ECLI:NL:RBZWB:2026:5932

Datum uitspraak
02-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/447981 / JE RK 26-799
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verenging ondertoezichtstelling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447981 / JE RK 26-799

Datum uitspraak: 2 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder;

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening ofwel schriftelijk ofwel mondeling tijdens een kindgesprek kenbaar te maken. [minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] woont bij haar moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 juni 2026.

3 Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 Het standpunt van de GI

4.1.

Door de GI is schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat in de afgelopen periode is gewerkt aan de voorwaarden en doelstellingen, die zijn aangevuld wegens de zorgen over hoe moeder emotioneel en fysiek aansluit bij [minderjarige] .

4.2.

Gezien wordt dat [minderjarige] een attent en zorgzaam 9-jarig meisje is. Voor haar is het belangrijk dat iedereen het naar de zin heeft. [minderjarige] denkt voornamelijk aan anderen en zij zet haar eigen belangen aan de kant. Ze doet graag dingen samen met anderen, waaronder knutselen of spelen. [minderjarige] geeft aan liever naar school te gaan dan vakantie te hebben. De juf van [minderjarige] geeft aan dat het op school goed gaat met [minderjarige] . Ze is ontspannen aanwezig en zoekt de leerkrachten vaak op, waarbij het veelal gaat over simpele zaken zoals nieuwe kleding of spullen of over het feit dat ze in het weekend naar haar vader gaat. Alleen rondom de tijd dat de school uit gaat, is er bij [minderjarige] spanning zichtbaar. Dat heeft wellicht te maken met het feit dat zij buiten op tijd bij de moeder wil zijn.

4.3.

Sinds er een ondertoezichtstelling van kracht is wordt de omgangsregeling nageleefd. De moeder doet zelfs regelmatig een beroep op de vader om [minderjarige] vaker op te vangen, zoals een extra weekend of gedurende enkele dagen in een vakantieperiode. Dit laat onverlet dat er nog geen sprake is van onbelast contact tussen [minderjarige] en de vader. Zo spreekt de moeder in het bijzijn van [minderjarige] tegen anderen negatief over de vader. Ook geeft de vader aan dat de overdracht niet neutraal plaatsvindt, dat tijdens het videobellen van [minderjarige] met hem de moeder regelmatig tussen beiden komt om hem te wijzen op zaken die hij volgens haar anders moet doen. Daarover heeft de moeder aangegeven dat zij het lastig vindt om via e-mail te communiceren met de vader omdat het dan mogelijk anders overkomt dan zij bedoelt en dat zij face to face contact prettiger vindt, bijvoorbeeld bij een overdracht. Volgens haar verloopt dit prima.

4.4.

Vanaf januari 2026 is [zorgaanbieder] gestart. [minderjarige] komt nog steeds éénmaal per twee weken bij haar vertrouwenspersoon van [zorgaanbieder] . [minderjarige] laat volgens moeder blijken dit fijn te vinden. [zorgaanbieder] heeft bevestigd dat [minderjarige] graag komt en dat het contact tussen haar en haar vertrouwenspersoon goed is. Er zijn een paar zaken over de situatie bij de moeder thuis die [minderjarige] heeft besproken met haar vertrouwenspersoon. Die zijn vervolgens teruggekoppeld naar de moeder en door haar met de hulpverleners in het bijzijn van [minderjarige] besproken. Opvallend is dat [minderjarige] sindsdien geen (negatieve) zaken meer benoemt over de situatie bij de moeder. Het lijkt erop dat [minderjarige] bij haar vertrouwenspersoon niet meer openlijk durft te praten over wat haar bezig houdt.

4.5.

Er is een PSO (Parallel Solo Ouderschap) traject opgestart, waarbij beide ouders

(apart) begeleiding krijgen van een systeemtherapeut. Hierin heeft psycho-educatie

plaatsgevonden over hoe de ouders het best met de huidige opvoedsituatie om kunnen gaan.

Er is door [zorgaanbieder] een nieuw ouderschapsplan opgesteld, met duidelijke afspraken

rondom de vakanties en dergelijke. Het ouderschapsplan is tot op heden nog niet akkoord

bevonden door de ouders. Het loopt vast op de verdeling van de vakanties en feestdagen, hierover worden ouders het niet eens. Ook verloopt de oudercommunicatie moeizaam, waarbij wordt gezien dat onderhandelen en naar elkaar toe bewegen in het belang van [minderjarige] weinig zichtbaar is.

4.6.

Vanaf april 2026 is de intensieve ambulante gezinsondersteuning (hierna: IAG) opgeschaald naar drie maal per week. Gezien wordt dat de moeder positieve stappen zet. Zo is gezien dat [minderjarige] nu regelmatig buiten speelt met leeftijdsgenoten en dat zij hier zichtbaar plezier in heeft. Ook heeft de moeder aangegeven dat zij wil dat [minderjarige] wordt aangemeld voor de BSO, zodat zij daar ook contact kan hebben met kinderen van haar school. Ondanks deze positieve verandering worden er ook veel zorgen gezien. Deze gaan met name over de geringe interactie tussen de moeder en [minderjarige] en de regels in huis, waaronder dat [minderjarige] niet ‘s nachts haar kamer af kan omdat de deur op slot zit. Steeds wordt meer duidelijk en zichtbaar dat de eigen problematiek van de moeder de sleutel tot verandering is. [minderjarige] is op dit moment degene die op de moeder afstemt, in plaats van omgekeerd. De GI benoemt ook in dat verband dat [minderjarige] in huis eerder overal in beeld en geluid werd gevolgd. Nadat dit door [zorgaanbieder] is aangekaart zijn door de moeder de camera’s boven, gericht op en in haar slaapkamer, weggehaald. Zolang de moeder daarvoor geen eigen hulpverlening aangaat, zullen de rollen in de opvoeding omgekeerd blijven. Tot slotte zijn er ook nog steeds zorgen ten aanzien van [minderjarige] rondom haar lichamelijke privacy en verzorging. Een uitgebreid onderzoek door de kinderarts in juni 2025 heeft uitgewezen dat er bij [minderjarige] vaginaal niets bijzonders aan de hand is. De moeder is vervolgens in maart 2026 tweemaal met [minderjarige] bij de huisarts langs geweest, telkens na het weekend dat zij bij de vader was geweest om haar vagina te laten onderzoeken. Nadat de huisarts had aangegeven dat de vagina heel rood was en er in een zo korte tijd als een weekend geen sprake van kan zijn dat het zo uit de hand loopt heeft de moeder in een e-mailbericht aan de vader aangegeven dat zijn verzorging niet afdoende is. Ook heeft zij hem (opnieuw) aanwijzingen gegeven in het kader van de fysieke verzorging van [minderjarige] , waardoor het erop lijkt dat zij de oude zorg- en behandelwijze heeft opgepakt, waarbij de lichamelijke integriteit van [minderjarige] wordt geschaad. Aangezien [minderjarige] 9 jaar is, is het heel erg belangrijk dat ze zelf in fysiek opzicht zorg gaat dragen voor haar lichaam. De GI ziet om die reden in de hiervóór geschetste situatie een serieuze bedreiging voor [minderjarige] ’s lichamelijke en seksuele ontwikkeling.

4.7.

Er is inmiddels bij [hulpverlening] een intake bij de moeder afgenomen. Vervolgens is de aanmelding door [hulpverlening] afgewezen, naar zeggen van de moeder omdat de hulpvraag voor [hulpverlening] complexer is gebleken dan dat zij kunnen bieden. [zorgaanbieder] acht het van belang, gelet op de zorgen die er nog zijn, dat de moeder een traject bij [accommodatie] zal volgen. Er is een doorverwijzing gedaan naar [accommodatie] , waar eind april 2026 een intake heeft plaats gevonden. Ten tijde van het opstellen van het verzoekschrift was nog niet duidelijk of/wanneer met behandeling kan worden gestart.

4.8.

De GI concludeert dat de stappen die er tot dusver zijn gemaakt gering zijn en bovendien moeizaam en met veel inzet tot stand zijn gekomen. Naast dat dat daardoor de doelstellingen geheel en/of gedeeltelijk niet zijn behaald maakt de GI zich nog steeds ernstig zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige] bij de moeder en over haar ontwikkelings-mogelijkheden. Deze zorgen worden bovendien door de moeder niet of onvoldoende (h)erkend. Ook is onduidelijk of, zodra de individuele GGZ hulpverlening voor de moeder zal zijn gestart, zij voldoende draagkracht zal hebben om voor [minderjarige] te blijven zorgen. Daarbij betrekt de GI dat de GGZ hulpverlening naar verwachting een langdurig traject zal zijn. Al deze factoren en omstandigheden maken dat de GI zich op het standpunt stelt dat in het belang van [minderjarige] een verlenging van de ondertoezichtstelling voor een periode van twaalf maanden noodzakelijk is.

5 De standpunten van de belanghebbenden

5.1.

Door de moeder is opgemerkt dat zij achter een verlenging van de ondertoezichtstelling kan staan voor een periode van twaalf maanden. Wel met dien verstande, dat zij wil (kunnen) laten zien dat zij in staat is om in het belang van [minderjarige] en haar verdere ontwikkeling positieve veranderingen te bewerkstelligen. Zij licht toe dat er inmiddels door de GGZ een behandelplan is opgesteld, dat door haar akkoord is bevonden. Volgende week staat in het kader van deze behandeling een eerste afspraak gepland. Zij begrijpt dat zij hulpverlening nodig heeft, ook om ervoor te zorgen dat zij emotioneel meer voor [minderjarige] beschikbaar is en zij beiden weer op één lijn geraken. Wel heeft zij moeten ervaren dat door de jeugdbeschermer naar haar als ouder niet duidelijk werd gecommuniceerd wat zij wel en niet goed deed. Daardoor voelde zij zich erg onder druk gezet. Zij is blij met de nieuwe extra jeugdbeschermer die is aangesteld, die een aanpak hanteert die beter bij haar aansluit. Verder wenst de moeder op te merken dat zij niet zodanig strikte huisregels hanteert, dat [minderjarige] wordt verplicht op haar kamer te blijven. Die regels zien uitsluitend op de periode tussen 19:00 uur en 19:30 uur, wanneer zij naar bed gaat. Ten slotte acht de moeder het van belang om te vermelden dat het ouderschapsplan in handen is gegeven van een advocaat en dat zij van chatGPT gebruik maakt om de communicatie met de vader per email voorspoediger te laten verlopen.

5.2.

Door de vader is naar voren gebracht dat sinds er een ondertoezichtstelling loopt hij vooral positieve ontwikkelingen ziet. Wel onderkent hij ook de zorgen die er nog zijn zoals door de GI toegelicht in haar verzoek. Verder heeft hij zelf met name moeite met de oudercommunicatie in het kader van de overdrachtsmomenten die nog steeds niet verloopt zoals dat zou moeten. Hij kan daarom achter een verlenging van de ondertoezichtstelling staan voor de aldus verzochte periode van twaalf maanden.

6 De beoordeling

6.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

6.2.

Op basis van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de moeder sinds de opschaling van de IAG voorzichtig stappen heeft weten te maken die ten voordele strekken van [minderjarige] en haar (verdere) ontwikkeling. Naast deze gunstige ontwikkelingen zijn er echter ook zorgen die maken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Sinds het besprokene tussen [minderjarige] en haar vertrouwenspersoon van praktijk [zorgaanbieder] naar haar moeder is teruggekoppeld en in het bijzijn van [minderjarige] met de hulpverleners is besproken, durft [minderjarige] niet meer openlijk te praten over wat haar bezig houdt. Gezien wordt dat [minderjarige] steeds verder in zichzelf gekeerd raakt en dat zij zich continu aanpast aan anderen, omdat zij het vooral voor iedereen zo goed mogelijk wil doen. Gelet op de leeftijdsfase waarin zij verkeert is dit een zorgelijke ontwikkeling. Ook zijn er (nog steeds) zorgen die zien op een te geringe interactie tussen de moeder en [minderjarige] , onduidelijkheid over door de moeder gehanteerde huisregels en het waken voor de lichamelijke integriteit van [minderjarige] in relatie tot haar fysieke en seksuele ontwikkeling. De moeder heeft eerder ingestemd met hulpverlening voor zichzelf via [hulpverlening] . Zij heeft vervolgens een afwijzing ontvangen voor dit traject, waarop zij is doorverwezen naar [accommodatie] . Gebleken is dat door [accommodatie] een behandelplan is opgesteld en dat volgende week een eerste afspraak is ingepland. De verwachting is dat dit een intensief en langdurig traject zal zijn. Verder verloopt, ondanks dat er op PSO is ingezet, de oudercommunicatie nog steeds moeizaam. Dit blijkt ook uit het feit dat er nog geen definitief ouderschapsplan is, waarin beide ouders zich kunnen vinden, dat de moeder zich tegenover [minderjarige] negatief blijft uit laten over de vader en de ouders laten blijken dat zij over het verloop van de oudercommunicatie en de overdrachtsmomenten niet op één lijn zitten.

6.3.

Alle hiervóór beschreven factoren en omstandigheden maken naar het oordeel van de kinderrechter dat een ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk is om aan de (gedeeltelijk) nog niet behaalde doelstellingen te kunnen blijven werken en het verloop en resultaat van de al ingezette en nog in te zetten (individuele) hulpverlening te kunnen blijven volgen.

6.4.

De kinderrechter zal het (onweersproken) verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar toewijzen.

6.5.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.2

6.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 juni 2026 tot 12 juni 2027;

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »