ECLI:NL:RBROT:2020:798

Datum uitspraak
31-01-2020
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
FT EA 19/1822
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wsnp-verzoek niet-ontvankelijk. Buitengerechtelijke schuldregeling, minnelijk traject, verklaring 285, geen aanbod gedaan, geen deugdelijke poging gedaan om een minnelijke regeling te treffen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

verzoek toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 31 januari 2020

[verzoeker] ,

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 24 december 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

In het verzoekschrift moet worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, aldus artikel 285, eerste lid, Faillissementswet.

De wetgever heeft het van belang geacht dat voorafgaande aan de wettelijke schuldsanering eerst een buitengerechtelijke schuldregeling wordt beproefd, dat bij een daarop volgend verzoek tot schuldsanering, een verklaring wordt overgelegd als omschreven in artikel 285 lid 1, onder f Fw en dat deze verklaring een betrouwbaar kompas vormt voor de rechter bij de beoordeling of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd. In het minnelijk traject moet de schuldenaar zijn best gedaan hebben om met zijn schuldeisers tot een regeling te komen voor zijn schulden (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr.7, p.18) en moet uitputtend zijn onderzocht of tussen schuldeisers en schuldenaar een minnelijke schikking kan worden getroffen (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr.7, p.28).

Ten behoeve van verzoeker is door de schuldbemiddelaar van de Kredietbank Rotterdam een verklaring ex art. 285 Fw afgegeven waarin wordt vermeld dat er ‘geen aanbod aan de crediteuren is gedaan, omdat er op verzoek van verzoeker en zijn beschermingsbewindvoerder een WSNP-verklaring is afgegeven en niet eerst nogmaals een minnelijk traject is doorlopen’. Uit de verklaring wordt niet duidelijk waarom een eerdere minnelijke regeling is mislukt. Daarnaast staat verzoeker sinds 12 februari 2019 onder beschermingsbewind waardoor niet uit te sluiten is dat een (nieuwe) minnelijke regeling met alle schuldeisers kan worden getroffen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verzoeker geen deugdelijke poging heeft gedaan om een minnelijke regeling te treffen.

Zonder een verklaring dat verzoeker zich tot het uiterste heeft ingespannen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen, kan de schuldsaneringsregeling niet van toepassing worden verklaard.

De rechtbank gunt verzoeker geen termijn als bedoeld in artikel 287, tweede lid, Faillissementswet om de ontbrekende gegevens te verstrekken aangezien een termijn van één maand niet toereikend is om een minnelijk traject af te wikkelen.

Verzoeker zal op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020. 1

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »