RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/713199 / JE RK 26-64
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam pleegvader] , hierna te noemen: de pleegvader, wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 13 januari 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder;
-
de pleegvader;
-
een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] verblijft bij de pleegvader.2.3. Bij beschikking van 20 februari 2025 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 20 februari 2026. 2.4. Bij beschikking van 21 november 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 20 februari 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 2 september 2026. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in kamerbewoning binnen het netwerk (de kinderrechter begrijpt hier: in een voorziening voor pleegzorg) te verlengen voor diezelfde periode. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft op de zitting het verzoek. [voornaam minderjarige] ontwikkelt zich positief bij de pleegvader. Hij functioneert goed op school en heeft concrete plannen om met een opleiding te starten. Om deze positieve ontwikkeling te waarborgen, is verlenging van de maatregelen tot aan zijn meerderjarigheid noodzakelijk. Er bestaan nog zorgen over het sociaal-emotionele welzijn van [voornaam minderjarige] in verband met zijn verleden. In de komende periode zal daarom passende hulp worden ingezet, waaronder naar verwachting een jongerencoach. Daarnaast wil de GI de financiële en praktische situatie bij de pleegvader versterken. De huidige constructie met een kamervergoeding is kwetsbaar, aangezien deze vergoeding eindigt bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar. De GI zal daarom onderzoeken of alsnog een pleegzorgvergoeding met pleegzorgbegeleiding mogelijk is, aangezien de pleegvader deze rol voor [voornaam minderjarige] vervult. Dat zal na zijn 18e levensjaar niet anders zijn.
4 De standpunten
De moeder stemt op de zitting in met het verzoek van de GI. De moeder bevindt zich momenteel in een moeilijke situatie. Zij is dakloos en verblijft al langere tijd in een opvang, die zij als onveilig ervaart. Er is in die opvang maar een andere vrouw; verder zijn het allemaal mannen. De moeder ervaart veel stress en merkt dat dit haar mentale en lichamelijke gezondheid aantast. Ondanks dat zij haar best doet om sterk te blijven en actief te zoeken naar oplossingen, ontvangt zij onvoldoende passende hulp. Zij heeft geen urgentie voor woonruimte en ervaart dat zij tussen wal en schip valt. De moeder wil graag dat [voornaam minderjarige] uiteindelijk weer bij haar kan wonen, maar door haar huidige woonsituatie is dat op dit moment helaas niet mogelijk. Zij blijft zich inzetten om haar situatie te verbeteren.
De pleegvader verklaart op de zitting dat [voornaam minderjarige] goed op zijn plek zit. [voornaam minderjarige] loopt momenteel stage en is aangemeld voor een opleiding bij Defensie, waarvoor binnenkort een intake zal plaatsvinden. Naar verwachting zal [voornaam minderjarige] na de start van deze opleiding grotendeels bij de pleegvader blijven wonen. De pleegvader ondersteunt [voornaam minderjarige] waar nodig en wil dit blijven doen. De huidige constructie met kamervergoeding is, gelet op de leeftijd van [voornaam minderjarige] , echter niet wenselijk. Deze is destijds gekozen, omdat er volgens de GI geen alternatieve mogelijkheden waren en het voor de pleegvader anders niet financieel haalbaar was om [voornaam minderjarige] in huis te houden. De pleegvader zou het fijn vinden om pleegzorgbegeleiding te krijgen, ook na [voornaam minderjarige] ’s 18e verjaardag.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding.2
De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, blijkt dat [voornaam minderjarige] zich goed ontwikkelt bij de pleegvader. Hij toont motivatie voor zijn toekomst en heeft zich ingeschreven voor de VEVA-opleiding bij Defensie. Dit zijn positieve stappen, waarvoor [voornaam minderjarige] een compliment verdient. De ontwikkeling is nog wel pril en kwetsbaar. [voornaam minderjarige] heeft in het verleden veel meegemaakt en heeft nog ondersteuning nodig bij het toewerken naar zelfstandigheid. [voornaam minderjarige] en de moeder geven veel om elkaar, maar de moeder bevindt zich in een instabiele en moeilijke situatie. Door het ontbreken van passende huisvesting kan zij momenteel helaas de zorg voor [voornaam minderjarige] niet op zich nemen. Hoewel zij zich inspant om haar omstandigheden te verbeteren, is er op korte termijn geen stabiele thuissituatie voor haar beschikbaar. Bij de pleegvader ervaart [voornaam minderjarige] rust, stabiliteit en veiligheid. De kinderrechter acht voortzetting van zijn verblijf daar daarom in zijn belang. Alle betrokkenen hebben op de zitting ingestemd met het verzoek van de GI.
Ter zitting is niet duidelijk geworden op grond waarvan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in kamerbewoning binnen het netwerk verzoekt. Vanaf het moment dat de Raad voor de Kinderbescherming kinderbeschermende maatregelen voor [voornaam minderjarige] heeft gevraagd is sprake geweest van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegvader, zoals blijkt uit de beschikkingen van 20 februari 2025 en 12 november 2025. In de situatie van [voornaam minderjarige] en de pleegvader is geen wijziging opgetreden. 5.3. Een zorg is hierdoor de situatie na de 18e verjaardag van [voornaam minderjarige] in september 2026. Ter zitting is onduidelijk waarom de pleegvader niet officieel als zodanig is aangemerkt met pleegzorgbegeleiding en een pleegzorgvergoeding, terwijl de situatie van [voornaam minderjarige] overeenkomt met een pleegzorgsituatie en als zodanig is vastgelegd in de beschikkingen. Niet duidelijk is waarom in het verleden gekozen is voor een constructie met een kamervergoeding. [voornaam minderjarige] heeft veel meegemaakt in het verleden. Ook na zijn 18e verjaardag zal hij de begeleiding van zijn pleegvader nodig hebben. Een feit van algemene bekendheid is dat een pleegkind recht heeft op pleegzorg tot 21 jaar. Daarna kan pleegzorg soms worden verlengd tot 23 jaar. Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat hij ook na zijn 18e verjaardag door de pleegvader verzorgd kan blijven worden. De jeugdbeschermer heeft ter zitting toegezegd een en ander uit te zoeken, opdat de voor [voornaam minderjarige] en zijn pleegvader meest passende oplossing wordt gerealiseerd.
Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te verlengen voor een kortere duur dan verzocht, te weten tot 1 juni 2026. De beslissing zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te bepalen zittingsdatum. Op deze wijze kan tussentijds worden bekeken welke structurele oplossing het meest in het belang is van [voornaam minderjarige] op de langere termijn.
De GI wordt verzocht om uiterlijk een week vóór de hierna te noemen
zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder en de pleegvader) te informeren over de stand van zaken op dat moment.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 1 juni 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;en alvorens verder te beslissen:
houdt de verdere behandeling van de zaak aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de moeder en de pleegvader zal plaatsvinden op 20 mei 2026 te 11:30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;
de zaak zal op laatstgenoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de moeder en de pleegvader;
verzoekt de griffie om [voornaam minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek;
verzoekt de GI om uiterlijk een week vóór de genoemde zittingsdatum de
kinderrechter (met afschrift aan de moeder en de pleegvader) de verzochte informatie te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.