ECLI:NL:RBZWB:2026:6592

Datum uitspraak
18-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/442431 / FA RK 25-6135
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 1:253n BW. Toewijzing verzoek vrouw eenhoofdig gezag.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/442431 / FA RK 25-6135

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Beschikking van de rechtbank over gezag

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. J.M.G. Cox uit Tilburg,

tegen

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende in [woonplaats] .

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 november 2025;

  • het F9-formulier van mr. Cox, ontvangen op 29 januari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3.

Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de man niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren.

2.2.

De man heeft [minderjarige] op 5 oktober 2018 erkend. De man en de vrouw zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.3.

[minderjarige] woont bij de vrouw.

3 Het verzoek

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zal worden belast.

4 De standpunten en het advies van de Raad

Het standpunt van de vrouw

4.1.

Ter onderbouwing van het verzoek is door en namens de vrouw, samengevat, het volgende aangevoerd. Na het beëindigen van de relatie is [minderjarige] bij de vrouw blijven wonen. Partijen hebben afspraken gemaakt over een contactregeling tussen [minderjarige] en haar vader. Het is, ook met hulpverlening, echter niet gelukt om tot een voorspelbaar en regelmatig contact te komen. Vanaf augustus 2024 was het contact tussen [minderjarige] en de man beperkt tot videobellen. Inmiddels is er sinds mei 2025 helemaal geen contact meer tussen de man en [minderjarige] . De man geeft op geen enkele manier invulling aan zijn ouderlijk gezag; hij draagt financieel niets bij en neemt geen verantwoordelijkheid voor [minderjarige] ’s verzorging en opvoeding. Hij heeft geen contact met school en weet niet wat voor [minderjarige] belangrijk is. Partijen kunnen al geruime tijd op geen enkele wijze met elkaar overleggen en zijn daardoor niet in staat het ouderlijk gezag gezamenlijk vorm te geven. De vrouw heeft vernomen dat de man enige tijd geleden in Frankrijk is aangehouden vanwege betrokkenheid bij grootschalige drugstransporten. Zij weet niet waar hij momenteel verblijft, maar vermoedt dat hij een gevangenisstraf in Frankrijk zal moeten uitzitten. De vrouw kan op die manier niet besluitvaardig handelen en belangrijke zaken voor [minderjarige] regelen, zoals het aanvragen van een paspoort, het laten verrichten van medische behandelingen of het inschrijven op een nieuwe school.

Het advies van de Raad

4.2.

De Raad begrijpt dat de huidige situatie niet werkbaar is voor de vrouw. Er is al geruime tijd geen contact tussen de man en [minderjarige] , en op dit moment is er geen enkele manier om de man te bereiken. De Raad refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Hij ziet geen contra-indicaties om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten. Eventueel zou de Raad een raadsonderzoek kunnen verrichten om meer achtergrondinformatie te verzamelen, zodat [minderjarige] later een completer beeld heeft bij de situatie.

5 De beoordeling

Wat zegt de wet?

5.1.

In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW ) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen het gezamenlijk gezag is vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de kinderen krijgt.

5.2.

Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.

Inhoudelijke beoordeling

5.3.

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen naar voren is gebracht tijdens de zitting overweegt de rechtbank als volgt.

5.4.

De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De man en [minderjarige] hebben sinds mei 2025 geen contact meer met elkaar. Er is geen enkele onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden sinds het moment dat het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] is ontstaan (door aantekening in het gezagsregister op 4 januari 2019).

5.5.

Vervolgens moet worden beoordeeld of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag behouden, tenzij er sprake is van een van de uitzonderingsgronden die in artikel 1:251a BW vermeld staan. De rechtbank is van oordeel dat aan deze uitzonderingsgronden is voldaan. Voor gezamenlijk gezag is namelijk vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Uit de overlegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat daarvan geen sprake meer is. De rechtbank stelt vast dat er helemaal geen contact meer is tussen partijen. De vrouw weet niet waar de man momenteel verblijft, maar vermoedt dat hij een jarenlange gevangenisstraf in Frankrijk zal moeten uitzitten. In ieder geval kan de vrouw de man al geruime tijd niet meer bereiken.

5.6.

Daarbij komt dat er sinds ruim een jaar geen enkel contact meer is tussen de man en [minderjarige] . Aangezien er ook geen sprake is van contact en samenwerking tussen de ouders onderling, heeft de man geen zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] . Hij heeft ook geen contact met school of andere instanties. De man weet dus niet wat [minderjarige] nodig heeft en bij welke (gezags)beslissingen zij het meest gebaat is. Kortom, de man geeft geen invulling aan zijn gezag. Daardoor bestaat het onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] verloren zou raken, omdat (belangrijke) gezagsbeslissingen niet kunnen worden genomen. Zo heeft de vrouw erop gewezen dat zij voor [minderjarige] nog geen paspoort of identiteitskaart heeft kunnen aanvragen.

5.7.

Omdat er al langere tijd geen contact tussen de ouders plaatsvindt en de man in deze procedure niet is verschenen, heeft de rechtbank ook niet de verwachting dat in de hiervoor geschetste situatie binnen afzienbare tijd verbetering zal komen.

5.8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over haar wordt belast. De rechtbank ziet, anders dan de Raad, geen noodzaak voor een raadsonderzoek. Het is belangrijk dat de vrouw snel en besluitvaardig kan handelen. Een raadsonderzoek kan daarom niet worden afgewacht.

5.9.

De rechtbank zal het onweersproken verzoek van de vrouw toewijzen.

5.10.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.1

Uitvoerbaar bij voorraad

5.11.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals de vrouw heeft verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.12.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over de [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »