ECLI:NL:RBZWB:2026:6276

Datum uitspraak
11-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/447379 / KG ZA 26-205
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vonnis in kort geding over de overname van de gezamenlijke woning. Verdelingsbeslissing bodemrechter; fatale termijnen?

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/447379 / KG ZA 26-205

Vonnis in kort geding van 11 juni 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S. van Reeven-Özer,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie;

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T. van Riel.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 5;

- de brief met productie 10 van 27 mei 2026 van mr. Van Reeven-Özer.

1.2

De zaak is besproken op de zitting van 28 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.

2 De feiten

2.1

Partijen waren met elkaar gehuwd van 8 april 2019 tot 17 maart 2025. Tussen hen bestond een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Tot die (inmiddels ontbonden) gemeenschap behoort de woning aan het [adres] (hierna: de woning).

2.2

Bij echtscheidingsbeschikking van 3 februari 2025 is - onder andere - de verdeling van de woning gelast op de wijze zoals is vermeld in rechtsoverwegingen 4.8. tot en met 4.11. van die beschikking. Zowel de man als de vrouw hadden de rechtbank verzocht om de woning aan hem c.q. haar toe te delen. In voornoemde rechtsoverwegingen is, voor zover van belang, het volgende over die verdeling overwogen:

“4.8. (…) Gelet op hoe de feiten en omstandigheden zijn gelopen zal de rechtbank beslissen dat de woning wordt toegedeeld aan de man.(…)

4.9.

Partijen zijn het erover eens dat voor wat betreft de waarde van de woning kan worden uitgegaan van de taxatiewaarde ter hoogte van € 425.000,= (…). De op de woning rustende hypothecaire geldlening (…) bij Munt Hypotheken zal, onder vrijwaring van de vrouw, geheel door de man worden gedragen en afgelost. Deze toedeling vindt plaats onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van deze hypotheek.

De woning dient aan de man te worden geleverd uiterlijk twee maanden na de datum van deze beschikking. (…)

4.10.

Indien de man er, wat betreft de op hem rustende verplichtingen, niet in slaagt de woning binnen twee maanden na de datum van deze beschikking over te nemen, zal gelden dat de woning in dat geval aan de vrouw zal worden toegedeeld. (…) De woning dient dan aan de vrouw te worden geleverd uiterlijk vier maanden na de datum van deze beschikking. (…)

4.11.

Indien ook de vrouw er niet in slaagt de woning binnen de genoemde termijn over te nemen, dienen partijen de woning aan derden te koop aan te bieden via een gezamenlijk door hen aan te wijzen makelaar (…)”.

2.3

De vrouw heeft in hoger beroep gegriefd tegen de beslissing van de rechtbank over de wijze van verdeling van de woning. Haar grief richtte zich uitsluitend tegen de beslissing dat de man een zwaarwegender belang dan de vrouw heeft bij toedeling van de woning (in eerste instantie) aan hem. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 29 januari 2026 de beschikking van de rechtbank van 3 februari 2025 “voor zover aan het hoger beroep onderworpen” bekrachtigd.

2.4

Bij e-mail van 8 april 2026 heeft de advocaat van de vrouw een e-mail aan de advocaat van de man gestuurd en daarin, samengevat, medegedeeld dat de termijn van twee maanden waarbinnen de man de overname van de woning door hem diende te realiseren, op 29 maart 2026 is verstreken. Daarbij is ook aangegeven dat de vrouw daarom nu aanspraak maakt op overname van de woning door haar, ook te realiseren binnen een termijn van twee maanden.

2.5

Bij e-mail van 8 april 2026 heeft de advocaat van de man daarop gereageerd met de mededeling dat de man “in de afrondende fase met betrekking tot de overname van de woning” is en dat een update van de (hypotheek)adviseur zal worden opgevraagd en toegestuurd.

2.6

Vervolgens is, in de periode van 10 tot en met 17 april 2026, door de advocaten van partijen per e-mail over de (overname van de) woning gecorrespondeerd. Het standpunt van de (advocaat van de) man in die correspondentie is, kort samengevat, dat de man gerechtigd is om de overname van de woning door hem te realiseren, zodat hij niet meewerkt aan overname van de woning aan de vrouw. Het standpunt van de (advocaat van de) vrouw is dat de aan de man gestelde termijn om de overname te realiseren is verstreken, zodat zij thans gerechtigd is de woning over te nemen en dat de man daaraan zijn medewerking dient te verlenen.

3 Het geschil

3.1

De vrouw vordert, samengevat:

I. te bepalen dat de man niet binnen de gestelde termijn van twee maanden vanaf 29 januari 2026 is geslaagd in het realiseren van de overname van de woning onder ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw ten aanzien van de daaraan gekoppelde hypotheek;

II. de man te gebieden zijn medewerking te verlenen aan overname van de woning door de vrouw, in het bijzonder het nalaten van handelingen die de financieringsaanvraag van de vrouw belemmeren, waaronder begrepen het binnen 24 uur na betekening van het vonnis beëindigen en ingetrokken houden van zijn lopende financieringsaanvraag bij Munt Hypotheken;

III. te bepalen dat de aan de vrouw verleende termijn van twee maanden om de woning over te nemen aanvangt vanaf het moment dat de man zijn financieringsaanvraag bij Munt Hypotheken heeft ingetrokken;

IV. de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,= per dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het vonnis, met een maximum van € 50.000,=;

V. de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2

De man voert verweer en concludeert tot afwijzing daarvan. De man vordert in reconventie, samengevat:

I. te bepalen dat de vrouw gehouden is haar medewerking te verlenen aan het ondertekenen en passeren van de akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid in verband met verdeling betreffende onderpand ten aanzien van de woning, ten overstaan van mr. P.J. Stivaktas van Appels Notarissen;

II. te bepalen dat als de vrouw niet binnen veertien dagen na betekening aan dit vonnis voldoet, dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw op grond van artikel 3:300 BW;

III. te bepalen dat mr. P.J. Stivaktas van Appels Notarissen bevoegd is de akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid in verband met verdeling betreffende onderpand te passeren op basis van dit vonnis;

IV. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie, incl. nakosten en wettelijke rente.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze gezamenlijk besproken.

Het spoedeisend belang

4.2

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de partij daarbij een spoedeisend belang heeft. Beide partijen stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij de door hen gevorderde voorzieningen. Zij hebben het door de wederpartij gestelde spoedeisende belang niet weersproken. Dit laat onverlet dat de voorzieningenrechter daarin een eigen afweging moet maken. De voorzieningenrechter overweegt dat al lange tijd sprake is van onverdeeldheid van de woning. Bij beschikking van 3 februari 2025 is de wijze van verdeling gelast, aldus ruim een jaar geleden. Sinds het wijzen van de beschikking door het gerechtshof zijn inmiddels ruim vier maanden verstreken. Partijen verkeren ten aanzien van de verdeling van de woning in een impasse en hebben beiden belang bij duidelijkheid. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat van partijen niet verlangd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten en dat voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde in conventie en reconventie bestaat.

De standpunten van partijen

4.3

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt de vrouw dat de termijnen genoemd in rechtsoverwegingen 4.9 tot en met 4.11 van de echtscheidingsbeschikking van 3 februari 2025 fatale termijnen zijn. Dit volgt volgens haar uit de wijze waarop de rechtbank in de beschikking een en ander heeft geformuleerd. In verband met het hoger beroep hebben partijen de afspraak gemaakt dat de door de rechtbank gegeven termijnen van twee dan wel vier maanden na de beschikkingsdatum zullen ingaan per de datum van de beslissing van het gerechtshof. De termijn waarbinnen de man de woning diende over te nemen verliep dus op 29 maart 2026. Hoewel de advocaat van de vrouw in een telefoongesprek met de advocaat van de man heeft erkend dat een termijn van twee maanden ongebruikelijk kort is, mag die mededeling niet worden opgevat als een afspraak dat partijen elkaar niet onverkort aan de termijn van twee maanden zouden houden. Afgesproken was dat eventueel in overleg kon worden afgeweken van de termijn van twee maanden, voor zover dit in de toekomst nodig mocht zijn. De man is het overleg hierover echter niet aangegaan en de vrouw heeft niet ingestemd met een afwijkende termijn. De door de rechtbank gegeven termijn van twee maanden is verlopen, zonder enig bericht van de zijde de man. De advocaat van de vrouw heeft de advocaat van de man daarom na ommekomst van de termijn, op 8 april 2026, aangeschreven om hem mede te delen dat het de beurt van de vrouw is om de overname van de woning te realiseren. De vrouw is van mening dat de man de overname van de woning binnen de geldende termijn had kunnen realiseren, temeer omdat hij in de tijd tussen de beschikking van de rechtbank en het aanhangig maken van het hoger beroep óók al bezig is geweest met (de financiering van de) overname van de woning door hem. De vrouw is nu gerechtigd om de woning over te nemen. Zij wenst daartoe over te gaan en zij is ook in staat om de uitkoop van de man te financieren. Ze kan echter geen concrete stappen daartoe ondernemen, vanwege de lopende hypotheekaanvraag van de man. De man wil zijn aanvraag niet beëindigen en zolang de aanvraag van de man nog loopt, weigert de hypotheekverstrekker de aanvraag van de vrouw in behandeling te nemen. Het is daarom noodzakelijk dat de rechtbank nadere beslissingen gaat nemen. De vrouw heeft al overleg gehad met haar hypotheekadviseur en een termijn van twee maanden voor overname van de woning door haar, inclusief notariële levering, is haalbaar, mits die termijn begint te lopen vanaf het moment dat de man zijn hypotheekaanvraag heeft ingetrokken.

4.4

Volgens de man hebben de in de beschikking genoemde termijnen geen fataal karakter, in de zin dat het enkele verstrijken van de termijn meebrengt dat de man niet langer gerechtigd is de woning over te nemen. Het standpunt van de vrouw daarover vindt geen steun in de beschikkingen, noch in de feitelijke gang van zaken. Het enkele tijdsverloop kan niet los worden gezien van de context. Direct na de beschikking van het gerechtshof heeft de man het financieringstraject voortvarend hervat. Dit traject is actief voortgezet zonder onderbrekingen. Uit een verklaring van de hypotheekadviseur blijkt dat de afhandeling slechts één week langer dan gemiddeld heeft geduurd, door de snelheid van de bank, de complexiteit en de tijd die nodig is voor het aanleveren van documenten. Het is dus niet aan de man te wijten dat het niet is gelukt om binnen de termijn van twee maanden de toedeling van de woning aan hem helemaal afgerond te krijgen. De man heeft inmiddels een financieringsgoedkeuring en het notariële traject is in gang gezet. Er kan een afspraak worden gepland met partijen voor het passeren van de akte van verdeling en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het is disproportioneel en onaanvaardbaar om nu te verlangen dat de man zijn vergevorderde financieringsaanvraag en leveringstraject afbreekt. Ook na de beschikking van deze rechtbank was de afwikkeling reeds in een vergevorderd stadium, maar de vrouw heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. Vandaar dat toen tussen de advocaten is afgestemd dat de beslissing van het hoger beroep zou worden afgewacht. Er is ook tussen de advocaten gesproken over de praktische uitvoerbaarheid van de in eerste aanleg bepaalde termijn van twee maanden, in algemene zin en in het licht van de gangbare financierings- en notariële doorlooptijden.

Ter zitting heeft de advocaat van de man verklaard dat het primaire standpunt van de man is dat tussen partijen is overeengekomen dat zij elkaar niet strikt aan de termijn van twee maanden zouden houden, juist vanwege de omstandigheid dat die termijn ongebruikelijk kort en doorgaans onhaalbaar blijkt te zijn. Er is geen grondslag voor de vordering van de vrouw tot het stopzetten van zijn financieringsaanvraag. De beschikkingen verplichten de man niet tot beëindiging van een lopende financieringsaanvraag en daaruit volgt evenmin dat de vrouw een exclusieve positie heeft jegens de hypotheekadviseur. Toewijzing van de vorderingen van de vrouw zou bovendien onomkeerbare gevolgen hebben, terwijl niet vaststaat dat de vrouw in een nieuwe bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4.5

In dit kort geding ligt de vraag voor wat thans heeft te gelden ten aanzien van de verdeling van de woning. De voorzieningenrechter boordeelt allereerst de ter zitting ingenomen stelling van de man dat partijen zijn overeengekomen dat zij zich jegens de ander niet zullen beroepen op strikte toepassing van de termijnen die de rechtbank in haar beschikking heeft gehanteerd en dat hij daarom (nog steeds) op terechte gronden aanspraak maakt op toedeling van de woning aan hem. De voorzieningenrechter is op basis van de stellingen en de processtukken van oordeel dat de door de man gestelde - en door de vrouw gemotiveerd weersproken - afspraak, niet steunt op enig bewijs. De advocaat van de vrouw ter zitting bevestigd dat zij in een confraterneel telefoongesprek met de advocaat van de man zijn opvatting heeft onderschreven dat de door de rechtbank gestelde termijn van twee maanden waarbinnen de overname gerealiseerd moet zijn ongebruikelijk kort is. Op basis daarvan mocht de man er echter niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de vrouw hem niet zou houden aan de door de rechtbank gestelde termijn. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de inhoud van de e-mail van de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man van 8 april 2026, waaruit valt op te maken dat er wat haar betreft wel een afspraak had te gelden, maar dat deze luidde: “(…) dat eventueel in overleg kon worden afgeweken van de termijn van twee maanden, voor zover dit in de toekomst redelijkerwijs nodig mocht zijn”, waarop ze vervolgt met: “Uw cliënt heeft het kennelijk niet nodig gevonden om het overleg hierover aan te gaan”. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een afspraak tussen partijen, inhoudende dat zij elkaar over en weer niet strikt aan de door de rechtbank gestelde termijnen zouden houden. Dat leidt tot het oordeel dat het verweer in conventie en de vorderingen I. tot en met III. in reconventie van de man niet gegrond kunnen worden op een tussen partijen gemaakte afspraak over de (termijn van) verdeling.

4.6

Dit betekent dat de voorzieningenrechter zal beoordelen in hoeverre de vorderingen van partijen toewijsbaar zijn gelet op hetgeen de bodemrechter heeft beslist over de wijze van verdeling van de woning. Uit vaste jurisprudentie volgt dat als de bodemrechter reeds over een geschil heeft geoordeeld, de voorzieningenrechter het vonnis in kort geding in beginsel af dient te stemmen op dat reeds gegeven oordeel. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering hierop, zoals wanneer de uitspraak van de bodemrechter klaarblijkelijk op een kennelijke misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat een beslissing op een tegen die uitspraak aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht. Deze situatie doet zich in deze zaak niet voor. Er kan ook sprake zijn van een uitzondering bij een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter als hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Dat deze situatie zich in deze zaak voordoet, is niet gesteld of gebleken. De voorzieningenrechter neemt daarom de beschikking van deze rechtbank van 3 februari 2025, welke uitspraak is bekrachtigd bij beschikking van het gerechtshof van 29 januari 2026, tot uitgangspunt bij de beoordeling. Verder neemt de voorzieningenrechter als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken en dus vaststaand feit aan dat partijen in verband met het hoger beroep zijn overeengekomen dat de door de rechtbank genoemde termijnen van twee en vier maanden aanvangen per de datum waarop het gerechtshof beschikking zou wijzen.

4.7

Uit de beslissing van de rechtbank van 3 februari 2025 volgt dat indien na ommekomst van twee maanden na datum beschikking de man er niet in is geslaagd de woning over te nemen, als wijze van verdeling heeft te gelden dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld, mits zij deze toedeling binnen vier maanden na de beschikkingsdatum realiseert. De door de bodemrechter gestelde termijnen kunnen wat de voorzieningenrechter betreft niet anders gekwalificeerd worden dan als fatale termijnen. De tekst van de beschikking geeft geen aanknopingspunt voor een andersluidend oordeel. De door de bodemrechter gestelde termijn van twee maanden bij toedeling van de woning aan de man, die ingevolge de afspraak van partijen is ingegaan op 29 januari 2026, is verlopen.

4.8

De man heeft aangevoerd dat het hem niet te verwijten valt dat hij er niet in is geslaagd om binnen de gestelde termijn de toedeling van de woning aan hem te finaliseren, omdat hij met de benodigde voortvarendheid heeft gehandeld, en dat – mede gezien de omstandigheid dat de termijn ongebruikelijk kort is – het disproportioneel en onaanvaardbaar is om nu te verlangen dat hij het financieringstraject afbreekt. De voorzieningenrechter volgt de man niet in dat standpunt en overweegt daartoe het volgende. De man heeft feitelijk langer dan twee maanden de tijd gehad om de toedeling van de woning aan hem te finaliseren. Hij heeft immers direct na de beschikking van 3 februari 2025 tot de indiening van het hoger beroep op 21 maart 2025 daartoe stappen ondernomen, en vervolgens heeft hij het traject kunnen voortzetten na de beschikking van het gerechtshof van 29 januari 2026. De man heeft al met al meer tijd dan twee maanden de tijd gehad om de financiering rond te krijgen. Bovendien had de man – als hij van mening was dat de door de rechtbank gehanteerde termijn van twee maanden in zijn geval onredelijk en onhaalbaar kort was – in (incidenteel) hoger beroep om een langere termijn kunnen verzoeken. Dat heeft hij niet gedaan, terwijl de man op dat moment een inschatting kon maken van de duur van het financieringstraject. De man kon ook voorzien dat de vrouw niet of slechts in beperkte mate bereid zou zijn om hem zonodig meer tijd dan twee maanden te gunnen, gezien haar eigen sterke wens om de woning toegedeeld te krijgen. Gelet op de namens de vrouw gedane suggestie om eventueel in overleg te bezien of kon worden afgeweken van de door de rechtbank genoemde termijn van twee maanden, had het bovendien op de weg van de man gelegen om contact op te nemen met de (advocaat van de) vrouw – en wel vóór het verstrijken van de termijn - om te peilen of er bij haar bereidheid bestond om daarover het overleg aan te gaan. De man heeft daartoe echter geen stappen ondernomen.

4.9

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat als wijze van verdeling niet langer heeft te gelden dat de woning aan de man wordt toegedeeld. Daarom worden de reconventionele vorderingen van de man onder I. tot en met III. afgewezen. Vervolgens buigt de voorzieningenrechter zich over de vraag of de vorderingen van de vrouw, die zijn gegrond op toedeling van de woning aan haar, toewijsbaar zijn.

4.10

De vordering van de vrouw te bepalen dat de man niet binnen de termijn is geslaagd in het realiseren van de overname van de woning zal worden afgewezen, vanwege het declaratoire karakter van de gevorderde voorziening. Voor een declaratoire beslissing over wat tussen partijen rechtens is, is in beginsel geen plaats in een kort geding.

4.11

Ten aanzien van de vorderingen van de vrouw onder II. en III. overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, is de termijn waarbinnen de man de woning diende over te nemen, verstreken. De man is er niet in geslaagd om binnen die termijn de woning over te nemen. Uit de beschikking van 3 februari 2025 volgt dat de woning in dat geval aan de vrouw zal worden toegedeeld. Aan die wijze van verdeling is ook een termijn verbonden; de vrouw dient binnen vier maanden na het wijzen van de beschikking de overname van de woning te hebben gefinaliseerd. Rekenende vanaf 29 januari 2026 is die termijn verstreken, maar in de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter het niet redelijk om dat aan de vrouw tegen te werpen. De vrouw heeft onweersproken gesteld en met bewijs onderbouwd dat zij pas een financieringsaanvraag kan indienen zodra de man zijn financieringsaanvraag bij MUNT Hypotheken heeft ingetrokken. De vrouw verkeerde dus tijdens de voor haar geldende termijn buiten haar schuld in de onmogelijkheid om de benodigde handelingen te verrichten om de overname van de woning door haar te realiseren. Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw zal toewijzen op de wijze als hierna bepaald, waarbij wordt bepaald dat de goederenrechtelijke levering van de woning aan de vrouw uiterlijk dient te zijn voltooid binnen twee maanden nadat de man zijn financieringsaanvraag bij MUNT Hypotheken heeft ingetrokken. Waarom toewijzing van het gevorderde in conventie tot onomkeerbare gevolgen leidt, heeft de man niet toegelicht. Bovendien volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat aan het geven van een voorziening in kort geding niet in de weg staat dat de gevolgen daarvan in het geval van een andersluidende beslissing in de bodemprocedure feitelijk onomkeerbaar zijn dan wel tot onomkeerbare schade leiden. In de gestelde onomkeerbaarheid van de te geven voorziening ziet de voorzieningenrechter daarom geen aanleiding om anders te oordelen.

4.12

De onder IV. gevorderde dwangsom wordt als niet weersproken eveneens toegewezen.

4.13

Tot slot zal de voorzieningenrechter, zoals gevorderd, de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Proceskosten

4.14

De vrouw vordert de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.15

De man vordert in reconventie de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief nakosten en wettelijke rente.

4.16

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1

gebiedt de man zijn medewerking te verlenen aan overname van de woning door de vrouw, waaronder begrepen het binnen 24 uur na betekening van dit vonnis beëindigen en ingetrokken houden van zijn financieringsaanvraag bij MUNT Hypotheken, met dien verstande dat de goederenrechtelijke levering van de woning aan de vrouw dient te zijn voltooid uiterlijk binnen twee maanden nadat de man zijn financieringsaanvraag bij MUNT Hypotheken heeft ingetrokken;

5.2

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 1.000,= per dag dat de man niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1., tot een maximum van € 50.000,= is bereikt;

5.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bollen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »