RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/448066 / JE RK 26-811 ( [minderjarige 1] )
C/02/448326 / JE RK 26-864 ( [minderjarige 2] en [minderjarige 3] )
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing met ambtshalve correctie
in de zaak van
het LANDELIJK EXPERTISE TEAM JEUGDBESCHERMING, hierna te noemen het
LET JB, en
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 in ‘s- [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.F.A. Cadot te Roosendaal,
De kinderrechter merkt ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 1] als belanghebbende en ten
aanzien van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.S.R.N. Maas te Dongen.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake C/02/448066 / JE RK 26-811:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026.
Inzake C/02/448326 / JE RK 26-864:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft in beide zaken gelijktijdig plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-
een vertegenwoordiger van de GI;
-
twee vertegenwoordigers vanuit het LET.
De vader is niet bij de zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover via een Teams-verbinding een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de verzoeken van de vader en de moeder, strekkende tot wijziging van het gezag, vaststelling van het hoofdverblijf en vaststelling van een omgangsregeling. Deze verzoeken zijn
geregistreerd onder zaaknummer C/02/396587 / FA RK 22-1665.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.
De minderjarigen zijn vanaf 20 juni 2022 onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is steeds verlengd, nu met ingang van 20 juni 2025 tot 20 juni 2026.
Bij beschikking van 13 februari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 13 februari 2026 tot 20 juni 2026.
[minderjarige 1] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij de [woongroep] .
3 De verzoeken
Inzake C/02/448066 / JE RK 26-811:
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Inzake C/02/448326 / JE RK 26-864:
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
Het LET
Ter onderbouwing van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] voert het LET, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] woont sinds 5 maart 2026 op [woongroep] . De uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is rustig en zorgvuldig verlopen en sinds de plaatsing bij de [woongroep] laat [minderjarige 1] een positieve ontwikkeling zien. Hij houdt zich aan de geldende regels en afspraken, gaat structureel naar school en geeft zelf aan hier tevreden over te zijn. Ook zijn schoolprestaties zijn positief. Binnen de behandelgroep functioneert hij goed en laat hij gedrag zien passend bij zijn leeftijd. Er is ruimte voor [minderjarige 1] om weer kind te kunnen zijn. Daarnaast wordt het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] opgestart. [minderjarige 1] heeft aangegeven hen graag te willen zien. Er is op dit moment geen sprake van een samenwerking tussen beide ouders. De ouders worden afzonderlijk van elkaar betrokken bij het behandeltraject van hun zoon. [minderjarige 1] heeft op dit moment alleen contact met zijn vader. Hoewel wordt gezien dat het contact voor [minderjarige 1] van groot belang is, wordt tevens waargenomen dat dit contact voor hem soms belastend is door het gedrag van vader. Er zijn veel zorgen over de communicatie van de vader richting [minderjarige 1] . De vader heeft zijn emoties niet onder controle en het is moeilijk om met hem in gesprek te gaan. Er is momenteel geen contact tussen [minderjarige 1] en zijn moeder. Er wordt gewerkt aan het opstarten van contact op een wijze die aansluit bij de behoeften en het tempo van [minderjarige 1] .
Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk. Het behandeltraject bij de [woongroep] kent een minimale duur van 12 maanden. [minderjarige 1] bevindt zich momenteel in de overgang van observatie fase naar behandelfase. Deze fase is essentieel voor zijn verdere ontwikkeling en het behalen van behandeldoelen. Indien de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt verlengd, zal het traject voortijdig worden onderbroken. Dit brengt risico met zich mee dat de ingezette positieve ontwikkeling stagneert of terugvalt. Een dergelijke onderbreking is niet in het belang van [minderjarige 1] en kan zijn ontwikkeling schaden.
De GI
Ter onderbouwing van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voert de GI, samengevat, het volgende aan. De GI acht het van belang om de moeder en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te kunnen ondersteunen in contactherstel met [minderjarige 1] . Contact tussen de vader en de [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is naar mening van de GI niet mogelijk. In de afgelopen 2,5 jaren heeft de vader, zowel richting de GI als richting de betrokken hulpverlening, laten zien dat hij geen zelfreflectie heeft en niet stuurbaar is in gesprekken en zich in het algemeen grensoverschrijdend gedraagt. De onveiligheid die moeder ervaart door intieme terreur en het aanhoudende negatieve gedrag van vader, maken dat het onmogelijk is om begeleide omgang op een veilige manier te laten verlopen voor de kinderen. Het is belangrijk dat de GI de moeder kan blijven ondersteunen in haar probleem rond veiligheid. De moeder werkt goed samen met de GI en is betrokken bij alle drie de kinderen. De GI zet de komende tijd in op het zo goed mogelijk laten verlopen van het contactherstel tussen de kinderen en [minderjarige 1] , en waar mogelijk ook tussen de moeder en [minderjarige 1] . Gelet op het voorgaande is een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk.
De moeder
Door en namens de moeder is, samengevat, aangegeven dat zij achter de verzoeken staat. Er is een goede samenwerking met de GI. De moeder voelt zich gesteund en vindt het fijn dat de GI meekijkt, met name als het gaat om het veiligheidsaspect. De moeder is recent gebeld door de vader, die haar heeft uitgescholden en bedreigd. Daar loopt een aangifte over. De moeder stemt in met de verzoeken.
5 De beoordeling
Inzake C/02/448066 / JE RK 26-811:
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan.12 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige 1] woont sinds 5 maart 2026 op [woongroep] . De uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is goed verlopen. Sinds zijn plaatsing bij de [woongroep] ontwikkelt hij zich positief. Hij houdt zich aan regels en gaat naar school. Binnen de behandelgroep functioneert hij goed en toont hij gedrag dat past bij zijn leeftijd. Hierdoor krijgt [minderjarige 1] ruimte om weer kind te zijn. Omdat het behandeltraject bij de [woongroep] minimaal twaalf maanden duurt, is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. [minderjarige 1] volgt een behandeltraject binnen de [woongroep] en hij bevindt zich nu in een belangrijke overgangsfase binnen zijn behandeling. De kinderrechter acht het van belang dat de behandeling binnen de [woongroep] voortduurt. De komende tijd zal worden ingezet op contactherstel tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . [minderjarige 1] heeft momenteel alleen contact met zijn vader, wat belangrijk voor hem is, maar soms ook belastend door het gedrag van zijn vader. Er is geen contact met zijn moeder, maar er zal wordt gekeken of contactopbouw mogelijk is.
De kinderrechter zal gelet op het voorgaande de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur zes maanden, conform het verzoek. Bij de mondelinge uitspraak heeft de kinderrechter abusievelijk een termijn van 12 maanden genoemd bij de uithuisplaatsing. Dat moet echter, conform verzoek, 6 maanden zijn. De kennelijke vergissing wordt middels deze schriftelijke uitspraak gecorrigeerd.
[minderjarige 1] heeft tijdens zijn gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij het vervelend vindt dat hij zo weinig telefoontijd heeft. De kinderrechter heeft beloofd dit onder de aandacht te brengen van de jeugdbeschermer, zodat er samen met de [woongroep] naar mogelijkheden voor uitbreiding kan worden gekeken. De kinderrechter verzoekt de GI dit punt mee te nemen in het vervolg.
Inzake C/02/448326 / JE RK 26-864:
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is voldaan.3
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder en hebben geen contact met hun vader. De GI is er niet in geslaagd het contact tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op te starten, omdat de samenwerking met de vader niet is verbeterd. Er zijn veel zorgen over hem, vooral over zijn thuissituatie, verblijfplaats en de communicatie tussen de vader en de GI en tussen de vader en de moeder. De moeder ervaart steun van de ondertoezichtstelling. De GI zal haar de komende periode helpen bij het opbouwen van contact tussen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] , en waar mogelijk ook tussen de moeder en [minderjarige 1] . Daarnaast ondersteunt de GI de moeder bij de communicatie en het contact tussen de ouders.
De ondertoezichtstelling is daarom nog nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
De kinderrechter:
Inzake C/02/448066 / JE RK 26-811:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 20 juni 2026 tot 20 juni 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 juni 2026 tot 20 december 2026;
Inzake C/02/448326 / JE RK 26-864:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 20 juni 2026 tot 20 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.