ECLI:NL:RBOVE:2026:6024

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
ZWO 26/844
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wabo. Omgevingsvergunning voor het realiseren van een kleinschalig kampeerterrein en vijf plattelandskamers. Voor een deel van de eisers geldt dat zij niet als belanghebbende zijn aan te merken omdat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de omgevingsvergunning. Voor de overige eisers heeft de rechtbank een inhoudelijke toets verricht. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft getoetst of het plan voldoet aan de voorwaarden van het bestemmingsplan. Verder blijkt volgens de rechtbank onvoldoende of en hoe de belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het beroep is gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/844

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eisers] e.a., uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. C.F. van Helvoirt en mr. D.J. van Boxtel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte

(gemachtigde: mr. M. Bastet en [gemachtigde]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Summercamp Heino B.V. uit Heino (de vergunninghouder)

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het college verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een kleinschalig kampeerterrein en vijf plattelandskamers op het adres Rozendaelseweg 30 in Heino. [eisers] e.a. zijn het hier niet mee eens. Zij voeren aan dat het aangevraagde plan niet voldoet aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan, dat het college de belangen van omwonenden onvoldoende heeft meegewogen, dat de voorschriften bij de omgevingsvergunning onvoldoende concreet zijn en dat er ten onrechte geen ecologisch vooronderzoek naar de aanwezige flora en fauna heeft plaatsgevonden.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Voor een deel van de eisers geldt dat zij niet als belanghebbende zijn aan te merken omdat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de omgevingsvergunning. Het college heeft deze eisers dan ook ten onrechte ontvangen in hun bezwaar en de rechtbank zal deze eisers alsnog niet-ontvankelijk verklaren in hun bezwaar. Voor de overige eisers heeft de rechtbank een inhoudelijke toets verricht. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft getoetst of het plan voldoet aan de voorwaarden van het bestemmingsplan. Verder blijkt volgens de rechtbank onvoldoende of en hoe de belangenafweging heeft plaatsgevonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. De vergunninghouder heeft op 21 december 2023 bij het college een aanvraag ingediend voor het realiseren van een kleinschalig kampeerterrein en vijf plattelandskamers op het adres Rozendaelseweg 30 in Heino.

4. Bij brief van 8 februari 2024 heeft het college om verduidelijking van de aanvraag gevraagd door te verzoeken om aanvulling van de aanvraag.

5. De vergunninghouder heeft op 16 mei 2024 de aanvraag aangevuld en de vragen van het college beantwoord.

6. Bij besluit van 24 april 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

7. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 op het bezwaar van [eisers] e.a. is het college bij dat besluit gebleven, onder aanvulling van de motivering ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen.

8. [eisers] e.a. hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

9. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eisers] e.a., verschenen bij [eisers], [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5], hun gemachtigden, de gemachtigden van het college, de vergunninghouder, verschenen bij [naam 6] e/v [naam 7] en [naam 8] en de gemachtigde van de vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader

10. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

11. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

12. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de indieners van het beroepschrift belanghebbende zijn bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.

13. Het beroep is ingediend door een groep van elf natuurlijke personen, een vennootschap onder firma en een stichting, verdeeld over zeven adressen gelegen in de omgeving van de Rozendaelseweg 30 in Heino. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Onder belanghebbende wordt op grond van artikel 1:2, eerste lid, Awb verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Dit houdt in dat diegene rechtstreeks gevolgen ondervindt van een besluit. Er moet dan wel sprake zijn van "gevolgen van enige betekenis".1 Ten aanzien van rechtspersonen is in dit verband van belang dat op grond van artikel 1:2, derde lid, Awb als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

14. Voor de indieners van het beroepschrift die wonen aan de adressen [adres 1] ([naam 3]), [adres 2] ([naam 9] en [naam 4]), [adres 3] ([naam 10]) en [adres 4] ([naam 11] en [naam 12]) in [plaats 1], geldt dat de afstand van hun woning tot het plangebied slechts enkele meters bedraagt en dat zij zicht hebben op het perceel waar de omgevingsvergunning voor is verleend. Zij zullen dan ook feitelijke gevolgen ondervinden van het besluit en zijn daarom als belanghebbende aan te merken.

15. De afstand tussen het planperceel waar het kampeerterrein wordt gerealiseerd en de percelen van de indieners die wonen aan de [adres 5] ([naam 13] en [naam 14]) en de [adres 6] ([eisers] en [naam 1]) in [plaats 2], bedraagt ongeveer 200 meter. Zij hebben geen zicht op het kampeerterrein. Op het zuidelijke perceel waar de parkeerplaatsen worden gerealiseerd, hebben zij slechts beperkt zicht. Naar het oordeel van de rechtbank ondervinden zij hierdoor geen gevolgen van enige betekenis en kunnen zij niet als belanghebbende worden aangemerkt bij het besluit. Het college heeft deze indieners van het beroep in bezwaar ten onrechte ontvankelijk geacht. De rechtbank zal de beroepen, voor zover ingediend door de bewoners van de [adres 5] en [adres 6], daarom gegrond verklaren en zelf voorzien door het bezwaar van deze indieners alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

16. Het beroep is mede ingediend door de vennootschap onder firma [bedrijf 1], gevestigd aan de [adres 7] in [plaats 1] en [naam 2] (een van de vennoten), ook woonachtig aan de [adres 7]. [bedrijf 1] is een zorgboerderij met dagbesteding voor voornamelijk cliënten met een autismespectrumstoornis. De afstand tussen het perceel en het kampeerterrein bedraagt ongeveer 120 meter vanaf de zorgboerderij. Gelet op de beperkte afstand, de doelgroep die gebaat is bij een prikkelarme omgeving en het gegeven dat de cliënten langs het plangebied moeten fietsen om bij de zorgboerderij te komen, zijn er voor [bedrijf 1] en [naam 2] mogelijk wel gevolgen van enige betekenis. De rechtbank merkt deze indieners dan ook aan als belanghebbende bij het besluit.

17. Het beroep is tot slot mede ingediend door Stichting [bedrijf 2], gevestigd aan de [adres 7] in [plaats 1]. Volgens de statuten heeft de stichting ten doel het opzetten van een woonvoorziening voor volwassenen met autisme en het verweven van de huidige dagopvang van [bedrijf 1] met de woonfunctie. Er zijn voorgenomen plannen voor het realiseren van zorgappartementen nabij de zorgboerderij. Hiertoe is enkel nog een principebesluit genomen door het college. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de stichting vooralsnog geen rechtstreeks en actueel belang heeft dat betrokken is bij het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning, omdat nog niet vaststaat of en wanneer de ontwikkeling zal plaatsvinden. Het college heeft de stichting in bezwaar daarom ook ten onrechte ontvankelijk geacht. De rechtbank zal het beroep, voor zover ingediend door de stichting, gegrond verklaren en zelf voorzien in de zaak door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

18. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het beroep van een deel van de indieners ontvankelijk is, gaat de rechtbank hierna inhoudelijk in op de aangevoerde beroepsgronden.

De beroepsgronden

18. [eisers] e.a. stellen dat het beoogde gebruik van vergunninghouder anders is, dan wat zij met de omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Zij vrezen dat het plangebied gebruikt zal worden als nevenlocatie voor het nabijgelegen Summercamp Heino. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat het plan niet voldoet aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan, omdat meer dan 5.000 m2 aan onbebouwde grond in gebruik wordt genomen. Uit de verleende omgevingsvergunning blijkt onvoldoende welke gronden gebruikt gaan worden. Volgens het inrichtingsplan, dat integraal onderdeel uitmaakt van de aanvraag, behoren alle percelen van vergunninghouder tot het plangebied. Ook heeft het college miskend dat de maximale oppervlakte van 5.000 m2 geldt voor beide activiteiten (kamperen en plattelandskamers), inclusief de ingetekende speelweide. Omdat de grootte en de situering van het kampeerterrein onduidelijk is, kan er ook niet worden getoetst of voldaan wordt aan de afstandseis van 50 meter tussen het kampeerterrein en het bouwvlak van derden. [eisers] e.a. voeren verder aan dat het college geen evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt. De belangen van omwonenden zijn onvoldoende meegewogen. Het college heeft nagelaten de belangen van [bedrijf 1] in de beslissing op bezwaar af te wegen. Dit is een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Ook zijn de voorschriften bij de omgevingsvergunning onvoldoende concreet en bieden onvoldoende waarborgen ter bescherming van het zorg-, woon- en leefklimaat van de omgeving. Tot slot voeren [eisers] e.a. aan dat er ten onrechte geen ecologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanwezige flora en fauna.

De beoordeling

19. Voordat de rechtbank overgaat tot de beoordeling van de beroepsgronden zoals die door [eisers] e.a. zijn aangevoerd, merkt de rechtbank op dat de juridische beoordeling van de verleende omgevingsvergunning zich beperkt tot wat is aangevraagd, namelijk een kleinschalig kampeerterrein met plattelandskamers. Het college is dan ook gehouden om de aanvraag te beoordelen zoals deze is ingediend. Een eventuele vrees die bij omwonenden bestaat voor een feitelijk gebruik door Summercamp Heino als dependance van het nabijgelegen Summercamp waar grote groepen jongeren komen, kan geen rol spelen bij de beoordeling van de verleende omgevingsvergunning. Bovendien zijn er, los van de gestelde vrees van [eisers] e.a., geen concrete aanwijzingen dat het gebruik anders zal zijn dan is aangevraagd; een kampeerterrein met logies is bijvoorbeeld niet feitelijk onmogelijk op de betreffende locatie.

20. Verder stelt de rechtbank vast dat de in het besluit genoemde grondslag onvolledig is weergegeven. In bijlage 3: overwegingen per activiteit (handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening), behorende bij de omgevingsvergunning, wordt verwezen naar de geldende bestemmingsplannen, waarvan de regels terug zijn te lezen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Raalte geconsolideerd 2020’ (het bestemmingsplan). De gronden van het plangebied hebben de bestemming ‘Agrarisch’ voor wat betreft het kampeerterrein en ‘Wonen’ voor wat betreft de plattelandskamers. Bijlage 3 (pagina 9) vermeldt echter alleen het afwijken van de bestemming ‘Wonen’ en niet het afwijken van de bestemming ‘Agrarisch’. Dit is een tekortkoming in de verleende omgevingsvergunning, die niet is onderkend of hersteld in het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is om de hierna uiteengezette redenen en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen, kan het college in het nieuw te nemen besluit dit gebrek alsnog herstellen.

21. De rechtbank volgt [eisers] e.a. in hun standpunt dat het college de omgevingsvergunning niet kon verlenen zoals hij dat nu heeft gedaan. Zoals hiervoor is opgemerkt heeft het college met de vergunningverlening binnenplans afgeweken van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch’, door de nevenfuncties ‘Kleinschalig kamperen’ en ‘Plattelandskamers’ toe te staan. Op grond van artikel 31.5 mag bij een combinatie van nevenfuncties niet meer dan 5.000 m² aan onbebouwde gronden in gebruik worden genomen. Ter discussie staat of aan die voorwaarde wordt voldaan. Volgens het college is dat het geval. Vaststaat, zoals ook op de zitting is besproken, dat het perceel grond waarop de camping is beoogd op zichzelf groter is dan 5.000 m2 en dat in de voorschriften geen beperking is gesteld aan de omvang van het kampeerterrein. In de voorschriften is wel bepaald dat uitvoering moet worden gegeven aan het landschapsplan dat is opgenomen als bijlage 5, en ook is als bijlage 4 een terreinindeling aan de vergunning gehecht. Anders dan [eisers] e.a. menen, volgt hieruit wel dat het kampeerterrein enkel op het noordelijke perceel zal worden gerealiseerd. Uit de stukken kan echter niet worden opgemaakt of het beoogde kampeerterrein voldoet aan het maximale omvangsvereiste van 5.000 m2 die volgt uit het planvoorschrift. De tekeningen zijn daarvoor te onbepaald. De stelling van het college dat er gehandhaafd kan worden, mocht het gerealiseerde kampeerterrein de maximale grootte overschrijden, laat onverlet dat het college op voorhand gehouden is om te toetsen of het aangevraagde plan voldoet aan de regels van het bestemmingsplan en aldus met een omgevingsvergunning verleend kan worden of niet. Het college heeft deze toets onvoldoende uitgevoerd. Een gevolg hiervan is dat evenmin kan worden vastgesteld of er wordt voldaan aan de eis dat de afstand van het kleinschalige kampeerterrein minimaal 50 meter bedraagt ten opzichte van het bouwvlak van derden (artikel 31.5, onder o, sub 4 van het bestemmingsplan). De beroepsgrond slaagt daarom.

22. De rechtbank merkt daarbij op dat [eisers] e.a. ten onrechte aanvoeren dat de 5.000 m2 zowel het kampeerterrein als de landschapskamers en de speelweide moeten omvatten. Het bestemmingsplan schrijft namelijk voor dat er onder de bestemming ‘Agrarisch’ ten behoeve van de nevenfuncties niet meer dan 5.000 m2 aan onbebouwde gronden in gebruik mogen worden genomen. Dit is dus exclusief de landschapskamers die in al bestaande bebouwing wordt gerealiseerd met de bestemming ‘Wonen’, en exclusief de speelweide die is beoogd op grond met de bestemming ‘Agrarisch’. Zoals de Afdeling in een vergelijkbare zaak2 heeft geoordeeld verzet de bestemming ‘Agrarisch’ zich niet tegen het gebruik als speelweide, omdat in artikel 3, lid 3.1 onder n van de planregels onder die bestemming mede het gebruik als ‘groen’ is toegestaan.

23. De rechtbank overweegt verder dat ook de belangenafweging van het college onvoldoende tot uiting is gekomen in het bestreden besluit. Om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, dient er nog steeds voldaan te zijn aan een goede ruimtelijke ordening. Hierbij is het van belang dat het gerealiseerde plan geen onevenredige inbreuk maakt op het woon- en leefklimaat van de omgeving. Het college dient de belangen van de omwonenden mee te nemen in de afweging bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit de verleende omgevingsvergunning en het bestreden besluit blijkt onvoldoende of en hoe deze weging heeft plaatsgevonden. Het college zal deze weging alsnog moeten maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook.

24. Ten aanzien van de voorschriften behorende bij de omgevingsvergunning overweegt de rechtbank dat deze voor het overige voldoende duidelijk zijn. Het college had ook geen aanvullende voorschriften hoeven stellen ten aanzien van het gebruik voor andere personen die daar niet hun nachtverblijf hebben. De planologische voorwaarden zoals opgenomen in het bestemmingsplan bieden wat dat betreft voldoende waarborgen. Het staat het college vrij om af te zien van aanvullende voorschriften. Ook heeft het college geen ecologisch vooronderzoek als voorwaarde hoeven eisen voor verlening van de omgevingsvergunning. Er is geen indicatie dat er een verstoring van beschermde soorten zal plaatsvinden door het verlenen van de omgevingsvergunning. Overigens stelt het college verder terecht dat indien er wel een verstoring zou plaatsvinden bij aanvullende activiteiten (zoals sloop), dit buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning valt. Het beroep slaagt op dit punt niet.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep, voor zover ingediend door de bewoners van de [adres 5] en de [adres 6] en door Stichting [bedrijf 2], is gegrond, omdat het college hun ten onrechte als belanghebbende bij het besluit heeft aangemerkt en daardoor in bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de bezwaren, ingediend door [naam 13], [naam 14], [eisers], [naam 1] en Stichting [bedrijf 2], niet-ontvankelijk zijn.

26. Het beroep, voor zover ingediend door de overige indieners, is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd, zodat het besluit in strijd is genomen met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college ten aanzien van de indieners [naam 3], [naam 9], [naam 4], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 2] en vof [bedrijf 1] een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

27. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eisers] e.a. vergoeden en krijgen [eisers] e.a. ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van [eisers] e.a. een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. [eisers] e.a. hebben geen andere kosten aangevoerd die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het besluit van 16 januari 2026;

  • bepaalt dat de bezwaren, voor zover ingediend door [naam 13], [naam 14], [eisers], [naam 1] en Stichting [bedrijf 2] niet-ontvankelijk zijn en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;

  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de indieners [naam 3], [naam 9], [naam 4], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 2] en vof [bedrijf 1] met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 190,- aan [eisers] e.a. moet vergoeden;

  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eisers] e.a..

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter, en mr. E.C. Rozeboom en mr. L.H.J. Baars, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »