GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.364.849/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 249405)
beschikking van 30 juli 2026
over de gedeeltelijke uitoefening van het gezag door de GI over [de minderjarige2]
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling,
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (de GI),
die is gevestigd in Groningen.
1 Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft bepaald dat de GI toestemming mag geven voor medische behandelingen van [de minderjarige2] , voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De moeder heeft zes kinderen. Vier van deze kinderen wonen net als de moeder in Nederland. Dit zijn: [de minderjarige1] , geboren [in] 2014, [de minderjarige2] , geboren [in] 2016, [de minderjarige3] , geboren [in] 2018 en [de minderjarige4] , geboren [in] 2021. De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen. De vaders van de kinderen zijn niet in beeld.
De moeder is in 2021 van Sint Maarten naar Nederland gekomen, met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . [de minderjarige4] is in Nederland geboren. [de minderjarige1] is in april 2022 naar Nederland gekomen.
Bij beschikking van 17 september 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 17 september 2026. Op
18 februari 2025 zijn er door de kinderrechter machtigingen gegeven om de kinderen uit huis te plaatsen. [de minderjarige2] is samen met [de minderjarige1] in een 24-uurs accommodatie jeugdhulpaanbieder geplaatst. [de minderjarige2] is in maart 2025 overgeplaatst naar een gezinshuis en in mei 2025 naar haar huidige woonlocatie, een geheime plek waar zij 24 uur per dag 2-op-1 begeleiding heeft van zorgmedewerkers van [naam1] .
Op 16 april 2025 heeft de kinderrechter op grond van artikel 1:265h van het Burgerlijk Wetboek (BW) vervangende toestemming verleend voor de medische behandeling van [de minderjarige2] . In hoger beroep is die beslissing vernietigd, bij beschikking van 21 oktober 2025, omdat er voor de behandeling van [de minderjarige2] geen sprake was van een eenmalige of kortdurende medische ingreep, maar van een langduriger traject.
3 De procedure bij de kinderrechter
De GI heeft de kinderrechter verzocht te bepalen dat het gezag, voor wat betreft het geven van toestemming voor medische behandelingen (diagnostiek, therapie en medicatie) van [de minderjarige2] , op grond van artikel 1:265e BW wordt uitgeoefend door de GI.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen, met ingang van
24 oktober 2025 tot 17 september 2026 (de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing).
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 5 november 2025.
4 De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift ontvangen op 5 februari 2026
-
de stukken van de moeder ingediend op 2 maart 2026
-
het verweerschrift
-
de stukken van de GI ingediend op 16 april 2026
-
de brief van de raad van voor de kinderbescherming (de raad) van 20 april 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
-
de stukken van de GI ingediend op 23 juni 2026.
Op 25 juni 2026 had [de minderjarige2] de gelegenheid om met de voorzitter en de griffier van het hof te praten via een videobelverbinding. Uiteindelijk bleek ook dit te veel spanning voor [de minderjarige2] op te leveren, zodat er geen inhoudelijk gesprek heeft plaatsgevonden. De voorzitter heeft dit tijdens de mondelinge behandeling toegelicht.
De zitting bij het hof was op 26 juni 2026. Aanwezig waren:
-
de advocaat van de moeder
-
twee vertegenwoordigers van de GI
5 Het oordeel van het hof
De wet
Op grond van artikel 1:265e lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek bepalen dat het gezag over een kind gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit doen met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van het kind.
De motivering van de beslissing
De situatie van [de minderjarige2] zorgt voor een groot dilemma. [de minderjarige2] heeft heftige emotie- en gedragsproblematiek, waarbij zij zorgelijk verbaal en fysiek gedrag laat zien, zelfs zodanig dat er tot nu toe nog geen mogelijkheid is geweest tot diagnostiek of behandeling. Om hier toch stappen in te kunnen zetten, krijgt [de minderjarige2] sinds april 2025 medicatie in de vorm van risperidon en lorazepam. Deze medicatie lijkt te helpen in het verminderen in frequentie en ernst van de boze buien van [de minderjarige2] . Tegelijkertijd is er, ook door omstandigheden buiten [de minderjarige2] om, nog niet begonnen met de benodigde diagnostiek en behandeling, en lijkt het in brede zin juist slechter te gaan met [de minderjarige2] . In die zin is de vraag ook of medicatie [de minderjarige2] wel voldoende zal helpen. Het hof is desondanks van oordeel dat de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven (bekrachtigd), en legt hierna uit waarom.
Sinds de ondertoezichtstelling zijn er verschillende jeugdbeschermers betrokken geweest bij [de minderjarige2] en haar broer en zussen. Dit heeft de effectiviteit van de ondertoezichtstelling geen goed gedaan. De huidige jeugdbeschermers zijn sinds mei 2026 betrokken en erkennen dat er veel moet veranderen. Zij hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof een aantal stappen genoemd die zij willen gaan zetten. Zo zijn zij in overleg met [naam2] om een centrale behandelaar te regelen die overzicht houdt over de vier kinderen, zijn zij voornemens de omgang tussen moeder en de kinderen te laten hervatten (te beginnen met de jongste twee) en willen zij zorgen voor een betere communicatie met de moeder. Ook is er contact met Stichting [naam3] , die een observatie zal doen om te kijken welke hulp zij [de minderjarige2] kunnen bieden.
Hoewel medicatie niet de eerste en enige optie is voor de behandeling van gedragsproblematiek bij een jong kind, kan de medicatie nodig zijn om te komen tot verdere behandeling. Voorafgaand aan de beslissing de medicatie toe te dienen, waren er verschillende incidenten waarbij [de minderjarige2] door haar agressieve gedrag een gevaar was voor zichzelf of anderen en het soms zelfs noodzakelijk was dat zij (langdurig) gefixeerd werd. [de minderjarige2] was dan niet bij te sturen. Zij gaat nu al een tijd niet naar school en heeft 24-uurs
2-op-1 begeleiding. Het is van groot belang dat zij de nodige zorg krijgt om haar te helpen haar emoties beter te reguleren en haar onrust en ontregeling te verminderen. In de brief van 15 april 2026 beschrijft de kinder- en jeugdpsychiater van Stichting [naam2] een ‘diepgewortelde boosheid’ bij [de minderjarige2] , die voor een deel voort lijkt te komen uit haar verlangen haar moeder, broer en zussen weer te zien. Het hof acht het daarom cruciaal dat de GI zo snel mogelijk zorg draagt voor een veilige vorm van contactherstel.
De moeder spreekt zich richting de GI en [de minderjarige2] uit tegen het gebruik van medicatie, maar zegt wel toestemming te willen geven voor diagnostiek en behandeling. De moeder was niet aanwezig bij de zitting van het hof. Zo heeft het hof niet met de moeder kunnen bespreken welke behandeling(en) zij voor [de minderjarige2] voor ogen heeft en toe zou staan. Uit de verkregen informatie blijkt dat het voor de moeder onbespreekbaar is dat [de minderjarige2] medicatie krijgt om haar boosheid en agressie bijgestuurd te krijgen, zodat zij aan verdere diagnostiek en behandeling toekomt. Ook is gebleken dat gesprekken hierover met de moeder moeizaam verlopen, onderwerpen die zij onprettig vindt, lijkt zij uit de weg te gaan of het gesprek wordt door haar vroegtijdig beëindigd. Van de GI heeft het hof begrepen dat de informatie over wat in het belang van [de minderjarige2] is, de moeder op deze wijze niet bereikt. Tot overleg hierover en bespreken wat er nog anders zou kunnen, komt het dan niet. Op basis van de verkregen informatie heeft het hof niet kunnen vaststellen dat het gezag met betrekking tot de toestemming voor medische behandelingen van [de minderjarige2] terug kan naar de moeder.
Het hof begrijpt uit de stukken dat de GI steken heeft laten vallen op het gebied van informatieverstrekking richting de moeder. Het is te begrijpen dat dat niet bijdraagt aan het vertrouwen van de moeder richting de GI. De moeder heeft het recht goed geïnformeerd te worden, maar daarbij hoort ook voor haar de verplichting om zich te laten informeren. De moeder zal zich moeten realiseren dat wanneer haar persoonlijke overtuigingen botsen met wat er in het belang van [de minderjarige2] nodig is, het belang van [de minderjarige2] voorop moet staan. Alle betrokkenen maken zich ernstig zorgen om [de minderjarige2] , en [de minderjarige2] heeft hulp nodig.
Bij een verzoek op grond van artikel 1:265h BW ziet het wettelijk kader op het afwenden van ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige. Het wettelijk kader van een verzoek op grond van 1:265e lid 1 sub b BW, zoals in deze zaak aan de orde is, vereist dat de uitoefening van het gezag door de GI noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het is, anders dan namens de moeder is betoogd, niet aan het hof om te beoordelen of het toedienen van deze specifieke medicatie noodzakelijk was of is, maar of de GI uitvoering kon geven aan haar wettelijke taken als zij het gezag met betrekking tot de toestemming voor medische behandelingen niet zouden hebben. Het hof is van oordeel dat vanwege de ernst van de situatie van [de minderjarige2] en de beperkte medewerking van de moeder op dit gebied het noodzakelijk is om de GI te belasten met gezag met betrekking tot de toestemming voor medische behandelingen.
Tot slot merkt het hof het volgende op. Het hof acht het van groot belang dat de GI, indien zij bij de rechtbank een verzoek indienen tot verlenging van de huidige ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en belasting met het gezag voor zover het de toestemming tot medische behandeling betreft, dat verzoek gepaard gaat met een concreet overzicht van de stand van zaken op dat moment over de voortgang van de hulpverlening voor [de minderjarige2] . Belangrijke informatie is in ieder geval:
-
de status van de hulpverlening aan [de minderjarige2] (zowel medicatie als overige diagnostiek/behandeling/therapie);
-
de status van het opstarten van gesprekken tussen de GI en de moeder;
-
de status van het opstarten van de omgang tussen de moeder en de kinderen;
-
de status van het aanstellen van een centrale behandelaar/behandelsysteem voor de vier kinderen.
6 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 november 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Pieters, mr. E. Leentjes en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 30 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.