ECLI:NL:RBROT:2026:9528

Datum uitspraak
02-07-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/10/720464 / JE RK 26-1033
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige die al langere tijd niet thuis woont. De kinderrechter houdt de vinger aan de pols vanwege het ontbreken van duidelijkheid over zijn toekomstperspectief en de zorgen over schoolgang en hulpverlening.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/720464 / JE RK 26-1033

Datum uitspraak: 2 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum;

  • de briefrapportage van de GI van 19 juni 2026, ontvangen op 2 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2 De feiten

2.1.

De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

2.3.

Op 30 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 juli 2026.

2.4.

Op 13 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 10 juli 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] en de vader hebben behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] . Hierdoor loopt [minderjarige] vast in zijn ontwikkeling. De groep waarbinnen [minderjarige] verblijft merkt op dat hij de grenzen en regels niet respecteert en opvolgt. Daarnaast is sprake van schoolverzuim. [minderjarige] kon doorstromen naar het regulier onderwijs, maar dit is tijdelijk stopgezet vanwege het verzuim. Ten aanzien van de omgang met de vader geldt dat deze in principe om het weekend plaatsvindt, maar dat hieraan vanwege reiskosten sporadisch uitvoering wordt gegeven. De afgelopen periode is de uitvoering van de GI niet naar behoren verlopen. Hierin moet verbetering komen. Er is geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar, maar het inzetten van een vaste jeugdbeschermer heeft prioriteit.

4 Het standpunt van de vader

4.1.

De vader stemt in met het verzoek, met de kanttekening dat [minderjarige] dichter bij [woonplaats vader] komt wonen. Er worden regelmatig beloftes gemaakt die niet worden nagekomen. De vader en [minderjarige] zijn klaar met de voortdurende wisselingen van jeugdbeschermers en het steeds opnieuw voeren van dezelfde gesprekken. Ten aanzien van de omgang met [minderjarige] geldt dat deze eerder moeizaam verliep vanwege reiskosten, maar dat hierover afspraken zijn gemaakt en de omgang sindsdien goed verloopt.

5 De informatie van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)

5.1.

De Raad geeft in het toetsingsbesluit besluit het volgende aan:

‘’Op basis van bovenstaande adviseert de Raad om wel in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012, na twee jaar te verlengen. [minderjarige] verblijft momenteel op een groep van [jeugdhulpaanbieder] in [plaats] , een plek die aan hem is gepresenteerd als een tijdelijke plek. Het KSCD constateert in hun onderzoek dat vader [minderjarige] niet kan bieden wat hij nodig heeft. Het KSCD adviseert om [minderjarige] langdurig te plaatsen binnen een kleinschalige residentiële setting of een gezinshuis. Daarnaast geeft het KSCD aan dat, voor een plaatsing bij vader, van belang is dat de emotieregulatie en copingvaardigheden worden versterkt, de vader-zoonrelatie wordt verstevigd en [minderjarige] zijn functioneren wordt gestabiliseerd. Alle partijen die de Raad in dit onderzoek heeft gesproken benoemen dat er duidelijkheid moet komen over het perspectief van [minderjarige] . In het gesprek met de Raad toont [minderjarige] zich in eerste instantie onverschillig over zijn toekomst. Maar tijdens het gesprek laat hij wel doorschemeren dat hij niet wil terugkeren naar [woonplaats vader] , tenzij hij bij vader zou kunnen wonen. De hoop hierop is nog aanwezig. Hetzelfde geldt voor vader, al geeft hij ook aan dat hij dit niet meer verwacht.

Het gaat momenteel niet goed met [minderjarige] bij [jeugdhulpaanbieder] . Hij laat een verslechtering zien in zijn gedrag. De Raad is van mening dat het gebrek aan perspectief hier mogelijk aan ten grondslag kan liggen. [minderjarige] weet niet hoe zijn toekomst qua wonen eruit ziet, maar er wordt ook onvoldoende ondersteuning geboden in het contact met en verblijf bij vader. Dit zorgt ervoor dat [minderjarige] en vader niet weten waar zij aan toe zijn.

De Raad constateert dat er veel wisselingen hebben plaatsgevonden in jeugdbeschermers. Hierdoor zijn er tot nog toe geen stappen gezet om het perspectief van [minderjarige] concreet te maken iets wat door de Raad wordt betreurd. Hierdoor blijven zowel [minderjarige] als vader in onzekerheid over de vervolgplek en is er tot nog toe geen hulpverlening ingezet om de onderlinge relatie te verbeteren. De Raad vindt dit een zeer zorgelijke en kwalijke situatie. In de gesprekken met [minderjarige] , vader en de persoonlijk begeleider van [jeugdhulpaanbieder] wordt duidelijk dat het gebrek aan regie ervoor zorgt dat processen stagneren. Maar ook dat er weinig tot geen vertrouwen meer is in de jeugdbescherming. Daarnaast constateert de Raad dat de aanvaardbare termijn verstreken is voor [minderjarige] . Hij heeft er aanzienlijk last van dat er nog steeds geen perspectief is bepaald. De Raad heeft nog afgewogen om te verwijzen naar een andere gecertificeerde instelling, maar ook daar is sprake van een wachtlijst en een grote doorstroming van personeel. LdH heeft aangegeven dat [minderjarige] bovenaan de lijst staat en dat er hopelijk in de zomer een vaste jeugdbeschermer komt. Ondanks de afwezigheid van een vaste jeugdbeschermer ziet de Raad nog zorgen waarvoor een gedwongen kader nog noodzakelijk is. Deze zorgen liggen in het gedrag en schoolgang van [minderjarige] , het contact met vader en het gebrek aan duidelijk perspectief. Ook wanneer er niet binnen één of twee maanden een vaste jeugdbeschermer komt, wil de Raad benadrukken dat LdH op korte termijn stappen moet zetten om het perspectief te bepalen voor [minderjarige] en het inzetten van hulpverlening gericht op het contact(herstel) tussen [minderjarige] en vader. Het moet duidelijk worden of [minderjarige] wel of niet dichterbij vader kan komen wonen. Dit zal namelijk invloed hebben op het onderlinge contact. Op basis van bovenstaande adviseert de Raad om in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor jeugdhulpverlening van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012, na twee jaar te verlengen.’’

6 De beoordeling

6.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan1 en dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

6.2.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Uit de informatie van de Raad, zoals is weergegeven onder overweging 5.1, blijkt dat er grote zorgen over [minderjarige] bestaan, die door de kinderrechter worden gedeeld. [minderjarige] heeft een belast verleden en woont al langere tijd niet meer thuis. Eerder is overwogen dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid en stabiliteit wat betreft zijn opgroeiperspectief. Deze duidelijkheid ontbreekt nog steeds, wat zich uit in zelfbepalend gedrag op de groep en fors schoolverzuim. [minderjarige] heeft veel in zijn mars, maar komt daaraan onvoldoende toe als gevolg van de huidige instabiliteit. Hoewel de vader het eens is met de verlenging van de maatregelen, is het op dit moment nog niet passend om hulpverlening binnen het vrijwillig kader voort te zetten. Onder regie van de GI dient duidelijkheid te worden verkregen over het opgroeiperspectief van [minderjarige] en de schoolgang van [minderjarige] te worden gemonitord. Bovendien dient passende hulpverlening te worden ingezet gericht op het contact tussen [minderjarige] en zijn vader.

6.3.

De GI heeft, mede als gevolg van de vele wisselingen van jeugdbeschermers in de afgelopen jaren, onvoldoende voortvarend gehandeld. Het perspectief van [minderjarige] had eerder duidelijk moeten zijn. Daarnaast is onvoldoende ondersteuning geboden bij het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Hierdoor is het vertrouwen van zowel [minderjarige] als zijn vader in de jeugdbescherming geschaad. Het is van belang dat op korte termijn een vaste jeugdbeschermer betrokken raakt, die beziet waar het perspectief van [minderjarige] ligt, erop toeziet dat passende hulpverlening wordt ingezet en dat de schoolgang van [minderjarige] spoedig wordt hervat. In de tussenliggende periode dient de GI ook voortvarend te handelen.

6.4.

Gelet op bovenstaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen, maar wel voor een kortere periode dan verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden, te weten tot 10 januari 2027. De kinderrechter wenst namelijk een vinger aan de pols te houden. Het overige verzochte wordt aangehouden.

6.5.

De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de vader) te overleggen over de dan huidige stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.

6.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 10 januari 2027;

7.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 10 januari 2027;

7.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

7.4.

houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 december 2026 pro forma;

7.5.

bepaalt dat de GI en de vader op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

7.6.

verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de vader) de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 14 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »