ECLI:NL:RBROT:2026:13900

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/10/724934 / KG ZA - 26-875
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen voormalig maten over schending relatiebeding uit Maatschapsovereenkomst. De voorzieningenrechter verklaart zich gedeeltelijk onbevoegd vanwege overeengekomen arbitraal beding. Alle vorderingen tegen de andere twee gedaagden in de hoofdzaak worden afgewezen, omdat het in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om voorlopige voorzieningen te rechtvaardigen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/724934 / KG ZA 26-875

Vonnis in kort geding van 29 september 2026

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,2. [eiser 2],

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,3. [eiser 3],

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,4. [eiser 4],

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,5. [eiser 5],

gevestigd te [vestigingsplaats 4] ,

eisende partijen,

hierna gezamenlijk te noemen: de Maatschap,

advocaat: mr. V.P. Melens,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,3. [gedaagde 3] .,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde partijen,

hierna gezamenlijk te noemen: gedaagden,

advocaat: mr. J. van der Steenhoven.

1 De zaak in het kort

In deze zaak is de vraag aan de orde of [gedaagde 1] het relatiebeding uit de Maatschapsovereenkomst met de Maatschap heeft geschonden en/of [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onrechtmatig jegens de Maatschap hebben gehandeld door te profiteren van deze wanprestatie. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen tegen [gedaagde 1] kennis te nemen vanwege het overeengekomen arbitraal beding in de Vaststellingsovereenkomst tussen de Maatschap en [gedaagde 1] . Alle vorderingen in de hoofdzaak tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden afgewezen. Slechts op één punt is aannemelijk dat is gehandeld in strijd met het relatiebeding en dat is in de gegeven omstandigheden onvoldoende om voorlopige voorzieningen te rechtvaardigen. Deze beslissingen worden als volgt toegelicht.

2 De procedure

2.1.

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 27 augustus 2026, met producties 1 tot en met 17;

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 1022c Rv, met producties 1 en 2;

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met producties 3 tot en met 8;- de producties 18 tot en met 28 van de Maatschap;- de producties 9 en 10 van gedaagden;- de pleitnota van mr. Melens; - de pleitnota van mr. Van der Steenhoven.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 15 september 2026 plaatsgevonden.

3 De feiten

3.1.

De Maatschap is een maatschap van registeraccountants, fiscalisten en adviseurs.

3.2.

Gedaagde sub 1, [gedaagde 1] , houdt zich bezig met belastingadvies. [gedaagde 2] is (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] , sinds kort samen met mevrouw [persoon A] . [gedaagde 2] is enig bestuurder van de op 6 januari 2026 opgerichte vennootschap [gedaagde 3] .

3.3.

[gedaagde 1] was tot 1 januari 2026 als maat verbonden aan de Maatschap. De rechtsverhouding tussen de maten is vastgelegd in een maatschapsovereenkomst. In deze overeenkomst hebben de maten onder andere het volgende afgesproken:

“Relatiebeding

Artikel 18.

Het is iedere Maat verboden om, zonder de uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van de Maatschap, tijdens het lid zijn van de Maatschap en binnen een tijdvak van 5 jaren, na beëindiging daarvan, om welke reden dan ook, op enigerlei wijze, hetzij direct of indirect

1. de ondernemingen of relaties die tot de directe relaties afnemers de Maatschap en/of van diens rechtsopvolger en/of daaraan gelieerde ondernemingen konden worden gerekend, te benaderen, reclame te maken dan wel onder hen te werven, met de kennelijke bedoeling met hen direct of indirect in de uitoefening van beroep of bedrijf een overeenkomst aan te gaan.

2. al dan niet voor eigen rekening, dan wel in dienst van een ander, opdrachten te aanvaarden van c.q. werkzaamheden te verrichten voor relaties en opdrachtgevers die ten tijde van het lid zijn van de Maatschap tot de directe relaties en opdrachtgevers van de Maatschap of diens rechtsopvolger en/of daaraan gelieerde ondernemingen konden worden gerekend.

3. bij relaties en/of opdrachtgevers van de Maatschap, alsmede bij bedrijven of personen die nauw verbonden zijn met relaties en/of opdrachtgevers van de Maatschap in dienst te treden.

4. personeel van de Maatschap – alle vestigingen van de Maatschap daaronder begrepen – ertoe te bewegen in dienst te treden bij de Maat dan wel bij een werkgever die een onderneming drijft gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van de Maatschap.

Onder relaties en/of opdrachtgevers van de Maatschap, zoals bedoeld in dit artikel worden tevens verstaan de

potentiële relaties en/of opdrachtgevers waarmee de Maatschap onderhandelingen voert of heeft gevoerd omtrent

mogelijke toekomstige opdrachten.

Bij overtreding van de vermelde verboden verbeurt de Maat ten behoeve van de Maatschap een, zonder nadere sommatie of ingebrekestelling, onmiddellijk opeisbare, niet voor verrekening vatbare boete ten bedrage van

€ 25.000 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de Maatschap om van Maat volledige schadevergoeding te vorderen.(..)”

3.4.

Ten behoeve van het uittreden van [gedaagde 1] uit de Maatschap hebben zij een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende staat:

“7. Concurrente- relatie- en anti-ronselbeding

(..)

7.2

Het relatie- en/of anti-ronselbeding zoals opgenomen in artikel 18 van de Maatschapsovereenkomst blijft onverminderd van kracht met dien verstande dat het tijdvak wordt aangepast naar de duur van drie (3) jaar (in plaats van vijf (5) jaar) te rekenen vanaf 1 januari 2026. Voor zover nodig geldt het relatie- en/of anti-ronselbeding - onder meer jegens [persoon B] - als derdenbeding.

(..)

13. Toepasselijk recht, bevoegde rechter

(..)

13.2

Alle geschillen die ter zake van deze Vaststellingsovereenkomst of van andere daarmee in verband staande overeenkomsten of reglementen of de uitlegging daarvan mochten ontstaan, worden uitsluitend beslecht door drie scheidslieden, die als goede mannen naar billijkheid zullen oordelen in overeenstemming met het NAI Arbitragereglement.(..)”

3.5.

Van 1 januari 2026 tot medio dit jaar is [gedaagde 1] (althans [gedaagde 2] ) conform afspraak tussen partijen werkzaam gebleven voor de Maatschap.

3.6.

De Maatschap heeft [gedaagde 1] op 17 juli 2026 op het relatiebeding gewezen en haar verzocht om geen klanten van de Maatschap te benaderen, geen opdrachten van hen te aanvaarden of werkzaamheden te verrichten voor eigen rekening of in dienst van een ander.

3.7.

De advocaat van de Maatschap heeft [gedaagde 1] op 31 juli 2026 gesommeerd om € 100.000,- aan verbeurde contractuele boetes te voldoen en om iedere overtreding van artikel 18 van de Maatschapsovereenkomst te staken en gestaakt te houden.

4 Het geschil

4.1.

De Maatschap vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat weergegeven:

I. gedaagden, ieder afzonderlijk, te verbieden om, met ingang van de dag van betekening van dit vonnis tot en met 31 december 2028, zonder uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van de Maatschap, op enigerlei wijze, direct of indirect, al dan niet voor eigen rekening dan wel in dienst van of door tussenkomst van een ander:

a. de ondernemingen en relaties die tot de directe relaties en opdrachtgevers van de Maatschap en/of van daaraan gelieerde ondernemingen konden worden gerekend – daaronder begrepen de potentiële relaties en opdrachtgevers waarmee de Maatschap onderhandelingen voert of heeft gevoerd omtrent mogelijke toekomstige opdrachten – te benaderen, jegens hen reclame te maken dan wel onder hen te werven met de kennelijke bedoeling met hen direct of indirect in de uitoefening van beroep of bedrijf een overeenkomst aan te gaan; en/of

b. opdrachten te aanvaarden van, dan wel werkzaamheden te verrichten voor, voormelde relaties en opdrachtgevers;

met dien verstande dat tot voormelde relaties en opdrachtgevers in elk geval behoren: (i) [holding x] GmbH, de heer [persoon C] en de met hen

verbonden (rechts)personen; (ii) de heer [persoon D] , [bedrijf X] . en de met hen verbonden (rechts)personen; en (iii) [persoon E] , [bedrijf Y] en de met hen verbonden (rechts)personen;

II. gedaagden, ieder afzonderlijk, te gebieden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaat van de Maatschap een volledige, schriftelijke en door of namens hen ondertekende opgave te verstrekken van alle relaties en opdrachtgevers van de Maatschap - daaronder begrepen de in artikel 18 van de Maatschapsovereenkomst bedoelde potentiële relaties - die zij sinds 1 januari 2026 direct of indirect hebben benaderd, van wie zij opdrachten hebben aanvaard of

voor wie zij werkzaamheden hebben verricht, onder vermelding per relatie van: (a) de naam van de relatie; (b) de datum en de wijze van het contact; (c) de tot stand gekomen dan wel in onderhandeling zijnde overeenkomsten; en (d) de daarmee gemoeide vergoedingen, telkens vergezeld van een afschrift van de desbetreffende

opdrachtbevestiging, engagement letter en/of volmacht;

III. gedaagden, ieder afzonderlijk, te gebieden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis iedere in strijd met artikel 18 van de Maatschapsovereenkomst tot stand gekomen overeenkomst met de hiervoor onder I, (i) tot en met (iii), genoemde relaties te beëindigen dan wel daaraan geen (verdere) uitvoering te geven, en de betrokken relaties daarover schriftelijk te berichten;

IV. te bepalen dat ieder van gedaagden aan de Maatschap een dwangsom verbeurt

voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij in gebreke blijft geheel te voldoen aan het onder II. en/of III. gevorderde gebod;

V. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met

de wettelijke rente.

4.2.

Gedaagden hebben een incident opgeworpen. Daarin vorderen zij dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart in de vorderingen van de Maatschap tegen [gedaagde 1] , omdat zij in de Vaststellingsovereenkomst een arbitragebeding zijn overeengekomen en niet is voldaan aan de uitzondering in artikel 1022c Rv. Gedaagden vorderen de Maatschap te veroordelen in de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.3.

De Maatschap voert gemotiveerd verweer tegen de gevorderde onbevoegdverklaring.

4.4.

Gedaagden voeren verweer in de hoofdzaak en concluderen primair tot afwijzing van de vorderingen van de Maatschap, subsidiair tot het beperken van de voorzieningen en afwijzing dan wel matigingen en maximering van de dwangsommen, met veroordeling van de Maatschap in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5 De beoordeling

in het incident

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde 1]

5.1.

Gedaagden stellen dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd moet verklaren in verband met het arbitraal beding in de Vaststellingsovereenkomst. Op grond van artikel 1022a Rv belet een overeenkomst tot arbitrage niet dat een partij zich wendt tot de voorzieningenrechter van de rechtbank overeenkomstig artikel 254 Rv. Als de gedaagde zich vóór alle weren op het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage beroept, mag de rechter zich uitsluitend bevoegd verklaren indien de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen (artikel 1022c Rv). Het gaat erom of de benodigde voorziening bij het scheidsgerecht überhaupt kan worden verkregen en zo ja, of die zo snel kan worden verkregen als noodzakelijk is in het licht van het belang van de partij die erom vraagt.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 1] gebonden is aan de Vaststellingsovereenkomst en dus ook aan het arbitragebeding. De voorzieningenrechter constateert dat de vordering op [gedaagde 1] is gebaseerd op overtreding van het relatiebeding dat is opgenomen in de Maatschapsovereenkomst en in de Vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk van toepassing is verklaard. Het gaat hier dus om een vordering “ter zake van deze Vaststellingsovereenkomst” als bedoeld in artikel 13 daarvan. Daarom zijn in beginsel arbiters bevoegd.

5.3.

De Maatschap stelt zich echter op het standpunt dat de voorzieningenrechter bevoegd is, omdat de vorderingen jegens [gedaagde 1] primair gegrond zijn op onrechtmatige daad en niet op nakoming van de Vaststellingsovereenkomst. Dit standpunt faalt. Dat het handelen van [gedaagde 1] onder omstandigheden ook onrechtmatig kan zijn, doet er niet aan af dat in dit kort geding moet worden beoordeeld of [gedaagde 1] het relatiebeding uit de Vaststellingsovereenkomst heeft overtreden. Aan de werking van een in een overeenkomst opgenomen arbitragebeding kan niet worden ontkomen door de vermeende tekortkoming te kwalificeren als onrechtmatige daad.

5.4.

Dit betekent dat de voorzieningenrechtrechter alleen bevoegd is om van de vorderingen tegen [gedaagde 1] kennis te nemen als de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen. Niet in geschil is dat uit het NAI Arbitragereglement 2024 volgt dat in spoedeisende zaken waarin een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt verlangd, een daartoe samengesteld scheidsgerecht een voorlopige voorziening kan treffen. Dit betekent dat de Maatschap alle in deze procedure ingestelde vorderingen tegen [gedaagde 1] ook bij voorlopige voorziening in arbitrage kan instellen. Dan resteert enkel nog de vraag of de voorziening tijdig kan worden verkregen in arbitrage. Volgens de Maatschap is dit niet het geval vanwege de veelvoud aan verhinderdata van gedaagden, in combinatie met de beschikbaarheid van de Maatschap, haar advocaat en de nog te benoemen arbiter. Dit leidt er volgens haar toe dat behandeling in arbitrage op korte termijn feitelijk is uitgesloten. De voorzieningenrechter overweegt dat het enkele gegeven dat de vorderingen in arbitrage wellicht later op zitting kunnen worden behandeld dan bij de voorzieningenrechter, zoals de Maatschap betoogt, nog niet maakt dat de voorziening niet tijdig kan worden verkregen. Tijdigheid in deze zin is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval is niet gebleken dat een mogelijk iets groter tijdsverloop onherstelbare gevolgen zal hebben, zoals bijvoorbeeld in het geval een fatale termijn dreigt te verstrijken. Daar komt bij dat de Maatschap zelf veel tijd heeft laten verstrijken. Dit kort geding is immers een maand voor de zitting aangevraagd en ter zitting heeft de Maatschap aangevoerd dat zij in die tussentijd nog geen procedure aanhangig heeft gemaakt bij het NAI, hoewel zij al wist dat [gedaagde 1] zich op het arbitrale beding zou beroepen. In zoverre komt het tijdsverloop grotendeels voor risico van de Maatschap.

5.5.

In het licht van al het voorgaande verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd om van de vorderingen tegen [gedaagde 1] kennis te nemen.

in de hoofdzaak

5.6.

Nu de voorzieningenrechter onbevoegd is om van de vorderingen tegen [gedaagde 1] kennis te nemen, gaat het in de hoofdzaak om de vraag of [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onrechtmatig jegens de Maatschap hebben gehandeld. Dat onrechtmatige handelen bestaat er volgens de Maatschap uit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben geprofiteerd van de wanprestatie die [gedaagde 1] jegens de Maatschap heeft gepleegd door het relatiebeding te overtreden. Over die kwestie (overtreding van het relatiebeding) zullen arbiters moeten oordelen. Om de vordering op [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te kunnen beoordelen moet de voorzieningenrechter zich dus een voorlopig oordeel vormen over de te verwachten uitkomst van de procedure bij de arbiters over het handelen van [gedaagde 1] . Als aannemelijk is dat arbiters tot het oordeel komen dat [gedaagde 1] het relatiebeding heeft overtreden, komt de vraag aan de orde of [gedaagde 2] en [gedaagde 3] daarvan hebben geprofiteerd op een wijze die onrechtmatig is en, zo ja, of de wederzijdse belangen meebrengen dat tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een voorlopige voorziening getroffen moet worden.

Het is op een enkel punt aannemelijk dat [gedaagde 1] het relatiebeding heeft geschonden

5.7.

Het is [gedaagde 1] op grond van het relatiebeding onder meer verboden om “op enigerlei wijze, hetzij direct of indirect” opdrachten te aanvaarden en/of werkzaamheden te verrichten voor directe relaties en opdrachtgevers van de Maatschap. [gedaagde 2] is bestuurder van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 3] . [gedaagde 2] is ook degene die als fiscalist in feitelijke zin binnen de Maatschap werkzaam was. Een redelijke uitleg van het relatiebeding brengt daarom mee dat handelen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] met betrekking tot relaties van de Maatschap moet worden beschouwd als het “op enigerlei wijze, hetzij direct of indirect” handelen van [gedaagde 1] in de zin van het relatiebeding.

5.8.

De gestelde overtreding van het relatiebeding heeft volgens de Maatschap betrekking op verschillende van haar relaties. Deze komen hierna aan de orde, waarbij – gelet op het voorgaande – dus niet van belang is of [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] of [gedaagde 3] betrokken zijn. Het gaat om de volgende gevallen:

  • Ten aanzien van [bedrijf X] ., de heer [persoon D] en mevrouw [persoon F] is aannemelijk dat [gedaagde 3] in juli 2026 opdrachten van hen heeft aanvaard. Uit productie 11 volgt immers dat mevrouw [persoon F] een volmacht heeft verstrekt aan [gedaagde 2] , volgens de volmacht belastingadviseur bij [gedaagde 2] fiscaal. [gedaagde 2] fiscaal is een handelsnaam van [gedaagde 3] . Ter zitting is gebleken dat ook [bedrijf X] . een zelfde volmacht heeft verstrekt. Dat [gedaagde 3] deze twee opdrachten heeft aanvaard terwijl [bedrijf X] . onbetwist een klant is van de Maatschap, maakt naar voorlopig oordeel dat artikel 18 lid 2 van het relatiebeding is overtreden. Gelet op het hiervoor overwogene in 5.7. betekent dit dat (aannemelijk is dat) [gedaagde 1] het relatiebeding heeft overtreden.

  • Hoewel [gedaagde 3] betwist dat zij een opdracht heeft aanvaard van [holding Y] ., heeft de Maatschap voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde 3] werkzaamheden voor deze entiteit (die gelieerd is aan de [naam groep] ) heeft verricht. Op 14 augustus 2026 e-mailt [gedaagde 2] vanaf zijn nieuwe e-mailadres immers naar deze klant: “bij het indienen van het bezwaar tegen de aanslag 2022 van [holding Y] heb ik zekerheidshalve ook om uitstel gevraagd van betaling voor de belastingschuld”. Aannemelijk is dan ook dat [gedaagde 3] ook een opdracht heeft aanvaard van [holding Y] . en dat deze vennootschap [gedaagde 3] gevolmachtigd heeft. Deze vennootschap is eveneens onbetwist een klant van de Maatschap, waardoor aannemelijk is dat [gedaagde 1] ook ten aanzien van deze klant het relatiebeding heeft overtreden.

  • Ten aanzien van [bedrijf Z] . is niet aannemelijk geworden dat het relatiebeding is overtreden. Die klant heeft per e-mail aangegeven dat zij voor de boekhouding bij de Maatschap wil blijven en juridisch advies bij [gedaagde 2] en zijn nieuwe entiteit wil afnemen. Hieruit blijkt echter niet dat [gedaagde 2] contact heeft gehad met deze klant en reclame heeft gemaakt met de kennelijke bedoeling overeenkomsten aan te gaan vanuit zijn nieuwe entiteit, zoals de Maatschap stelt. Het is immers mogelijk dat deze klant uit eigen beweging en/of naar aanleiding van de e-mail die naar de klanten is gestuurd waarin de klanten zijn geïnformeerd over het vertrek van [gedaagde 2] bij de Maatschap, wil overstappen naar [gedaagde 3] .

  • De Maatschap stelt dat het relatiebeding ten aanzien van een grote klant van haar, de groep [persoon E] , heeft overtreden door op 14 juli 2026 zonder overleg en op eigen initiatief een bespreking te voeren met de directeuren van [persoon E] . Volgens de Maatschap heeft [gedaagde 2] [persoon E] benaderd met als doel om een opdracht aan te gaan, wat in strijd is met artikel 18 lid 1 van het relatiebeding. Gelet op het verweer van [gedaagde 2] kan in dit kort geding niet worden vastgesteld of het relatiebeding is overtreden. [gedaagde 2] voert als verweer aan dat het contact met [persoon E] plaatsvond tegen de achtergrond van lopende werkzaamheden en de overdracht daarvan. [persoon E] heeft [gedaagde 2] gevraagd hem te helpen bij de zoektocht naar een nieuwe CFO en de bespreking op 14 juli 2026 vond in dat kader plaats, aldus [gedaagde 2] . Zonder nadere bewijslevering, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, kan niet worden vastgesteld wie op dit punt het gelijk aan haar zijde. De aangevoerde omstandigheden zijn dus onvoldoende om de aannemelijkheid van een overtreding te kunnen vaststellen.

  • De Maatschap stelt dat [gedaagde 2] een e-mail heeft gestuurd naar de heer [persoon C] van [holding x] , een relatie van de Maatschap, voor het maken van reclame voor zijn nieuwe onderneming met het kennelijke doel om een overeenkomst aan te gaan. Naar voorlopig oordeel is op dit punt het relatiebeding niet overtreden. Het enkele feit dat [gedaagde 2] deze relatie heeft laten weten op welke wijze hij na zijn vertrek bij de Maatschap te bereiken is, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat het relatiebeding is overtreden. De voorzieningenrechter wijst erop dat partijen geen contactverbod zijn overeengekomen. Het voorgaande geldt ook voor [notariskantoor] , via welk kantoor kennelijk af en toe cliënten van de Maatschap werden geworven.

  • [notaris/advocatenkantoor] is (ook) een kantoor dat regelmatig klanten naar de Maatschap verwijst. Die klanten kunnen onder het bereik van het relatiebeding vallen, aldus de Maatschap. Op 18 juni 2026 verwijst [notaris/advocatenkantoor] een potentiële nieuwe klant door naar de Maatschap, geadresseerd aan [gedaagde 2] . In plaats van dat [gedaagde 2] die e-mail intern doorstuurt binnen de Maatschap, stuurt [gedaagde 2] de verwijzing door naar zijn privé e-mailadres met de kennelijke bedoeling om deze potentiële relatie mee te nemen, aldus de Maatschap. [gedaagde 2] stelt dat de betreffende potentiële relatie (DCM) geen relatie van de Maatschap is en het relatiebeding daardoor niet is geschonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat op dit punt het relatiebeding is overtreden. [gedaagde 2] heeft onbetwist gesteld dat DCM voorheen geen relatie van de Maatschap was. Ook kan niet zonder meer worden aangenomen dat het hier gaat om een “potentiële relatie” als bedoeld in het relatiebeding, omdat niet gebleken is dat de Maatschap al met DCM in onderhandeling was.

5.9.

Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat arbiters tot het oordeel zullen komen dat [gedaagde 1] ten aanzien van één relatie het relatiebeding heeft overtreden. Het betreft de [naam groep] ., waartoe [holding Y] ook behoort. Op de andere punten is een overtreding van het relatiebeding niet aannemelijk geworden.

Het belang van de Maatschap bij een voorlopige voorziening is onvoldoende

5.10.

Van de aan de vordering ten grondslag gelegde verwijten aan het adres van gedaagden blijft bij de huidige stand van zaken dus slechts één over. Dat is een magere basis om te rechtvaardigen dat allerlei voorzieningen worden getroffen, zelfs als aangenomen zou moeten worden dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] van die overtreding hebben geprofiteerd op een wijze die onrechtmatig is. Voor de vordering onder II. (opgave van contacten) en III. (rectificatiebericht) is deze ene aannemelijke overtreding onvoldoende. Dat geldt te meer, nu gedaagden zelf al aan de [naam groep] hebben laten weten voorlopig geen werkzaamheden te kunnen verrichten zolang de kwestie van (overtreding van het) relatiebeding nog boven de markt hangt. Bij de vordering onder I. (verbod om het relatiebeding te overtreden) heeft de Maatschap bij de huidige stand van zaken ook onvoldoende belang, mede omdat dit verbod inclusief financiële sanctie in de vorm van een boete voor [gedaagde 1] ook nu al geldt.

5.11.

Het voorgaande betekent dat alle vorderingen van de Maatschap in de hoofdzaak worden afgewezen.

De Maatschap wordt veroordeeld in de proceskosten

5.12.

De Maatschap krijgt in het incident en in de hoofdzaak ongelijk. De Maatschap moet om die reden de proceskosten van gedaagden (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

5.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

6.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen tegen [gedaagde 1] kennis te nemen,

in de hoofdzaak

6.2.

wijst alle vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] af,

in het incident en in de hoofzaak

6.3.

veroordeelt de Maatschap in de proceskosten van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,

6.4.

veroordeelt de Maatschap tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

3608/1980

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »