ECLI:NL:RBROT:2026:9733

Datum uitspraak
09-07-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/10/721663 / JE RK 26-1205
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

art. 1:265e BW: gedeeltelijke uitoefening gezag door de GI.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/721663 / JE RK 26-1205

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 10 juni 2026, ontvangen op 17 juni 2026;

  • het bericht van de moeder van 19 juni 2026, ontvangen op 22 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Daarbij was een vertegenwoordiger van de GI, I. van Wijnen, aanwezig.

1.3.

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

1.4.

De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben geschreven. De aanwezige heeft daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .

2.2.

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven op een kleinschalige woonvoorziening van [naam instelling] .

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van vandaag zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 22 augustus 2027.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gedeeltelijk, te weten voor wat betreft het geven van toestemming voor een medische behandeling, wordt toegekend aan de GI en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI handhaaft ter zitting het verzoek. De GI laat weten dat er in maart 2026 een perspectiefbesluit is genomen. De GI is in afwachting van het moment dat de Raad voor de kinderbescherming zijn onderzoek kan starten naar het gezag van de moeder. Voor beide kinderen zijn meerdere medische behandelingen nodig, zoals bijvoorbeeld de tandarts en EMDR. De moeder geeft nergens toestemming voor. Desgevraagd laat de GI weten zich de leeftijdsgrens van artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet gerealiseerd te hebben.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 1:265e BW kan de kinderrechter bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Hij kan dit doen met betrekking tot onder meer het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

4.2.

[voornaam minderjarige 1] is ouder dan twaalf jaar. De GI heeft niet gesteld dat zij niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake. Hiertoe zijn ook geen aanwijzingen in het dossier. Enkel al om die reden dient het verzoek van de GI ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] afgewezen te worden. Voor haar situatie is de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) relevant.

4.3.

De kinderrechter is ten aanzien van de tienjarige [voornaam minderjarige 2] van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI gedeeltelijk wordt belast met het gezag over hem met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling.

4.4.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er zorgen zijn over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [voornaam minderjarige 2] . Hiervoor heeft hij hulpverlening nodig, bijvoorbeeld van Forta. [voornaam minderjarige 2] is hiervoor aangemeld maar er is toestemming van de moeder met gezag nodig om daadwerkelijk te kunnen starten. Ook moet [voornaam minderjarige 2] naar de tandarts kunnen. De moeder is voor de GI ofwel onbereikbaar en of zij geeft onsamenhangende antwoorden, waardoor het niet lukt de noodzakelijke instemmingen van de moeder te verkrijgen. Gezien het belang van de behandelingen voor [voornaam minderjarige 2] , acht de kinderrechter het noodzakelijk dat het gezag gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de toestemming voor medische behandeling van [voornaam minderjarige 2] , wordt uitgeoefend door de GI.

4.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

bepaalt dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, het gezag gedeeltelijk over [voornaam minderjarige 2] uitoefent met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van hem met ingang van 9 juli 2026 tot 22 augustus 2027;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst het overige verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »