RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448179 / JE RK 26-844
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] .
Als informant is aangemerkt:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;
-
de op 21 mei 2026 van de GI ontvangen rapportage van [zorginstelling] .
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek te geven. [minderjarige 1] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De vader heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 juni 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 12 juni 2025 onder toezicht gesteld van de GI tot 12 juni 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI geeft aan dat zij vorig jaar na het uitspreken van de ondertoezichtstelling meteen de benodigde hulp heeft aangevraagd, maar dat deze hulp te lang op zich laat wachten. Wel kon opvoedondersteuning vanuit [zorginstelling] worden ingezet, maar deze bleek ontoereikend. Dit maakt dat de GI het gezin eind juli 2025 heeft aangemeld bij Crossroads.
De bedoeling is om via die weg MST-CAN in te zetten. Na een intakegesprek in de week na de zitting zal duidelijk moeten worden of MST-CAN ondersteuning kan gaan bieden. Mocht dat onverhoopt niet het geval zijn of in geval de wachttijd te lang is, overweegt de GI hulp in te gaan zetten vanuit Amarant in combinatie met een IAG-traject. Daarnaast laat de inzet van ouderschapsbemiddeling nog altijd op zich wachten. Beide ouders zijn bij de GI goed in beeld. Voor [minderjarige 1] is sinds april 2026 alvast “ [hulpverlening] ” gestart met ambulante begeleiding. [minderjarige 3] zou gebaat zijn bij dagbehandeling van Sterk Huis, maar Sterk Huis wil haar nog niet opnemen zolang er geen systemische hulp binnen het gezin aanwezig is. Naar de mening van de GI dient de ondertoezichtstelling nog met een jaar verlengd te worden.
De moeder geeft aan in te zien dat alle benodigde hulp nog niet is gestart en een verlenging van de ondertoezichtstelling daarom nodig is om te zorgen dat deze wel gaat starten. Naar de mening van de moeder valt de gerezen problematiek niet enkel haar te verwijten. Zo is inmiddels duidelijk dat zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 3] gebaat zijn bij speciaal onderwijs. Ook merkt de moeder op dat de vader momenteel huisvestingsproblemen heeft.
Volgens de moeder heeft de vader daardoor een onregelmatig contact met de kinderen.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter overweegt hierbij dat de concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog steeds gelegen is in de instabiele opvoedsituaties bij hun ouders en in de ouderstrijd.
Binnen de ondertoezichtstelling waren (in de beschikking ondertoezichtstelling van 12 juni 2025) de navolgende doelen gesteld:
- De basale verzorging van de kinderen is in orde. (Zoals bijvoorbeeld: de kinderen krijgen voldoende en gezonde voeding, de hygiëne van de kinderen en het huis is op orde, de kinderen dragen schone en passende kleding en de kinderen hebben een vast slaapritme);
- Er zijn vaste routines in het gezin;
- Er is duidelijkheid over de verwachtingen van ouders van elkaar waarbij er sprake is van een voorspelbare en veilige omgangsregeling tussen de kinderen en vader;
- Er komt zicht op eventuele (kind-eigen) ontwikkelingsproblematieken bij de kinderen, waarbij er zowel wordt gekeken naar factoren in aanleg als contextuele factoren (zoals gehechtheid en trauma);
- Moeder krijgt inzicht in de opvoedsituatie binnen haar gezin;
- De draagkracht van moeder wordt vergroot doordat zij ook voldoende tijd voor zichzelf heeft;
- Er komt zicht op de mate van ‘goed genoeg ouderschap’ van ouders.
Geconstateerd moet worden dat deze doelen nog niet zijn bereikt. Dat de benodigde hulpverlening, om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te kunnen afwenden, nog niet of slechts ten dele van start kon gaan heeft hieraan geen goed gedaan. Deze benodigde hulp zal naar verwachting voor het overgrote deel binnenkort van start gaan. De ontwikkelingen daarin zullen moeten worden afgewacht.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar. Gelet op de doelen waaraan nog moet worden gewerkt, is dat een passende periode.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 12 juni 2026 tot 12 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.