ECLI:NL:RBROT:2026:13422

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
12351484 VV EXPL 26-491
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woning toegewezen omdat gedaagde niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning, zijn woning in gebruik geeft aan derden en een huurachterstand heeft laten ontstaan. Betaling huurachterstand ook toegewezen maar de rente wordt afgewezen wegens een oneerlijk boetebeding.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12351484 VV EXPL 26-491

datum uitspraak: 7 oktober 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

Stichting Waterweg Wonen,

vestigingsplaats: Vlaardingen,

eiseres,

gemachtigde: mr. S.E. Roeters van Lennep,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [plaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.R. de Kok.

Partijen worden hierna ‘Waterweg Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding, met bijlagen;

  • de aanvullende producties 28 tot en met 32 van Waterweg Wonen;

  • de producties 1 en 2 van [gedaagde] .

1.2.

Op 23 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] huurt sinds 29 oktober 2024 van Waterweg Wonen de sociale huurwoning aan de [adres] in Vlaardingen (hierna: de woning). Partijen hebben bij aanvang van de huur een zogeheten ‘Pluscontract’ gesloten, waarin specifieke afspraken zijn vastgelegd over verplichte begeleiding, tijdige huurbetaling en het uitsluiten van een ‘tweede kans’ bij het niet nakomen van de afspraken. Volgens Waterweg Wonen heeft [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning, laat hij derden de woning gebruiken en is er een huurachterstand die tot en met 30 september 2026 € 2.628,63 bedraagt. Zij eist daarom dat hij de woning ontruimt, de huurachterstand betaalt met rente en de lopende huur betaalt tot aan de ontruiming. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij betwist het spoedeisend belang en voert aan dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf in de woning heeft.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen grotendeels worden toegewezen. [gedaagde] moet de woning verlaten en de huurachterstand, zonder rente, betalen. Hierna wordt deze beslissing verder uitgelegd.

Het beoordelingskader

3.2.

Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Waterweg Wonen heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.

Spoedeisend belang

3.3.

Het spoedeisend belang bij de vorderingen vloeit voort uit de aard van de zaak. Het gaat hier om een schaarse sociale huurwoning waar een lange wachtlijst voor is. Daarnaast heeft Waterweg Wonen toegelicht dat de huurachterstand sinds de dagvaarding in de bodemprocedure verder oploopt en dat er sprake is van klachten uit de buurt over overlast en een onveiligheidsgevoel. Het verweer van [gedaagde] dat Waterweg Wonen de bodemprocedure kan afwachten, slaagt dan ook niet.

Huurachterstand

3.4.

Vaststaat dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan van thans € 2.628,63. Dat is een achterstand van meer dan drie maanden en een dergelijke achterstand rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst. Dat [gedaagde] een betalingsregeling heeft aangeboden die door Waterweg Wonen is geweigerd, ontslaat hem niet van zijn betalingsverplichting. Waterweg Wonen was, mede gelet op de afspraken in het Pluscontract waarin is opgenomen dat bij niet-nakoming van de afspraken geen tweede kans wordt geboden, niet verplicht in te stemmen met deze regeling.

Hoofdverblijf en ingebruikgeving aan derden

3.5.

Op grond van de algemene huurvoorwaarden moet de huurder de woning zelf bewonen, daar zijn hoofdverblijf houden en is het verboden de woning aan derden in gebruik te geven. Uit de door Waterweg Wonen overgelegde stukken, waaronder de politiemutaties, verslagen van huisbezoeken en beelden van de videodeurbel, is voorshands in hoge mate aannemelijk geworden dat [gedaagde] de woning nagenoeg niet bezoekt, laat staan daar verblijft. Zijn leven lijkt zich voornamelijk in Rotterdam af te spelen, waar ook zijn moeder en zijn vriendin wonen. Voorts heeft Waterweg Wonen op 8 september 2026 een plakbandje op de voordeur aangebracht dat op 22 september 2026 daar nog steeds ongewijzigd op zat. Hieruit volgt dat de voordeur van de woning tussen 8 en 22 september 2026 niet is geopend.

3.6.

[gedaagde] heeft op de zitting uitgelegd dat hij veel in Rotterdam verblijft vanwege werk en de zorg voor zijn moeder na het overlijden van zijn vader. Dit verklaart echter niet waarom hij wekenlang zijn eigen woning niet betreedt en waarom zijn kleding zich in een afgesloten kast in de woning bevindt waarvan [gedaagde] de sleutel niet heeft of kan vinden . Bovendien is genoegzaam gebleken dat een derde (' [naam] ') en wisselende andere personen regelmatig en vrij gebruikmaken van de woning.

3.7.

Het verweer van [gedaagde] dat het gebruik van camerabeelden in strijd is met de privacywetgeving (AVG) slaagt niet. Waterweg Wonen had op basis van concrete meldingen van omwonenden een gerechtvaardigd vermoeden van woonfraude. Inzet van de camera in het portiek was proportioneel nadat huisbezoeken geen helderheid boden of werden gefrustreerd. Het belang van Waterweg Wonen bij de bestrijding van woonfraude weegt hier zwaarder dan de inbreuk op de privacy van [gedaagde] .

Ontruiming

3.8.

Het beroep van [gedaagde] op de mogelijkheid om in een bodemprocedure getuigen te horen, is in dit kort geding onvoldoende om de ontruimingsvordering af te wijzen. Gelet op al het bovenstaande is het zeer aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. Vooruitlopend hierop moet [gedaagde] de woning ontruimen en verlaten. De ontruimingstermijn wordt in redelijkheid vastgesteld op veertien dagen.

Betaling huurachterstand

3.9.

Vaststaat dat de huurachterstand tot en met 30 september 2026 € 2.628,63 bedraagt. [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan Waterweg Wonen te betalen. Hij moet ook vanaf 1 oktober 2026 tot aan de dag van de ontruiming de maandelijkse huurprijs van € 709,- (blijven) betalen.

Geen rente

3.10.

De kantonrechter wijst de rente af. In artikel 15 van de algemene huurvoorwaarden van Waterweg Wonen staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag Waterweg Wonen daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de rente uit de wet.1 De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat de huurder een boete moet betalen als hij niet aan de verplichtingen uit de algemene huurvoorwaarden voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou de huurder als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente moeten betalen. Waterweg Wonen wijkt met de boete dus in het nadeel van een huurder af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.

Proceskosten

3.11.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Waterweg Wonen moet betalen op € 529,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.538,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.12.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Waterweg Wonen dat eist en [gedaagde] geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in Vlaardingen te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Waterweg Wonen te stellen;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Waterweg Wonen te betalen € 2.628,63 aan huurachterstand tot en met 30 september 2026;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan Waterweg Wonen te betalen € 709,- met ingang van de maand oktober 2026 tot aan de dag van ontruiming;

4.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Waterweg Wonen worden begroot op € 1.538,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.

53954

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »