ECLI:NL:RBOVE:2026:6275

Datum uitspraak
20-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Zaaknummer
ZWO 25/3645
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen het besluit van verweerder om de aanvraag van eiser voor een ontheffing van een geslotenverklaring van de Nieuwe Grensweg in Hengelo af te wijzen. Beroep gegrond. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft kunnen motiveren waarom de woning van eiser, ten opzichte van andere woningen, buiten het ontheffingsgebied valt en daarom niet in aanmerking kan komen voor een ontheffing. De rechtbank bepaalt daarom dat de bepaling in de beleidsregel waarin het ontheffingsgebied is vastgesteld buiten toepassing moet worden gelaten.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3645

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

hierna: het college,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de aanvraag van [eiser] voor een ontheffing van de geslotenverklaring van de Nieuwe Grensweg af te wijzen. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij stelt dat het college het ontheffingsgebied onzorgvuldig heeft vastgesteld en de grenzen onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook meent hij dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden omdat zijn woning buiten de grenzen van het ontheffingsgebied valt terwijl een andere woning op een vergelijkbare afstand van de wegafzetting en toegankelijke ontsluitingswegen wel binnen het ontheffingsgebied is opgenomen en een ontheffing heeft. Verder vindt [eiser] dat de gevolgen van de afwijzing voor hem onevenredige gevolgen heeft. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft kunnen motiveren waarom de woning van [eiser], ten opzichte van andere woningen, buiten het ontheffingsgebied valt en daarom niet in aanmerking kan komen voor een ontheffing. De rechtbank bepaalt daarom dat de bepaling in de beleidsregel waarin het ontheffingsgebied is vastgesteld buiten toepassing moet worden gelaten. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eiser] heeft op 28 januari 2025 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een ontheffing met een transponder voor de fysieke afsluiting van de Nieuwe Grensweg, tussen de Hofmeijerweg en de Leutinkweg ter hoogte van [bedrijf] B.V. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 juli 2025 afgewezen.

2.1.

Met het bestreden besluit van 7 november 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.2.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

[eiser] heeft aanvullende stukken ingediend.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], vergezeld door zijn partner [naam 1] en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] en [naam 3].

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Met het verkeersbesluit van 4 juni 1992 heeft het college een geslotenverklaring ingesteld voor een deel van de Nieuwe Grensweg, tussen de Hofmeijersweg en de Leutinkweg, ter hoogte van [bedrijf] B.V. De geslotenverklaring heeft als doel het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van weggebruikers en passagiers, de instandhouding van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan en het bevorderen van de leefbaarheid.

3.1.

De geslotenverklaring wordt gereguleerd met een fysieke afsluiting in de vorm van twee dynamisch verzinkbare palen (bollards) voorzien van het verkeersbord C01 (gesloten voor alle motorvoertuigen) uit bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) met een onderbord met de tekst "uitgezonderd (brom)fietsers". Met gebruik van een transponder kunnen de bollards worden bediend.

3.2.

Het college heeft beleid vastgesteld om het verlenen van ontheffingen van de geslotenverklaring voor motorvoertuigen op de Nieuwe Grensweg te reguleren. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de beleidsregel “Beleidsregels ontheffing verlening geslotenverklaring Nieuwe Grensweg” van 2013 (hierna: de beleidsregel) worden, zover hier van belang, aan bewoners, eigenaren, gebruikers en personeel van bedrijfspanden en/of percelen in het buitengebied Driene ontheffingen verleend. Het ontheffingsgebied ‘Buitengebied Driene’ (hierna: het ontheffingsgebied) omslaat het gebied buiten de bebouwde kom tussen de gemeente Hengelo en Enschede, globaal omsloten door de Oldenzaalsestraat, bebouwde kom van Hengelo, gemeentegrens Enschede en Enschedesestraat inclusief Boshofweg, Drienermarkerweg en Leutinkweg in Enschede. Het ontheffingsgebied is weergegeven op de overzichtstekening die het college bij het beleid heeft vastgesteld.

3.3.

[eiser] woont aan de [adres]. Op de grens tussen de gemeenten Hengelo en Enschede, gaat de Nieuwe Grensweg over in de [adres]. [eiser] woont op ongeveer 1,5 kilometer afstand van de geslotenverklaring.

3.4.

[eiser] heeft het college op 28 januari 2025 ontheffing gevraagd van de fysieke afsluiting op de Nieuwe Grensweg en gevraagd of hij in aanmerking kan komen voor een transponder. Hij vindt dat hij als ondernemer er belang bij heeft om over een transponder te beschikken omdat veel zakelijke relaties van hem wonen in Hengelo en in het gebied Driene.

3.5.

Met het besluit van 9 juli 2025 heeft het college het verzoek om ontheffing afgewezen omdat de woning van [eiser] buiten het ontheffingsgebied ligt.

3.6.

Om verschillende redenen vindt het college het wenselijk om de fysieke afsluiting aan de Nieuwe Grensweg te vervangen door camerahandhaving op basis van automatische kentekenherkenning (ANPR). Het college wenst de feitelijke afsluiting van de weg voor doorgaand gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van (brom)fietsers, in stand te houden. Om dit mogelijk te maken, heeft het college het noodzakelijk geacht om het verkeersbesluit van 4 juni 1992 te herzien.

3.7.

Met een besluit van 9 juli 2025, bekendgemaakt op 15 juli 2025, besloot het college het verkeersbesluit van 4 juni 1992 in te trekken. Ook besloot het een geslotenverklaring in de Nieuwe Grensweg in te stellen tussen de Hofmeijerweg en de Leutinkweg, door plaatsing van verkeersborden C01 en onderborden 0B54 met een uitzondering voor (brom)fietsers. Tegen het verkeersbesluit van 9 juli 2025 heeft [eiser] geen bezwaar gemaakt.

3.8.

Na bezwaar is het college bij de afwijzing van de ontheffing gebleven. Volgens het college bestaat er voor [eiser] geen noodzaak voor de ontheffing en wordt hij niet ongelijk behandeld omdat andere omwonenden wel beschikken over een transponder. Ook meent het college dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van zijn beleid af te wijken en heeft de afwijzing geen onevenredige nadelige gevolgen voor [eiser].

Het beoordelingskader en de omvang van het geding

4. In artikel 149, eerste lid en onder d, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) is aan het college de bevoegdheid verleend om in deze wet aangewezen gevallen overeenkomstig krachtens deze wet vastgestelde regels ontheffing te verlenen.

4.1.

Artikel 62 van het RVV bepaalt dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Artikel 87 van het RVV bepaalt dat door het bevoegd gezag ontheffing kan worden verleend van de daarin genoemde verkeersregels en de verkeerstekens, waaronder het bord C1 (geslotenverklaring).

4.2.

Het college heeft beleidsruimte bij toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990. Het college heeft voor de toepassing van zijn bevoegdheid met de beleidsregel ontheffingsbeleid vastgesteld.

4.3.

De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van [eiser] om ontheffing van de geslotenverklaring van de Nieuwe Grensweg in Hengelo voor gemotoriseerd verkeer. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser]. Het verkeersbesluit van 4 juni 1992 – dat heeft geleid tot de geslotenverklaring van de Nieuwe Grensweg – en het besluit tot wijziging van de handhavingswijze van de geslotenverklaring van 9 juli 2025, bekendgemaakt op 15 juli 2025, staan in deze procedure niet ter discussie.

Is het ontheffingsgebied deugdelijk vastgesteld?

5. [eiser] stelt dat de vaststelling van het ontheffingsgebied onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat hij als directe aanwonende van de voormalige sluiproute Nieuwe

Grensweg — [adres], van het ontheffingsgebied is uitgesloten. [eiser] meent dat hij aan de voormalige sluiproute woont en deze route loopt tot de T-splitsing van de Witbreuksweg met de [adres]. Er is daarom geen rekening gehouden met het grensoverschrijdende karakter van de sluiproute in de gemeente Enschede. [eiser] vindt dat zijn woning daarom in het ontheffingsgebied moet vallen en de beleidsregel in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. [eiser] wijst er verder op dat het college niet deugdelijk kan uitleggen waarom de woningen op de kruising van de Witbreuksweg met de Boshofweg wel in het ontheffingsgebied zijn opgenomen. De bewoners van dit perceel moeten langs zijn huis rijden om de geslotenverklaring te bereiken. Volgens [eiser] wordt hij daarom ten onrechte ongelijk behandeld ten opzichte van deze bewoners, waardoor het ontheffingsgebied in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Eerdere uitspraak over het ontheffingenbeleid

5.1.

Het college heeft zich op de zitting beroepen op een uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 juni 2011.1 Volgens het college heeft de rechtbank in die uitspraak eerder al overwogen dat het ontheffingenbeleid niet onredelijk is en een aanvraag die niet aan de voorwaarden voldoet die in de beleidsregel zijn gesteld, kan worden afgewezen.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat de voornoemde uitspraak betrekking heeft op het beleid dat geldig was tot 2013. De rechtbank overweegt daarom dat aan deze uitspraak, die het college voor het eerst op zitting heeft aangehaald, niet de waarde kan worden toegekend die het college voor ogen heeft. De rechtbank zal deze uitspraak daarom niet betrekken bij de beoordeling van dit beroep.

Kan de gevraagde ontheffing op grond van de beleidsregel worden geweigerd?

5.3.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het college tot een afwijzing van de door [eiser] gevraagde ontheffing voor de geslotenverklaring kon komen omdat zijn woning niet is gelegen in het ontheffingsgebied.

5.4.

De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan in beginsel handelt overeenkomstig de beleidsregel die het heeft vastgesteld. Op grond van artikel 8:3, eerste lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kon [eiser] geen beroep instellen tegen het besluit tot vaststelling van de beleidsregel. Met exceptieve toetsing kan de rechtbank in een concrete zaak de rechtmatigheid van de beleidsregel toetsen en bepalen dat deze buiten toepassing wordt gelaten als de beleidsregel in strijd is met hoger recht, zoals een wet in formele zin of een algemeen rechtsbeginsel.

5.5.

Het college heeft toegelicht dat het een restrictief ontheffingenbeleid hanteert. Volgens het college volgt uit de kaart van het ontheffingsgebied en de verkeerskundige situatie dat de percelen in het ontheffingsgebied in belangrijke mate zijn aangewezen op de Nieuwe Grensweg als directe ontsluitingsroute richting de Hengelosestraat of de Oldenzaalsestraat en het omliggende wegennet. Voor deze percelen vormt de Nieuwe Grensweg de meest logische en functionele verbinding. Een geslotenverklaring zonder mogelijkheid tot ontheffing zou voor deze adressen leiden tot een onevenredige aantasting van de bereikbaarheid. Volgens het college geldt dit niet voor de percelen en de gebieden die buiten het ontheffingsgebied vallen. Deze percelen beschikken volgens het college over een volwaardige en verkeerskundig logische alternatieve route in zuidelijke richting via de [adres] naar de Hengelosestraat. Op de zitting heeft het college toegelicht dat voor het stellen van de zuidelijke grens aansluiting is gezocht bij de plaats waar het bebouwde gebied van Enschede begint. Het college stelt zich verder op het standpunt dat de gebiedsgrens aansluit op duidelijk herkenbare ruimtelijke structuren, waardoor die objectief en consistent toepasbaar is.

5.6.

De rechtbank acht de keuze van het college om een ontheffingsgebied in de beleidsregel vast te stellen, mede gelet op de aan het college toekomende beleidsruimte, geschikt en noodzakelijk gelet op het belang van een goed uitvoerbaar en controleerbaar ontheffingsstelsel en het reguleren van de verkeersveiligheid in het buitengebied Driene. De rechtbank overweegt dat het college ook in redelijkheid heeft kunnen bepalen dat aan bewoners in het buitgebied Driene die voor een in verkeerskundig opzicht logische ontsluiting van deze omgeving zijn aangewezen op de Nieuwe Grensweg, een ontheffing kunnen aanvragen van de geslotenverklaring. De rechtbank overweegt dat het college deze keuze voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd en de uitkomsten van dit beleid in beginsel niet onevenredig zijn.

5.7.

De rechtbank is echter van oordeel dat het college met de gegeven toelichting in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de woning van [eiser] buiten de grenzen van het ontheffingsgebied is gelegen, terwijl bepaalde andere woningen daarbinnen vallen. Dit onderscheid is ook niet af te leiden uit het beleid zelf. De rechtbank overweegt dat het college niet heeft kunnen toelichten waarom het ervoor heeft gekozen om de door [eiser] aangewezen woningen bij de kruising van de Witbreuksweg met de Boshofweg in het ontheffingsgebied op te nemen. Deze woningen liggen, vergeleken met de woning van [eiser], niet op een (aanzienlijke) verdere afstand van een volwaardige en verkeerskundig logische alternatieve ontsluitingsroute naar Enschede. De rechtbank betrekt daarbij ook dat deze woningen verder van de geslotenverklaring liggen dan de woning van [eiser]. Deze bewoners moeten langs de woning van [eiser] rijden om de geslotenverklaring te bereiken. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de bewoners van deze woningen wel een ontheffing kunnen krijgen van de geslotenverklaring, maar [eiser] niet.

5.8.

Gelet hierop heeft het college niet afdoende uitgelegd dat de begrenzing van het ontheffingsgebied, voor zover de woning van [eiser] daardoor wordt uitgesloten, tegemoetkomt aan het doel van de geslotenverklaring.

5.9.

Vanwege de gebrekkige motivering van de beleidsregel op dat punt kan de rechtbank niet beoordelen of het bestreden besluit zich verdraagt met artikel 149, eerste lid onder d, van de Wvw 1994 en artikel 87 van de RVV 1990. Toepassing van artikel 3, eerste lid, van de beleidsregel is in dit geval in strijd met artikel 3:46 van de Awb en de bepaling moet daarom buiten toepassing worden gelaten. Dat betekent dat het daarop berustende besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en niet in stand kan blijven.

5.10.

De rechtbank zal het college opdragen om opnieuw op het bezwaar van [eiser] te beslissen. Omdat het ontheffingsgebied buiten toepassing wordt verklaard, zal het college in de heroverweging van het bezwaar zelf moeten afwegen en toegespitst op de onderhavige situatie moeten motiveren of aan [eiser] al dan niet een ontheffing kan worden verleend van de geslotenverklaring.

Op de zitting is ter sprake gekomen dat het college, naar aanleiding van het verkeersbesluit van 9 juli 2025, de ‘Beleidsregels ontheffing verlening geslotenverklaring Nieuwe Grensweg’ (hierna: het nieuwe beleid) heeft vastgesteld en op 1 januari 2026 in werking is getreden. De beleidsregel is met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken. Het college heeft het ontheffingsgebied uit de beleidsregel overgenomen in het nieuwe beleid. Het college zal bij de nieuwe beslissing op het bezwaar het nieuwe beleid moeten betrekken. Omdat de rechtbank in deze uitspraak het ontheffingsgebied buiten toepassing verklaart, kan het college dit gebied ook niet zonder nadere motivering zoals hiervoor geconcludeerd bij overweging 5.7 en 5.8, bij de toetsing aan het nieuwe beleid betrekken.

5.11.

Omdat de beroepsgrond van [eiser] slaagt en de rechtbank het college zal opdragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de andere door [eiser] aangedragen beroepsgronden te bespreken.

Conclusie

6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het college moet opnieuw op het bezwaar van [eiser] beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan [eiser] vergoeden. [eiser] heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 7 november 2025 en bepaalt dat artikel 3, eerste lid, van de ‘Beleidsregels ontheffing verlening geslotenverklaring Nieuwe Grensweg’ buiten toepassing blijft;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [eiser] met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het college het door [eiser] betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.J. van Heijningen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »