ECLI:NL:RBOVE:2026:6212

Datum uitspraak
15-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
08-079158-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.079158.26 (P)

Datum vonnis: 15 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

1 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. S.A.S. Jansen, advocaat in Apeldoorn, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer 1], zoon van wijlen [slachtoffer 2], mede namens [slachtoffer 3], weduwe van wijlen [slachtoffer 2], voorgedragen slachtofferverklaring.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een auto op 30 september 2025 in Deventer:

primair: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) is overleden;

subsidiair: met zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt;

meer subsidiair: zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn auto tijdig tot stilstand kon brengen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op 30 september 2025 te Deventer in de gemeente Deventer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Zwolseweg, gaande in de richting van de Rembrandtkade, daarmede rijdende over de weg de Roland Holstlaan,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of

terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of

terwijl een ander (voetganger) vanaf de Platvoetsdijk de Roland Holstlaan wilde oversteken,

heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een minimale indicatieve snelheid van 72 kilometer per uur en/of

niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de kruising Roland Holstlaan met de Platvoetsdijk) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer 2]) werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 30 september 2025 te Deventer in de gemeente Deventer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Zwolseweg, gaande in de richting van de Rembrandtkade, daarmede rijdende over de weg de Roland Holstlaan,

terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of

terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of

terwijl een ander (voetganger) vanaf de Platvoetsdijk de Roland Holstlaan wilde oversteken,

heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een minimale indicatieve snelheid van 72 kilometer per uur en/of

niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de kruising Roland Holstlaan met de Platvoetsdijk) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger ten val is gekomen,

en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 september 2025 te Deventer als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Roland Holstlaan, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft hij gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een minimale indicatieve snelheid van 72 kilometer per uur en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger ten val is gekomen.

3 De bewijsmotivering

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het verkeersgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam is geweest, waardoor sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en zal hem dan ook integraal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel onoplettendheid. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte harder heeft gereden dan de maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, is dat op basis van de bewijsmiddelen in het dossier niet buiten redelijke twijfel vast te stellen. De in het dossier opgenomen snelheidsberekeningen die zijn gemaakt op basis van videobeelden en geluid resulteren namelijk in “een indicatieve gemiddelde snelheid”. De snelheidsberekening die gemaakt is op basis van remsporen biedt onvoldoende inzicht in de uitgangspunten die hiervoor gebruikt zijn. Welke snelheid verdachte reed met zijn auto en of hij dermate hard reed dat aan hem enige schuld te verwijten is, is op basis hiervan dus niet vast te stellen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, in het geval wel zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte de maximum toegestane snelheid had overschreden, in dit geval ook geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier de concrete verkeersomstandigheden ten tijde van het ongeval niet buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan, omdat exacte informatie over de oversteekpositie en looplijn van [slachtoffer 2] en de botspositie met de auto van verdachte ontbreekt. Het is onduidelijk gebleven op welke wijze [slachtoffer 2] de weg overstak (recht of schuin, met welk tempo) en hoe zichtbaar hij was voor verdachte. De conclusie van de vermijdbaarheidsanalyse dat “het ongeval waarschijnlijk niet was ontstaan als verdachte zich aan de maximumsnelheid had gehouden” is gebaseerd op aannames over de verkeerssituatie ten tijde van het ongeval en de rechtbank kan niet vaststellen van welke situatie precies is uitgegaan en op grond waarvan dat gedaan is. Bovendien staat in de conclusie van de vermijdbaarheidsanalyse ‘waarschijnlijk’, waarmee ook deze conclusie dus niet als vaststaand feit kan worden aangenomen.

De rechtbank kan dan ook niet buiten redelijke twijfel vaststellen of verdachte, ongeacht zijn snelheid, [slachtoffer 2] had kunnen dan wel moeten zien, tijdig zijn snelheid had kunnen aanpassen en het ongeval had kunnen voorkomen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zodanig heeft gehandeld dat dit aanmerkelijke schuld oplevert en het ongeval aan hem te verwijten is.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Om te komen tot een bewezenverklaring van - kort gezegd - het veroorzaken van gevaar of hinder voor het overige verkeer, moet worden vastgesteld dat sprake is van de overtreding van een verkeersregel en dat het daardoor veroorzaakte gevaar concreet en voorzienbaar was voor verdachte.

Zoals hiervoor is overwogen, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte de maximum toegestane snelheid heeft overschreden, dan wel zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn auto tijdig tot stilstand te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee dus ook niet worden vastgesteld dat het ongeval het gevolg was van concreet gevaarscheppend rijgedrag van verdachte, dat nodig is om tot een veroordeling voor overtreding van artikel 5 WVW 1994 te kunnen komen. De enkele omstandigheid dat verdachte [slachtoffer 2] niet heeft gezien en hem heeft aangereden, is hiervoor in dit geval niet voldoende.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde

Gelet op het hiervoor overwogene kan de rechtbank ook niet vaststellen dat verdachte een snelheidsovertreding heeft begaan en zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was. De rechtbank komt dan ook niet tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank hecht er waarde aan op te merken dat zij het onherstelbare verdriet van de nabestaanden door het overlijden van hun echtgenoot en vader ten zeerste onderkent. Het verkeer is op momenten een wreed onderdeel van onze samenleving dat ernstige slachtoffers eist. Hoezeer de rechtbank - en overigens ook de verdachte, zoals wel bij de behandeling op de zitting is gebleken - het verlies van hun geliefde familielid betreurt, schuld in strafrechtelijke zin van verdachte daaraan kan niet worden vastgesteld.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan integraal vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.E. Voorberg, voorzitter, mr. J. de Ruiter en

mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Leyendijk en mr. C.D. van Vliet, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.

Buiten staat

mr. J. de Ruiter en mr. G.J. Leyendijk zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »