RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11684048 CV EXPL 25-10694
datum uitspraak: 24 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: Bill Incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 28 april 2025, met bijlagen;
-
de aantekeningen van de griffier van het mondeling gegeven antwoord door de heer [persoon A] namens gedaagde op de rolzitting van 8 mei 2025;
-
de akte vermindering eis;
-
de tweede akte vermindering eis.
Op 16 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met de heer [persoon B] (eigenaar) namens eiseres en de heer [persoon C] van Bill Incasso B.V. Gedaagde was ook uitgenodigd voor deze zitting, maar van de kant van gedaagde is niemand verschenen.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Eiseres heeft in opdracht van en voor rekening van gedaagde werkzaamheden uitgevoerd. Eiseres heeft gedaagde daarvoor op 26 augustus 2024 een factuur gestuurd. Gedaagde moet eiseres voor de werkzaamheden betalen, maar heeft dat niet volledig gedaan. In de dagvaarding wordt geëist € 8.724,61 inclusief rente en kosten. Eiseres heeft haar eis daarna twee keer verminderd. De kantonrechter veroordeelt gedaagde om aan eiseres € 1.640,15 te vermeerderen met rente en proceskosten te betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
Gedaagde moet de hoofdsom van € 1.000,00 betalen
De partijen zijn het erover eens dat gedaagde eiseres moet betalen voor de verrichte werkzaamheden. Eiseres had in haar factuur € 2.017,26 aan btw opgenomen. Gedaagde heeft in zijn antwoord aangegeven dat was afgesproken dat de btw zou worden verlegd. Eiseres erkent dit en heeft daarom haar eis verminderd. De factuur bedroeg zonder btw € 9.606,00. Gedaagde heeft daarvan voorafgaand aan de dagvaarding € 4.303,00 betaald. Na vermindering van de eis moest gedaagde dus nog € 5.303,00 aan hoofdsom betalen. Eiseres heeft op zitting haar eis nog een keer verminderd, omdat zij op 3 juni 2026 een betaling van € 4.303,00 van gedaagde heeft ontvangen. Eiseres rekent die betaling toe aan de hoofdsom. Uiteindelijk is van de hoofdsom nog € 1.000,00 niet betaald. Gedaagde wordt daarom veroordeeld dat bedrag te betalen aan eiseres.
Gedaagde moet de incassokosten van € 640,15 betalen
Aan incassokosten wordt € 640,15 toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). Het bedrag dat wordt toegewezen is lager dan in de dagvaarding geëist, omdat eiseres in de dagvaarding van een te hoge hoofdsom is uitgegaan bij het berekenen van de incassokosten. Op het moment dat de vordering uit handen werd gegeven, was namelijk € 5.303,00 aan hoofdsom niet betaald in plaats van € 7.320,26. De toewijsbare incassokosten zijn daarom berekend over € 5.303,00. Over de incassokosten wordt geen btw gerekend, omdat de btw kan worden verrekend.
Gedaagde moet rente betalen
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen, maar wel op een andere manier dan geëist. Eiseres heeft voldoende gesteld waaruit volgt dat de wettelijke handelsrente moet worden betaald en gedaagde heeft dat niet betwist (artikel 6:119a BW). Eiseres heeft de rente tot de datum van de dagvaarding echter berekend over een te hoog bedrag aan hoofdsom omdat daarin ook rekening was gehouden met de btw. De kantonrechter kan daarom niet uitgaan van de renteberekening in de dagvaarding. Ook zijn er twee betalingen ontvangen door eiseres, namelijk een betaling van € 4.303,00 op 14 december 2024 en een betaling van € 4.303,00 op 3 juni 2026. De rente wordt daarom toegewezen als hierna vermeld. De datum van verzuim is 10 september 2024. Eiseres heeft namelijk onbetwist gesteld dat gedaagde de factuur moest betalen binnen veertien dagen na de factuur met datum 26 augustus 2024.
Gedaagde moet de proceskosten van € 1.526,40 betalen
De proceskosten komen voor rekening van gedaagde, omdat gedaagde voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die gedaagde aan eiseres moet betalen op € 119,40 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.526,40. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat eiseres dat eist en gedaagde daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen € 1.640,15 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 9.606,00 van 10 september 2024 tot 14 december 2024, over € 5.303,00 van 14 december 2024 tot 3 juni 2026 en over € 1.000,- van 3 juni 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die aan de kant van eiseres worden begroot op € 1.526,40;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
34286