [minderjarige] heeft prettig, onbelast en structureel contact met haar vader;

  • [minderjarige] wordt niet belast met problematiek van de ouders, zoals ingrijpende

gebeurtenissen die de moeder in het verleden (met de vader) heeft meegemaakt;

- [minderjarige] voelt vanuit haar ouder(s) dat zij onbelast contact mag en kan hebben met

beide ouders;

- de moeder blijft de vader informeren over belangrijke zaken rondom [minderjarige] en haar

ontwikkeling, zodat de vader bij [minderjarige] kan aansluiten tijdens contactmomenten;

  • de vader kan in contact met [minderjarige] aansluiten bij haar ontwikkeling;

  • de ouders vinden een vorm van overleg en communicatie die past bij hoe het

contact tussen vader en [minderjarige] vorm gegeven wordt.

5.3.

Geconstateerd moet worden dat deze doelen nog niet zijn bereikt. Dat de benodigde hulpverlening om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen afwenden pas onlangs van start kon gaan heeft hieraan geen goed gedaan. Met deze hulpverlening, zoals bij [psychologenpraktijk] , is recentelijk een begin gemaakt. De ontwikkelingen daarin zullen moeten worden afgewacht.

5.4.

De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds noodzakelijk. De kinderrechter zal dan ook de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , in haar belang, verlengen. Wel is hij van oordeel dat het belang van [minderjarige] het beste is gediend om die verlenging vooralsnog te beperken tot een half jaar en het verzoek voor het overige tot de na te melden pro forma datum aan te houden. Hierbij wordt voorts het volgende overwogen. Het verzoek van de GI is op 29 mei 2026, derhalve kort voor de afloopdatum van de lopende periode van de ondertoezichtstelling van 26 juni 2026, ingediend, waardoor de rechtbank beperkt was in haar mogelijkheden om de zaak voor deze dag op zitting te kunnen plannen. Op de twee door de rechtbank aangedragen data en tijdstippen om de behandeling van het verzoek voor 26 juni 2026 te laten plaatsvinden kon de advocaat van de moeder niet aanwezig zijn. Zij heeft daarom verzocht om de maatregel voor korte duur ambtshalve te verlengen en na 26 juni 2026 een nieuwe zitting in te plannen, De advocaat van de vader maakte bezwaar tegen een ambtshalve verlenging voor een korte periode, omdat er geen sprake was van een uitzonderlijke situatie. De zaak is vervolgens heden, zijnde een van de twee voornoemde mogelijkheden, behandeld. De jeugdbeschermer gaf op de zitting aan dat de moeder haar op 17 juni 2026 te kennen heeft gegeven, dat zij instemt met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het overige gedeelte van het verzoek voor een tussentijds toetsmoment. Ook de GI en de vader hebben aangegeven die voorkeur van de moeder te onderschrijven. De kinderrechter is daarin, mede gezien de voormelde mededeling van de jeugdbeschermer over het standpunt van de moeder, meegegaan. Ten slotte wordt geoordeeld dat een tussentijds toetsmoment de moeder de gelegenheid biedt om, bij handhaving van het restverzoek, bij de nadere zitting met haar advocaat aanwezig te zijn.

5.5.

De kinderrechter verwacht van de GI dat zij uiterlijk een week voor de na te melden pro forma datum aan hem schriftelijk verslag zal uitbrengen over het verloop van de maatregel en de hulpverlening, waaronder de stand van zaken betreffende de realisatie van de onder 5.2 beschreven doelen. Voorts dient de GI aan te geven of zij het resterend deel van het verzoek handhaaft. Een afschrift van dat verslag dient door de GI te worden toegestuurd aan (de advocaten van) de ouders.

5.6.

De kinderrechter zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 24 juni 2026 tot

24 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot donderdag

26 november 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de GI zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.5. is overwogen;

6.4.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 25 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »