ECLI:NL:RBROT:2026:13499

Datum uitspraak
05-10-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12073073 VZ VERZ 26-283
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Verzoek tweede verlenging ontruimingstermijn 7:230a BW afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12073073 VZ VERZ 26-283

datum uitspraak: 5 oktober 2026

Beschikking van de kantonrechter

in de zaak van

[verzoekster] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1],

verzoekster,

gemachtigde: mr. T.C. Reintjes,

tegen

[verweerster] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2],

verweerster,

gemachtigden: mr. J.E.C. Reuser (-Wilkens) en de heer [gemachtigde].

De partijen worden hierna ‘[verzoekster]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift (ontvangen op 27 januari 2026), met bijlagen 1 t/m 9;

  • aanvullende bijlagen 11 t/m 19 van [verzoekster];

  • het verweerschrift, met bijlagen 1 t/m 36;

  • de spreekaantekeningen van mr. Reintjes.

1.2.

Op 7 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:

  • van [verzoekster] de heer [persoon A] (bestuurder) en de heer [persoon B] (medewerker) met mr. Reintjes;

  • van [verweerster] de heer [persoon C] (bestuurder) met mr. N. van Collem en de heer [gemachtigde];

  • mevrouw [persoon D] (directeur Legal van [bedrijf A]) en mevrouw [persoon E] (van [bedrijf A]).

2 De beoordeling

Wat is er gebeurd?

2.1.

Verhuurder [verweerster] heeft de huurovereenkomst met huurder [verzoekster] voor de ruimte aan de [straatnaam] in [locatie] eind november 2024 opgezegd en de ontruiming aangezegd tegen 28 februari 2025. [verzoekster] was het daar niet mee eens en is een procedure tegen [verweerster] gestart. De uitkomst was dat de ontruimingstermijn ex artikel 7:230a BW is verlengd tot en met 28 februari 2026 en dat de gebruiksvergoeding is bepaald op een bedrag gelijk aan de overeengekomen en gedurende de huurrelatie geïndexeerde huurprijs ter hoogte van € 8.001,06 per maand. Ondertussen is die termijn verstreken en beschikt [verzoekster] niet over vervangende ruimte.

Waar gaat de zaak over?

2.2.

[verzoekster] verzoekt de ontruimingstermijn nogmaals te verlengen en wel tot en met 28 februari 2027 en de gebruiksvergoeding te bepalen op een bedrag gelijk aan de overeengekomen huur. [verweerster] voert geen verweer tegen verlenging tot 1 september 2026 omdat [verzoekster] de ruimte in ieder geval tot die datum in gebruik zal hebben. [verweerster] verzet zich wel tegen verdere verlenging. Daarnaast vraagt [verweerster] [verzoekster] te veroordelen om een gebruiksvergoeding van € 21.025,- ex btw per maand te betalen vanaf 1 maart 2026 totdat de ontruiming plaatsvindt, onder aftrek van hetgeen [verzoekster] over die periode al heeft betaald aan gebruiksvergoeding.

De ontruimingstermijn wordt niet verlengd

2.3.

Het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen, omdat de belangen van [verzoekster] bij ontruiming niet ernstiger worden geschaad dan de belangen van [verweerster] bij voortgezet gebruik door [verzoekster] (artikel 7:230a lid 4 BW). Hierna wordt uitgelegd waarom.

2.3.1.

[verzoekster] stelt dat het voortbestaan van haar onderneming en de werkgelegenheid voor haar werknemers afhankelijk is van het vinden van vervangende ruimte dan wel het verlengen van de ontruimingstermijn totdat dat is gebeurd. Uit het dossier en het partijdebat volgt dat [verzoekster] haar pijlen vanaf april 2025 vrijwel alleen heeft gericht op het huren van één specifieke ruimte, waarvan [verweerster] gemotiveerd heeft gesteld dat dit gezien de financiële positie van [verzoekster] en de afwijzende reactie(s) van de eigenaar van die ruimte in een vroeg stadium simpelweg niet realistisch was. In juni 2026 is dat traject dan gesloten, maar [verzoekster] herhaalt op de zitting dat die locatie de beste mogelijkheid biedt om haar onderneming voort te zetten en dat zij in een parallel traject blijft inzetten op het huren van die ruimte. Hoewel [verzoekster] stelt dat zij ook actief zoekt naar andere vervangende ruimte, kan uit het dossier niet worden afgeleid dat zij dat heeft gedaan. Die acties zijn pas van juli, augustus en begin september 2026 en bovendien blijkt niet dat meer is gedaan dan alleen informatie opvragen, het aanschrijven van een makelaar en vragen om bezichtigingen in te plannen. De kantonrechter volgt [verweerster] dan ook in haar stelling dat [verzoekster] nauwelijks serieuze pogingen heeft ondernomen om vervangende ruimte te huren. [verzoekster] heeft daar inmiddels wel bijna twee jaar de tijd voor gehad, mede omdat het door haar ingediende verzoek voor een tweede verlenging van de ontruimingstermijn haar verplichting tot ontruiming heeft geschorst.

2.3.2.

Hoewel [verzoekster] stelt dat er omstandigheden zijn buiten haar om waardoor [verweerster] nog geen uitvoering kan geven aan haar herontwikkelingsplannen waar de ruimte aan de [straatnaam] onderdeel van is, stelt en onderbouwt [verweerster] dat zij die ruimte nodig heeft voor verhuur aan [bedrijf A] en dat de aanwezigheid van [verzoekster] in die ruimte nog het enige obstakel is voor het uitvoeren van de plannen. De belangen van [bedrijf A] als derde worden niet meegenomen in de belangenafweging, maar [verweerster] heeft als grooteigenaar van vastgoed aan de [straatnaam] wel belang bij de vestiging van [bedrijf A] aan de [straatnaam] vanwege de functie van publiekstrekker voor de straat. De huidige vestiging van [bedrijf A] aan de [straatnaam] is echter gesloten en een nieuwe zal niet eerder kunnen worden geopend dan na uitvoering van de plannen van [verweerster]. Dat die plannen concreet zijn en in de spreekwoordelijke startblokken staan, heeft [verweerster] voldoende onderbouwd. Na uitvoering zal het rendement van [verweerster] significant stijgen. Bij verder uitstel zullen de bouwkosten stijgen en zal het nettoverlies dat [verweerster] lijdt door voortgezet gebruik van de ruimte door [verzoekster] voortduren.

2.3.3.

In deze omstandigheden valt de belangenafweging uit in het nadeel van [verzoekster].

2.4.

De kantonrechter stelt het tijdstip van ontruiming vast op 1 december 2026 (artikel 7:230a lid 7 BW).

2.5.

Omdat het verzoek voor een tweede verlenging van de ontruimingstermijn wordt afgewezen, komt de kantonrechter niet toe aan het vaststellen van de hoogte van een gebruiksvergoeding over die termijn (artikel 7:230a lid 6 BW).

[verzoekster] moet de proceskosten betalen

2.6.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster], omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoekster] aan [verweerster] moet betalen op € 576,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 720,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad

2.7.

Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

stelt het tijdstip van ontruiming van de ruimte aan de [straatnaam] in [locatie] vast op 1 december 2026;

3.2.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, die aan de kant van [verweerster] worden begroot op € 720,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;

3.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het andere af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

34286

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »