RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11645110 CV EXPL 25-9225
datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] N.V.
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 18 februari 2025, met bijlagen;
-
het antwoord;
-
de akte van [eiseres] , met bijlagen.
Op 18 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [persoon A] , gemachtigde van [eiseres] , aanwezig. [gedaagde] was, hoewel zij goed is opgeroepen, afwezig.
2 De beoordeling
Wat is de kern?
[gedaagde] heeft een zorgverzekering bij [eiseres] (gehad). In deze zaak eist [eiseres] betaling van twee onbetaalde zorgkostennota’s van samen € 152,13 met € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten en € 18,95 aan vervallen rente. Ook eist [eiseres] dat [gedaagde] de proceskosten moet betalen.
[gedaagde] is het niet eens met de eis, omdat zij tot kort voor de dagvaarding niet wist van deze rekeningen. Pas in januari 2026 ontving zij een e-mail waarin stond dat ze een bedrag moest betalen, maar ze wist niet waarop dat bedrag zag en het lukte niet om in contact te komen met [eiseres] om navraag te doen.
[gedaagde] moet de zorgkostennota’s aan [eiseres] betalen
Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] brieven overgelegd met betalingsherinneringen die per e-mail zijn verzonden aan [gedaagde] . [gedaagde] is niet ter zitting verschenen en heeft tegen deze brieven dus geen verweer gevoerd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] deze brieven, die naar [e-mail adres] zijn gestuurd, heeft ontvangen. Dit is namelijk het e-mail adres dat [gedaagde] in gebruik heeft, zo blijkt ook uit haar antwoord. Het kan zijn dat [gedaagde] deze e-mails over het hoofd heeft gezien, maar dit valt, hoe vervelend ook, in haar risicosfeer en betekent niet dat zij daarom de rekeningen van [eiseres] niet zou hoeven betalen. De gevorderde hoofdsom wordt dus toegewezen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 48,40 betalen
De incassokosten van € 48,40 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 135,- aan griffierecht, € 86,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 43,-) en € 21,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 388,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 219,48 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 over een bedrag van € 152,13 vanaf 18 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 388,64;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
62574