beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/439396 / FA RK 25-4485
datum uitspraak: 4 juni 2026
beschikking betreffende wijziging gezag en wijziging omgangsregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.W. Dieleman in Middelburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011, hierna: [minderjarige] ,
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 1 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Dieleman van 12 maart 2026;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Dieleman van 13 april 2026;
Het verzoek is mondeling behandeld op 21 mei 2026. Bij die behandeling is gekomen de vrouw, met haar advocaat. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
De man is juist opgeroepen, maar is niet gekomen.
Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van [datum 1] 2014 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op [datum 2] 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
Bij genoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat partijen zijn overeengekomen als in het convenant en ouderschapsplan staat vermeld, van welk convenant en ouderschapsplan een kopie een de beschikking is gehecht en waarvan de inhoud als ingelast wordt beschouwd. In dit ouderschapsplan zijn partijen onder meer overeengekomen dat [minderjarige] één weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij de man verblijft.
3 Het verzoek en de standpunten
De vrouw verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dat de beschikking met het ouderschapsplan wordt gewijzigd in die zin dat
- het gezamenlijk gezag van de man en de vrouw wordt beëindigd en dat het eenhoofdig gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
- dat de regeling betreffende de verzorging en opvoeding komt te vervallen.
De man is niet verschenen in de procedure en heeft derhalve geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw.
4 De beoordeling
Ter onderbouwing van haar verzoeken stelt de vrouw dat de situatie sinds het opstellen van het ouderschapsplan aanmerkelijk is gewijzigd. In de periode rondom de echtscheiding waren er ernstige problemen die mede werden veroorzaakt doordat de man last had van een psychiatrische ziekte. Uiteindelijk is de situatie gestabiliseerd en verliep de zorgregeling redelijk goed. In 2022 heeft de man echter opnieuw een psychotische periode doorgemaakt. Dit leidde ertoe dat de man [minderjarige] na een bezoek op 3 juli 2022 niet thuis bracht maar haar mee nam naar het vliegveld in [plaats] , waar zij zijn tegengehouden door de marechaussee. Omdat het toen niet goed ging met de man en [minderjarige] geen enkel vertrouwen meer in hem had, heeft de vrouw de zorgregeling opgeschort. Daarna hebben de contacten tussen de man en [minderjarige] enkel onder begeleiding plaatsgevonden. Vervolgens heeft de man op 29 juni 2024 in verwarde toestand de woning van de vrouw bezocht en vernielingen aangericht aan haar woning. [minderjarige] heeft dit ook meegemaakt en is daardoor bang voor de man. Zij heeft de man sindsdien niet meer gezien. De man is mede door de psychoses onbetrouwbaar in zijn handelen en constructief overleg over kwesties rondom [minderjarige] is niet mogelijk. Daar komt bij dat de man vrijwel nooit naar [minderjarige] informeert en niet op de hoogte is van hoe het met haar gaat.
Door de Raad is geadviseerd de verzoeken van de vrouw toe te wijzen. Hoewel het uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk belast zijn met het gezamenlijk gezag over een minderjarig kind, kan de Raad zich in deze situatie voorstellen dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en wordt bepaald dat het eenhoofdig gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vrouw toekomt. De Raad betwijfelt namelijk of de man een goed beeld heeft van [minderjarige] en keuzes kan maken die in haar belang zijn, aangezien hij [minderjarige] al langere tijd niet gezien heeft en niet naar haar informeert. Ook kan de Raad zich vinden in het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] komt te vervallen. Deze zorgregeling vindt immers al langere tijd geen doorgang. Hierbij merkt de Raad op dat het belangrijk is dat er aandacht is voor het contact tussen de man en [minderjarige] als [minderjarige] daar in de toekomst behoefte aan heeft.
Ten aanzien van het gezag
De rechter kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor:
-
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;
-
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het is de rechtbank gebleken dat de man en [minderjarige] al geruime tijd, in ieder geval sinds juni 2024, geen enkel contact meer met elkaar hebben gehad. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van het opstellen van het convenant en ouderschapsplan in mei 2014 dermate zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
De rechtbank overweegt vervolgens dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kind. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de minderjarige tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de minderjarige en zijn of haar veiligheid niet in gevaar brengt.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens zitting is de rechtbank van oordeel dat er geen goede basis meer aanwezig is voor de uitoefening van gezamenlijk gezag. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er al geruime tijd, in ieder geval sinds het incident van 29 juni 2024, geen contact is geweest tussen de man en [minderjarige] en dat het contact in de jaren daaraan voorafgaand ook op meer incidentele basis en onder begeleiding plaatsvond. De man is al langere tijd niet betrokken bij [minderjarige] . Evenmin informeert hij bij de (partner van de) vrouw of bij de school over [minderjarige] en haar ontwikkeling. Naar het oordeel van de rechtbank laat de man hiermee zien dat hij geen invulling kan of wil geven aan het ouderlijk gezag. Om dat op een goede manier te doen is het immers nodig dat de man belangstelling heeft voor [minderjarige] , bekend is met haar ontwikkeling en weet wat er bij haar speelt en in haar omgaat. Daar komt bij dat weliswaar tot op heden niet is gebleken dat de man actief gezagsbeslissingen ten aanzien [minderjarige] blokkeert, maar wel is vast komen te staan dat de man belast is met psychiatrische problematiek en dat er onder invloed van psychoses in het verleden een aantal incidenten hebben voorgedaan, waardoor niet uitgesloten is dat als de man in psychotische toestand verkeert hij niet in staat is om gezagsbeslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Tijdens psychoses kan de man immers onbetrouwbaar zijn in zijn denken en handelen. Ook overweegt de rechtbank dat er weliswaar contact is tussen de man en de nieuwe partner van de vrouw, maar constructief overleg over [minderjarige] tussen partijen niet mogelijk is.
De rechtbank is gelet op het voorgaande en in lijn met het advies van de Raad van oordeel dat het conform het bepaalde in artikel 1:251a, eerste lid, sub b BW in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag over [minderjarige] wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw voortaan het gezag over [minderjarige] alleen uitoefent. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te belasten dan ook toewijzen.
Ten aanzien van de zorg-/omgangsregeling
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
In het vierde lid van artikel 1:253a BW is artikel 1:377e van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond daarvan kan de rechtbank, voor zover hier van belang, op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alvorens te beslissen dient de rechter op grond van artikel 1:253a lid 5 BW een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Zoals al onder rechtsoverweging 4.4 is geoordeeld, zijn de omstandigheden sinds de echtscheidingsbeschikking gewijzigd. De vrouw kan derhalve worden ontvangen in haar verzoek om de verdeling van de zorg- en opvoedtaken vervallen te verklaren.
Tijdens de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat er geen vergelijk tussen partijen mogelijk is nu de man niet op de mondelinge behandeling is verschenen en er al geruime tijd geen contact meer is geweest tussen partijen.
De rechtbank volgt met de Raad het standpunt van de vrouw dat de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] moet komen te vervallen omdat er al langere tijd geen enkel contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] dat er formeel nog een omgangsregeling geldt die in het geheel niet wordt nagekomen. Dit zou namelijk betekenen dat - indien de man op enig moment alsnog contact met [minderjarige] zou wensen - hij nakoming van deze regeling zou kunnen vorderen, terwijl er zeer lange tijd geen contact is geweest. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging dat [minderjarige] op dit moment geen behoefte heeft aan contact met de man. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw gelet op het voorgaande toewijzen en de afspraken ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige] zoals deze zijn neergelegd in het aan de beschikking van [datum 1] 2014 van de rechtbank Noord-Nederland gehechte ouderschapsplan van 23 mei 2014 wijzigen, in die zin dat er geen omgangsregeling meer geldt tussen de man en [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5 De beslissing
De rechtbank
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag ten aanzien van [minderjarige] en bepaalt dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
wijzigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van [datum 1] 2014 en het daaraan gehechte ouderschapsplan (door partijen ondertekend op 23 mei 2014) voor wat betreft de omgangsregeling en bepaalt dat er geen omgangsregeling meer geldt tussen de man en [minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.