RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11702330 CV EXPL 25-11615
datum uitspraak: 11 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. J.B.M. Swart,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,
3. [gedaagde 3] ,
allen zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten, en
4. [gedaagde 4],
wonende te [woonplaats 2] in Spanje,
gedaagden,
die niet in de procedure zijn verschenen.
De partijen worden hierna genoemd: eiser ‘ [eiser] ’, gedaagden 1 tot en met 3 ‘ [gedaagde 1 t/m 3] ’, en gedaagde 4 ‘ [gedaagde 4] ’.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
het proces-verbaal van 6 maart 2026 met de vaststellingsovereenkomst waarmee de procedure tussen [eiser] en (oorspronkelijk medegedaagde) [persoon A] is beëindigd;
-
de rolbeslissing van 6 maart 2026 met de mededeling aan [eiser] dat ten aanzien van [gedaagde 1 t/m 3] en [gedaagde 4] niet de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen zijn en gelegenheid geboden is de gebreken te herstellen met herstelexploten;
-
het openbaar (herstel)exploot van dagvaarding van 26 maart 2026, met bijlagen, waarmee [gedaagde 1 t/m 3] is opgeroepen te verschijnen ter zitting van 15 juli 2026;
-
het (herstel)exploot van dagvaarding van 1 april 2026, met bijlagen, waarmee [gedaagde 4] is opgeroepen te verschijnen ter zitting van 15 juli 2026.
Op genoemde zitting zijn [gedaagde 1 t/m 3] en [gedaagde 4] niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend1.
2 De beoordeling
Kern van de zaak
[eiser] heeft aan [gedaagde 1 t/m 3] verhuurd de woning in de [straatnaam] in [locatie] . Er is een huurachterstand ontstaan. Daarnaast heeft [gedaagde 1 t/m 3] de woning zonder toestemming van [eiser] onderverhuurd aan [persoon A] (hierna: [persoon A] ). Zij heeft in de woning gewoond met haar toenmalige partner [gedaagde 4] .
[eiser] eist - verkort weergegeven en zo de kantonrechter begrijpt - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
A. ten aanzien van [gedaagde 1 t/m 3] :
1. de huurovereenkomst te ontbinden, met veroordeling tot ontruiming van de woning;
2. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van
i. € 12.716,52 aan huurachterstand tot en met mei 2025;
ii. € 510,64 per maand aan huur / gebruiksvergoeding vanaf 1 juni 2025 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, met rente;
iii. de proceskosten, met rente;
ten aanzien van [gedaagde 4] (voorwaardelijk, bij ontbinding van de hoofdhuurovereenkomst):
1. te verklaren voor recht dat de op grond van artikel 7:269 BW voortgezette huurovereenkomst op de datum van dit vonnis is beëindigd of deze huurovereenkomst te beëindigen, met veroordeling tot ontruiming van de woning;
2. te veroordelen in de proceskosten, met rente.
De eisen tegen [gedaagde 1 t/m 3] worden toegewezen, die tegen [gedaagde 4] niet
De kantonrechter wijst de eisen tegen [gedaagde 1 t/m 3] toe, omdat die niet onrechtmatig of ongegrond lijken. De eis tegen [gedaagde 4] wordt afgewezen, omdat die ongegrond lijkt. Dit laatste om de volgende reden.
De ontbinding van de hoofdhuurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1 t/m 3] leidt niet tot een voortgezette huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 4] op de voet van artikel 7:269 lid 1 BW. De reden hiervoor is dat niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde 4] op dit moment als onderhuurder hoofdverblijf heeft in de woning. Uit de stukken blijkt dat de relatie tussen [persoon A] - die oorspronkelijk ook gedagvaard was, maar naar aanleiding van die dagvaarding een regeling getroffen heeft - en [gedaagde 4] al beëindigd was. De procedure tegen [persoon A] is beëindigd met een vaststellingsovereenkomst, waarin onder meer de afspraak is opgenomen dat zij op 16 januari 2026 de woning verlaat (met de haren) en deze bezemschoon achterlaat met inlevering van de sleutels. [eiser] heeft op 1 april 2026 een (herstel)exploot uitgebracht aan [gedaagde 4] in Spanje, waar [gedaagde 4] kennelijk woont. Ook hieruit volgt dat hij geen hoofdverblijf (meer) had in de woning in [locatie]. Een en ander tezamen genomen duidt er dus op dat [gedaagde 4] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. De vordering wordt daarom als onvoldoende gegrond afgewezen.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1 t/m 3] , omdat hij ongelijk krijgt2. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1 t/m 3] aan [eiser] moet betalen op € 149,37 aan dagvaardingskosten (het herstelexploot), € 732,- aan griffierecht, € 432,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.457,39. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Van de oorspronkelijke dagvaarding worden de kosten niet vergoed, omdat het een gebrekkig exploot is. De kosten van de beslaglegging worden niet vergoed, omdat die kosten niet geëist zijn in het herstelexploot.
Hoofdelijke veroordeling
[gedaagde 1 t/m 3] wordt hoofdelijk veroordeeld. Dat betekent dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] ieder voor het geheel van de toe te wijzen bedragen kunnen worden aangesproken en dat als de één betaalt, de ander is bevrijd, met de mogelijkheid van verhaal op de medeschuldenaar. De reden is dat zij op grond van de wet hoofdelijk verbonden zijn tot betaling van de huur en de proceskosten.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard3, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde 1 t/m 3] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen € 12.716,52 aan huurachterstand tot en met de maand mei 2025, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de verschillende huurbedragen, die geleid hebben tot dit bedrag, vanaf de data waarop de huurbedragen opeisbaar zijn geworden tot de dag dat volledig is betaald;
ontbindt de huurovereenkomst tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] anderzijds en veroordeelt hen als huurders om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning in de [straatnaam] in [locatie] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hen bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] hoofdelijk om vanaf 1 juni 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiser] te betalen € 510,64 per maand, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de data waarop het bedrag van € 510,64 steeds opeisbaar is geworden tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.457,39 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
465