RECHTBANK Noord-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Assen
Rekestnummer: NL:TZ:2611470:R-RK
Vonnis van 24 augustus 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het verzoek.
1 De procedure
Op 8 april 2026 heeft een schuldeiser van [verzoeker] bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot faillietverklaring van [verzoeker] .
[verzoeker] heeft vervolgens op 6 mei 2026 een verzoekschrift zonder bijlagen ingediend om te mogen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de Wsnp). De behandeling van het verzoekschrift tot faillietverklaring is hierop geschorst totdat onherroepelijk op het Wsnp-verzoek is beslist.
Het verzoekschrift tot toelating tot de Wsnp is op 23 juni 2026 aangevuld met de tot dan toe ontbrekende stukken en dit Wsnp-verzoek is behandeld op de zitting van 17 augustus 2026. [verzoeker] is op de zitting verschenen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[verzoeker] heeft in de periode van januari 2016 tot januari 2025 als zzp’er in de (hout)bouw gewerkt. Door privéproblemen en burn-outklachten is [verzoeker] de financiële focus op zijn bedrijf geleidelijk aan kwijtgeraakt. Hierdoor zijn schulden ontstaan. Volgens het verzoekschrift bedraagt de schuldenlast van [verzoeker] € 319.437,22. Het merendeel van deze schulden is ontstaan in de afgelopen drie jaar en vrijwel alle schulden hebben een zakelijk karakter.
3 De beoordeling
Vooraf
De rechtbank overweegt vooraf als volgt. De Gemeentelijke Kredietbank (hierna: de GKB) heeft, als door de gemeente ingeschakelde schuldhulpverlener, het onderhavige verzoek tot toelating tot de Wsnp namens [verzoeker] bij de rechtbank ingediend. De rechtbank acht de aanwezigheid van de schuldhulpverlener/ indienende instantie bij de zitting gewenst. Nog daargelaten dat een dergelijke zitting een grote impact op een verzoeker kan hebben, is een verzoeker vaak onvoldoende op de hoogte van de inhoudelijke kant van een schuldhulpverleningstraject. Zonder toelichting van de schuldhulpverlener op onderwerpen als stabiliteit, goede trouw en andere voor een goede beoordeling van het verzoek van belang zijnde zaken, kan de rechtbank cruciale informatie missen om tot een goed afgewogen oordeel te komen. Hoewel [verzoeker] primair partij is in deze procedure, betreurt de rechtbank het daarom ten zeerste dat, ondanks behoorlijke oproeping, namens de GKB niemand is verschenen.
De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek en overweegt hiertoe als volgt.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp moet [verzoeker] eerst geprobeerd hebben om met zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen (het zogenoemde ‘minnelijk traject’). Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om een minnelijk traject te volgen.
Uit het verzoekschrift volgt dat de GKB geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers om te komen tot een minnelijke regeling. Als reden hiervoor heeft de GKB in het verzoekschrift verklaard dat [verzoeker] een Participatiewet-uitkering ontvangt en er hierdoor geen afloscapaciteit is. Een voorstel aan de schuldeisers zou dan een zogenoemd ‘nulaanbod’ zijn en de GKB stelt zich op het standpunt dat meerdere schuldeisers hieraan naar verwachting geen medewerking zullen verlenen vanwege de hoogte van de schuldenlast, het aanhangige faillissementsverzoek en de inspanningen van [verzoeker] op dit moment.
De rechtbank overweegt dat het onderhavige verzoek is ingediend in reactie op – en ter afwending van – een verzoekschrift tot faillietverklaring. Ook in dit geval moet het verzoekschrift tot toelating tot de Wsnp een met redenen omklede verklaring bevatten als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw, waaruit het resultaat van een buitengerechtelijke schuldregeling blijkt en, zo dit traject niet is doorlopen, waarom er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de GKB als gegeven bij het onderhavige verzoek geen rechtvaardiging is voor het niet doorlopen van een minnelijk traject. De GKB is uitgegaan van de aanname dat de schuldeisers niet akkoord zouden gaan met een aanbod voor een minnelijke regeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet op voorhand worden geconcludeerd. [verzoeker] ontvangt momenteel een Partcipatiewet-uitkering. Uit het verzoekschrift blijkt dat [verzoeker] een relatief korte afstand heeft tot de arbeidsmarkt; wanneer hij herstelt van zijn burn-outklachten zijn er voldoende mogelijkheden voor hem om weer aan het werk te gaan. Een nulaanbod in de vorm van een prognoseakkoord geeft schuldeisers de mogelijkheid om te profiteren van een inkomensstijging zodra [verzoeker] uit zijn uitkeringssituatie komt en weer aan het werk gaat. Dat in dat geval wel degelijk aan de schuldeisers kan worden uitgekeerd, is daarom niet uitgesloten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de motivering die is gegeven voor het overslaan van het minnelijk traject onvoldoende is. Naar het oordeel van de rechtbank is de artikel 285-verklaring die bij het verzoek is gevoegd, dan ook niet juist.
De rechtbank overweegt verder dat in voorkomende gevallen zij zou kunnen besluiten om de termijn van één maand als bedoeld in artikel 287 lid 2 Fw te verlengen om [verzoeker] in staat te stellen om alsnog een minnelijk traject te doorlopen. In het onderhavige geval ziet zij hiertoe geen aanleiding. Nog daargelaten dat de GKB niet heeft verzocht om verlenging van deze termijn, is hiertoe ten eerste redengevend dat rekening gehouden moet worden met het feit dat er sinds april 2026 een verzoek tot faillietverklaring ligt, waarvan de behandeling is opgeschort. Bij dat verzoek zijn belangen van anderen, met name van de schuldeisers van [verzoeker] , betrokken. Voor hen is het van belang dat op een zeker moment duidelijk wordt of en zo ja, langs welke weg het tot vereffening van de boedel van [verzoeker] en daarmee tot voldoening van hun vordering komt (vgl. Concl. A-G J.Wuisman, ECLI: NL:PHR:2017: 384, bij HR 2 juni 2017, ECLI:HR:2017:980). Ten tweede is de rechtbank van oordeel dat ook bij het adequaat doorlopen van een minnelijk traject, de aard van de schuldenlast van [verzoeker] aan toelating tot de Wsnp in de weg zou hebben gestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoeker] niet te goede trouw geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van een aantal van zijn schulden. Uit de schuldenlijst blijkt dat in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het onderhavige verzoek [verzoeker] bedrijfsmatig uitgaven heeft gedaan waarvan hij op dat moment had moeten weten dat hij deze niet zou kunnen betalen. Zo vermeldt de schuldenlijst een aantal vorderingen van bouwmaterialenleveranciers met ontstaansdata in 2025 en ook is [verzoeker] eind 2024 een lening van behoorlijke omvang aangegaan met een privéinvesteerder. Tot slot staat op de schuldenlijst een vordering van de belastingdienst wegens, onder meer, niet afgedragen omzetbelasting en dergelijke schulden zijn in beginsel niet te goeder trouw ontstaan en/of onbetaald gelaten. De rechtbank overweegt verder dat in het verzoekschrift geen beroep is gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw en dat [verzoeker] op de zitting onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht om een beroep op de hardheidsclausule alsnog voldoende te onderbouwen. Van een situatie waaruit zou kunnen blijken dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen, is daarom niet gebleken.
Hoewel het verzoek van [verzoeker] op dit moment niet toegewezen kan worden, sluit de rechtbank niet uit dat [verzoeker] , wanneer hij orde op zaken stelt, in de toekomst alsnog op een nieuw verzoekschrift kan worden toegelaten tot de Wsnp.
4 De beslissing
De rechtbank:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Dit is de beslissing van mr. S. van Gessel, rechter, in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.1