RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11852595 CV EXPL 25-18641
datum uitspraak: 14 augustus 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf 1] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[naam 1] , die handelt onder de naam [bedrijf 2],
woonplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [bedrijf 1] ’ en ‘ [bedrijf 2] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 18 augustus 2025, met bijlagen;
-
de aantekeningen van het mondelinge antwoord, met bijlagen;
-
de aanvullende stukken van [bedrijf 1] .
Op 30 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens [bedrijf 1] [naam 2] en [naam 3] met de gemachtigde aanwezig. [bedrijf 2] was niet aanwezig.
2 De beoordeling
Wat is de kern?
[bedrijf 1] heeft werkzaamheden verricht in opdracht van [bedrijf 2] . De werkzaamheden zagen op het ontzorgen van de financiële administratie. De daarvoor tussen partijen gesloten overeenkomsten zijn geëindigd in april 2024. [bedrijf 2] heeft een aantal door [bedrijf 1] verzonden faturen niet betaald. [bedrijf 1] eist betaling van deze facturen, rente, incasso- en proceskosten.
[bedrijf 2] is het niet eens met de eis en stelt dat zij niet gehouden is te betalen voor de facturen, omdat [bedrijf 1] de opdracht niet goed heeft uitgevoerd.
[bedrijf 2] moet € 3.575,55 aan openstaande facturen betalen
Het verweer van [bedrijf 2] treft geen doel en de vordering van [bedrijf 1] wordt toegewezen. Dit wordt hierna toegelicht.
Voor zover [bedrijf 2] met haar verweer bedoelt dat [bedrijf 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en de daardoor geleden schade verrekend zouden mogen worden met de openstaande facturen, geldt dat daarvan pas sprake zou kunnen zijn als [bedrijf 1] in verzuim is. Daarvan is sprake als vaststaat dat het geleverde werk ondeugdelijk is én [bedrijf 1] de tekortkoming niet herstelt, nadat zij door [bedrijf 2] (schriftelijk) in gebreke is gesteld (artikel 6:82 lid 1 BW). Zo’n ingebrekestelling is alleen niet nodig als er sprake is van een wettelijke uitzondering (artikel 6:83 BW).
[bedrijf 1] betwist dat zij fouten heeft gemaakt. Dat er fouten zijn gemaakt blijkt ook niet zonder meer uit de door [bedrijf 2] overgelegde stukken. Er staat in de verklaring van [naam fiscaal administratie kantoor] weliswaar omschreven dat het door [bedrijf 1] geleverde werk over de jaren 2022 en 2023 controle behoefde (meerdere posten zouden zijn aangemerkt als “uit te zoeken”), maar [bedrijf 1] heeft verklaard dat [bedrijf 2] destijds voor akkoord getekend heeft. Het feit dat posten nog uitgezocht moesten worden, levert op zichzelf geen fout in de werkzaamheden op en kan bovendien afhankelijk zijn van (het uitblijven van) de input van [bedrijf 2] .
Ook is niet gesteld of gebleken dat [bedrijf 1] in gebreke is gesteld, of dat sprake is van een bij wet genoemde uitzondering. Daarbij is [bedrijf 2] niet ter zitting verschenen om haar standpunt nader toe te lichten. De kantonrechter stelt daarom vast dat [bedrijf 1] niet in verzuim verkeert en dat [bedrijf 2] de facturen moet betalen.
[bedrijf 2] moet incassokosten van € 482,56 betalen
De incassokosten van € 482,56 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[bedrijf 2] moet rente betalen
De rente wordt toegewezen, omdat [bedrijf 1] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [bedrijf 2] dat niet heeft betwist.
[bedrijf 2] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [bedrijf 2] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] moet betalen op € 123,16 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 506,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 253,-) en € 126,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.269,66. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [bedrijf 1] dat eist en [bedrijf 2] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [bedrijf 2] om aan [bedrijf 1] te betalen € 4.659,85 met de samengestelde wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 4.067,94 vanaf 18 augustus 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [bedrijf 2] in de proceskosten, die aan de kant van [bedrijf 1] worden begroot op € 1.269,66 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
62574