RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/173057-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] (Bosnië en Herzegovina),
verblijvende op het adres van [adres] , [postcode] in [plaats]
(hierna: de verdachte).
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 8 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
-
de verdachte;
-
de advocaat van de verdachte: mr. D. Wiedeman (hierna: de advocaat);
-
de officier van justitie: mr. N. Schapendonk;
-
het slachtoffer: [slachtoffer 1] en zijn echtgenote [slachtoffer 2] ;
-
de advocaat van het slachtoffer [slachtoffer 1] : mr. J. Faber.
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 6 september 2024 in Almere:
Feit 1: als bestuurder van een auto op de A6 een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door met een te hoge snelheid te rijden en zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij zijn auto tijdig tot stilstand kon brengen, waardoor hij in botsing is gekomen met een auto voor hem op de weg en waardoor de bestuurder van die auto, [slachtoffer 1] , (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen;
Feit 2: op de hiervoor beschreven manier gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
3 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd.
Voor de mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeval (feit 1) gaat de officier van justitie uit van aanmerkelijke schuld. Daarnaast vindt zij dat het letsel van [slachtoffer 1] moet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 1. Het rijgedrag van de verdachte kan gekwalificeerd worden als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, maar niet als zeer onvoorzichtig en onoplettend of roekeloos. Van deze zwaardere gradaties van schuld moet de verdachte dan ook worden vrijgesproken.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs en deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken in paragraaf 3.3.
Ten aanzien van feit 2 voert de advocaat geen verweer over het bewijs en refereert zich voor dat feit aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1 en feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet (hierna: WVW)) en feit 2 (het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1 (het veroorzaken van een verkeersongeval)
3.3.2.1. Vastgestelde feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast, die op de zitting ook niet ter discussie hebben gestaan.
Op 6 september 2024 heeft er in Almere op de A6 een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij een door de verdachte bestuurde bedrijfsauto in botsing is gekomen met de (achterzijde van de) Tesla waar [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) als bestuurder in reed.
De A6 bestond ter hoogte van de plaats van het ongeval uit een recht stuk snelweg met vier rijstroken en de maximale toegestane snelheid was 100 kilometer per uur. Het slachtoffer reed op de tweede rijbaan van links en moest plotseling remmen voor zwanen die op de rijbaan liepen. Uit het forensisch onderzoek aan de auto van het slachtoffer volgt dat hij vanaf het moment dat hij had afgeremd tot aan het moment van de aanrijding – in totaal zo’n 28 seconden lang – met een maximale snelheid van 1,5 kilometer per uur reed, de alarmlichten van de Tesla continu aan stonden en ook de remlichten op meerdere momenten werden geactiveerd. Meerdere verkeersdeelnemers remden en weken uit voor de Tesla of verminderden hun snelheid en passeerden hem.
De verdachte reed (in ieder geval vlak voor het ongeval) op dezelfde rijbaan als het slachtoffer. Uit de analyse van de pre-crash data en de data van het navigatie- en infotainmentsysteem van zijn auto volgt dat de verdachte vanaf 5 seconden tot 0,5 seconde voor de aanrijding met een snelheid van ongeveer 123/124 kilometer per uur rechtdoor reed. Pas een fractie voor de botsing (een halve seconde daarvoor) werd het gaspedaal losgelaten, het rempedaal bediend en een stuurbeweging naar links gemaakt. De verdachte kon een aanrijding echter niet meer voorkomen en is met hoge snelheid op de Tesla ingereden. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Door de botsing maakte de Tesla een spin en botste deze tegen een passerende Ford Fiesta op de rijstrook naast hem. Deze Ford Fiesta is vervolgens tegen de vangrail gebotst.
De verdachte heeft verklaard dat hij de (nagenoeg) stilstaande auto van het slachtoffer plotseling zag. Hij heeft nog geprobeerd om uit te wijken, maar was daarmee toen al te laat. Hij heeft de alarm- en remlichten op geen enkel moment gezien en heeft ook niet gezien dat andere auto’s remden en uitweken voor het slachtoffer of langzamer reden om het slachtoffer te passeren. De verdachte weet niet waarom hij dit alles niet heeft gezien. Volgens de verdachte heeft hij mogelijk te lang in zijn zijspiegels gekeken.
3.3.2.2. Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Juridisch kader
De verdachte wordt er onder feit 1 van beschuldigd dat hij artikel 6 WVW heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor een ander ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor een bewezenverklaring van deze schuld, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
Van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag (onder meer) afstemt op andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.1
Kwalificatie van de gedragingen
Bij de beoordeling van de (mate van) schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de in 3.3.2.1. vastgestelde feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft niet gezien dat er voor hem op de weg een auto (nagenoeg) stilstond, terwijl het slachtoffer al 28 seconden lang stapvoets reed met zijn waarschuwingslampen aan. Ook werden de remlichten meerdere keren geactiveerd. De verdachte heeft ook niet gezien dat meerdere weggebruikers op deze (nagenoeg) stilstaande auto hebben gereageerd door te remmen en uit te wijken, dan wel met lagere snelheid te passeren. De verdachte heeft dit alles in zijn geheel niet gezien en is pas veel te laat, namelijk een halve seconde voor de aanrijding, gaan remmen.
Hoewel de rechtbank op basis van het dossier niet precies kan vaststellen vanaf welk moment en vanaf welke afstand de verdachte het slachtoffer en/of de uitwijkende auto’s heeft kunnen zien, leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte in ieder geval langer dan slechts een kort moment onoplettend is geweest. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de verdachte op een recht stuk snelweg reed, dat het ongeval overdag heeft plaatsgevonden en dat zijn zicht op de rijbaan naar eigen zeggen niet belemmerd werd. Ook overigens is niet gebleken dat zijn zicht werd beperkt. Bovendien reed de verdachte in een bedrijfsbus, waardoor hij hoger zit en daardoor doorgaans juist beter zicht heeft op de weg dan in een gemiddelde personenauto.
Daar komt bij dat de verdachte voor het ongeval harder reed dan was toegestaan (123/124 km per uur waar 100 km per uur was toegestaan). Het is een feit van algemene bekendheid dat bij te hard rijden de mogelijkheid voor de bestuurder om (plotselinge) gebeurtenissen of bewegingen van andere verkeersdeelnemers waar te nemen en daarop te anticiperen, afneemt. De verdachte had als verkeersdeelnemer te allen tijde rekening moeten houden met de mogelijkheid van onverwachte en plotselinge verkeerssituaties. Bestuurders moeten daarom ook in staat zijn hun voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kunnen overzien en waarover deze vrij is. Daar is de verdachte niet in geslaagd.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met het hiervoor beschreven verkeersgedrag tekortgeschoten is ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. De verdachte had anders kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van de verdachte – net als de officier van justitie en de advocaat – als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Met de officier van justitie en de advocaat is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag (ernstige schuld) of een nog zwaardere vorm van schuld (roekeloosheid). Om vast te kunnen stellen dat daarvan sprake is, is namelijk meer nodig dan wat er in deze zaak bewezen kan worden. Naast de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, is niet van andere verwijtbare verkeersgedragingen gebleken. De rechtbank weegt bij het bepalen van de mate van schuld ook mee dat op basis van dit dossier niet (objectief) kan worden vastgesteld hoe lang de verdachte daadwerkelijk onoplettend is geweest en het slachtoffer en/of de uitwijkende verkeersdeelnemers al had kunnen zien. De rechtbank zal de verdachte daarom gedeeltelijk vrijspreken van de zwaardere ten laste gelegde schuldgradatie van zeer onvoorzichtig en onoplettend en roekeloos rijgedrag.
Zwaar lichamelijk letsel
Uit de medische informatie en de verklaring van het slachtoffer volgt dat het slachtoffer als gevolg van het ongeval onder meer een blijvende dwarslaesie heeft opgelopen. Dit letsel kan vanwege de aard en ernst van het letsel, het feit dat er geen uitzicht is op (volledig) herstel maar ook naar algemeen spraakgebruik, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen vindt dat de verdachte artikel 6 WVW heeft overtreden, dat hij aanmerkelijke schuld heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag en dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1.
Ten aanzien van feit 2 (veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg)
De rechtbank oordeelt dat feit 2 ook wettig en overtuigend bewezen is. Zij verwijst hierbij naar haar overwegingen onder 3.3.2.1. Het daar omschreven aanmerkelijk onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag is impliciet ook gevaarzettend geweest voor het overige verkeer. Er is dan ook sprake van eendaadse samenloop van het aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettende rijgedrag en het gevaarzettende rijgedrag. Dat het rijgedrag van de verdachte ook daadwerkelijk gevaar en hinder op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW blijkt ook uit het feit dat de Tesla waar de verdachte tegenaan was gereden, doorschoot en tegen een passerende Ford Fiesta op de rijstrook naast hem is gebotst. De Ford Fiesta is vervolgens tegen de vangrail gebotst.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Feit 1
op 6 september 2024 te Almere, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto),
daarmede rijdende over de weg, de A6, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,
- met een hogere snelheid te rijden dan de op die weg maximale toegestane snelheid en
- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig op zodanige wijze te regelen dat hij in staat was het motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover de weg vrij was, althans met onverminderde snelheid door te rijden, althans zijn weggedrag niet zodanig aan te passen als gezien de situatie ter plaatse noodzakelijk was,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een (blijvende) dwarslaesie, heeft opgelopen;
Feit 2
op 6 september 2024 te Almere, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmee rijdende over de weg, de A6,
- met een hogere snelheid heeft gereden dan de op die weg maximale toegestane snelheid en
- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig op zodanige wijze heeft geregeld dat hij in staat was het motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover de weg vrij was, althans zijn weggedrag niet zodanig aan heeft gepast
als gezien de situatie ter plaatse noodzakelijk was,
- waardoor hij, verdachte, met zijn motorrijtuig tegen een Tesla is gebotst en deze Tesla een spin heeft gemaakt, en
- waardoor deze Tesla tegen een passerende Ford Fiesta is gebotst en deze Ford Fiesta tegen de vangrail is gebotst,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
De eendaadse samenloop van
Feit 1 : overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;
en
Feit 2 : overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5 Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte voor feit 1 wordt veroordeeld tot:
-
een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
-
een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van zes maanden.
De officier van justitie eist daarnaast dat de verdachte wel schuldig wordt verklaard voor de overtreding van feit 2, maar dat daarvoor geen straf of maatregel wordt opgelegd aan de verdachte vanwege de eendaadse samenloop tussen beide feiten.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een eventuele rijontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen, eventueel gecombineerd met een iets hogere taakstraf.
De advocaat voert daartoe aan dat het verkeersongeval ook impact op de verdachte heeft gehad. Het ongeval heeft bij de verdachte geleid tot gevoelens van depressie waardoor hij zich langere tijd opsloot in zijn huis. De verdachte denkt dagelijks aan het ongeval en de gevolgen voor het slachtoffer. De verdachte wilde wel contact opnemen met het slachtoffer, maar heeft dit uiteindelijk niet gedaan omdat hij niet de juiste woorden kon vinden. De verdachte heeft echter ook op andere manieren zijn verantwoordelijkheid genomen naar aanleiding van het ongeval door bijvoorbeeld een snelheidsbegrenzer aan te schaffen in zijn auto.
Daarnaast heeft de verdachte vijf kinderen en is hij kostwinner van het gezin. Zijn rijbewijs is onmisbaar voor zijn werk en daarnaast heeft zijn zoon specialistische zorg nodig en is die afhankelijk van de verdachte voor het vervoer daarnaartoe.
Tot slot verzoekt de advocaat om rekening te houden met het tijdsverloop.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd
De verdachte heeft een verkeersongeval op de A6 veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. Het slachtoffer reed al bijna een halve minuut stapvoets en met waarschuwings- en remlichten aan vanwege zwanen die op de rijbaan liepen. Meerdere auto’s hebben de auto van het slachtoffer ontweken of passeerden hem met lage snelheid. Dit alles heeft de verdachte niet opgemerkt. De verdachte reed harder dan was toegestaan en heeft niet (voldoende) gelet op het verkeer dat voor hem reed en is daardoor met hoge snelheid ingereden op de auto van het slachtoffer die voor hem reed op de rijbaan. Door de aanrijding heeft de bestuurder van deze auto zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een blijvende dwarslaesie.
Bij het ongeval was ook nog een derde auto betrokken. De auto van het slachtoffer schoot na de botsing door en botste tegen een andere auto op de rijbaan naast hem. Die auto kwam tegen de vangrail terecht. Er kan van geluk worden gesproken dat de inzittenden van die auto, een moeder met haar dochter, alleen materiele schade hebben geleden.
Met het rijgedrag heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht.
Op de zitting is namens het slachtoffer door zijn echtgenote een treffende slachtofferverklaring voorgelezen. Daaruit blijkt dat het ongeluk, en dus het handelen van de verdachte, heel veel impact heeft op het leven van zowel het slachtoffer als dat van zijn naasten. Als vader van vijf kinderen had het slachtoffer samen met zijn echtgenote een vol en actief leven en dat is door het ongeval compleet veranderd. Nu is hij grotendeels verlamd, volledig arbeidsongeschikt, zit hij in een rolstoel en is hij voor zijn zorg volledig afhankelijk van anderen. Alle zorg die hij nodig heeft, wordt verleend door zijn echtgenote die, om deze zorg te kunnen leveren, haar baan als huisarts heeft moeten opzeggen. Het slachtoffer kampt met gevoelens van verdriet en een schuldgevoel omdat hij het idee heeft dat zijn kinderen door dit alles structureel tekortkomen.
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij weliswaar meerdere keren contact heeft willen opnemen met het slachtoffer, maar dat hij hier uiteindelijk de moed niet voor had. Ook ging hij ervanuit dat een excuses van zijn kant niet helpend zouden zijn voor het slachtoffer. Op de zitting is tijdens de slachtofferverklaring echter duidelijk geworden dat juist de keuze van de verdachte om op geen enkel moment contact op te nemen, het slachtoffer en zijn naasten diep geraakt heeft en extra pijnlijk is geweest. Volgens het slachtoffer had een goed excuus iets kunnen verzachten en had dit kunnen helpen om los te laten.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 31 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Na het ongeval (tot aan de datum van de zitting een periode van meer dan 2 jaar) is de verdachte volgens zijn strafblad ook niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverzwarende zin mee.
De verdachte heeft op de zitting weliswaar aangegeven dat hij na het ongeval eenmalig bekeurd is voor een verkeersovertreding, maar deze overtreding staat niet op zijn strafblad en volgens de officier van justitie staat deze overtreding ook niet in de politiesystemen. De rechtbank heeft daarom te weinig informatie om deze (eventuele) overtreding in strafverzwarende zin mee te nemen.
Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 30 september 2026. In het rapport staat dat de verdachte stabiliteit lijkt te ervaren in zijn leven. Zo beschikt hij over eigen woonruimte, heeft hij een stabiel inkomen en heeft hij regelingen getroffen voor de schulden die hij heeft. Er is geen sprake van psychische problematiek of middelenproblematiek. Het bewezenverklaarde feit lijkt volgens de reclassering een incident te zijn geweest en het risico op herhaling wordt ingeschat als laag. De reclassering vindt reclasseringsbemoeienis niet nodig en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Strafkader
De rechtbank is zich bewust van de ernstige en blijvende gevolgen van het bewezen verklaarde voor het slachtoffer en zijn gezin en de impact die het ongeval op hem heeft gehad en nog altijd heeft. Tegelijkertijd moet de hoogte van straf in overeenstemming zijn met het strafrechtelijke verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt. Dit betekent met andere woorden dat de rechtbank de straf mede baseert op de door de rechtbank vastgestelde mate waarin de verdachte zich onoplettend heeft gedragen, zoals hierboven uitgelegd.
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van zes maanden als uitgangspunt genomen.
De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt als uitgangspunt bij het bepalen van de straf voor feit 1. De rechtbank ziet wel aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van dit uitgangspunt, in die zin dat de rijontzegging geheel voorwaardelijk wordt opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank in belangrijke mate rekening met het tijdsverloop. Het tijdsverloop sinds het ongeval is groot en dat is niet aan de verdachte te wijten. Daarnaast is duidelijk geworden dat de verdachte zijn rijbewijs hard nodig heeft voor zijn werk en de zorg voor zijn kind. Gelet op deze combinatie van omstandigheden vindt de rechtbank het niet passend om op dit moment, twee jaar na het ongeval, nog een onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen. Gelet op de ernst van het feit ziet de rechtbank wel aanleiding om de voorwaardelijke rijontzegging voor een langere duur op te leggen, zodat de verdachte een stok achter de deur heeft om zich in het verkeer verantwoordelijk te (blijven) gedragen.
Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte voor feit 1 een taakstraf van 120 uur op.
Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte, gelet op het tijdsverloop en het belang van de verdachte bij behoud van zijn rijbewijs, een geheel voorwaardelijke rijontzegging opleggen voor de duur van één jaar. Deze bijkomende straf wordt opgelegd met het doel om de verdachte (blijvend) te motiveren om voorzichtig en oplettend te zijn/rijden in het verkeer. De rechtbank koppelt hier een proeftijd van twee jaar aan.
Omdat feit 2 (artikel 5 WVW) een overtreding betreft, moet de rechtbank daarvoor een aparte straf opleggen. In dit geval vindt de rechtbank het vanwege de eendaadse samenloop tussen beide feiten niet opportuun om voor deze overtreding een straf op te leggen. In de straf voor feit 1 zijn namelijk alle gedragingen al meegewogen die ook onder feit 2 bewezen zijn verklaard. De rechtbank ziet onder die omstandigheden net als de officier van justitie naar redelijkheid geen doel in oplegging van een afzonderlijke straf voor de overtreding van feit 2. Zij zal de verdachte daarom voor deze overtreding schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel (artikel 9a Sr).
6 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
7 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
-
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
-
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte voor feit 1 tot een taakstraf van 120 uur;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
-
ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;
-
bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
-
als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-
stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast;
- bepaalt dat voor feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd;
Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mr. L.M. Reijnierse en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.
Mr. M.J. Westerink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Almere, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto),
daarmede rijdende over de weg, de A6, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een hogere snelheid te rijden dan de op die weg maximale toegestane snelheid en/of
- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig op zodanige wijze te regelen dat hij in staat was het motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover de weg vrij was, althans met onverminderde snelheid door te rijden, althans zijn weggedrag niet zodanig aan te passen als gezien de situatie ter plaatse noodzakelijk was,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een (blijvende) dwarslaesie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
2
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Almere, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmee rijdende over de weg, de A6,
- met een hogere snelheid heeft gereden dan de op die weg maximale toegestane snelheid en/of
- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig op zodanige wijze heeft geregeld dat hij in staat was het motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover de weg vrij was, althans zijn weggedrag niet zodanig aan heeft gepast
als gezien de situatie ter plaatse noodzakelijk was,
- waardoor hij, verdachte, met zijn motorrijtuig tegen een Tesla is gebotst en/of gereden en deze Tesla een spin heeft gemaakt, en/of
- waardoor deze Tesla tegen een passerende Ford Fiesta is gebotst en deze Ford Fiesta tegen de vangrail is gebotst,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Bijlage II: Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2 2
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Een proces-verbaal van aanrijding misdrijf, voor zover inhoudende:
Datum: 6 september 2024
Locatienaam: A6
Plaats: Almere
Maximum snelheid: 100 km per uur.3
Verdachte: [verdachte]
Betrokken partijen:
- Tesla, bestuurder [slachtoffer 1]4
- Ford Fiesta
- Ford Transit, [kenteken] , bestuurder [verdachte]5
Bij het ongeval heeft [slachtoffer 1] letsel opgelopen: dwarslaesie (blijvend).6
Een proces-verbaal van verkeersongevalanalyse, voor zover inhoudende:
Op 6 september 2024 heeft er op de Rijksweg A6, te Almere een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij drie voertuigen betrokken waren.
De bestuurder van de Tesla heeft op rijstrook 2 zijn voertuig tot stilstand gebracht. De bestuurder van de Ford Fiesta is de personenauto voorbij gereden op rijstrook 1.
De bestuurder van de Ford Transit was niet in staat om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. De voorzijde van de Ford Transit reed met een snelheid van 123 km per uur tegen de achterzijde van de Tesla. Door deze aanrijding is de Tesla naar voren gestoten en tegen de Ford Fiesta welke op rijstrook 1 reed aangekomen.7
Een proces-verbaal van forensisch voertuigonderzoek, voor zover inhoudende:
Ford transit, [kenteken]8:
Uit de analyse van de pre-crash data is gebleken dat op 5 seconden tot 0,5 seconde voor de start van het crash algoritme een voertuigsnelheid was geregistreerd van 124 km/u. In die periode werd het rempedaal niet bediend, werd het gaspedaal bediend met een percentage van 80,8% en de stuurstand betrof ‘straight' (rechtdoor).
Uit het onderzoek aan het navigatie- en infotainmentsysteem bleek dat er een tracklog was opgeslagen van de laatste rit tot aan de eindpositie van de Ford op de plaats van het verkeersongeval.9 Uit de tracklog bleek dat de bestuurder van de Ford reed met een geregistreerde snelheid van rond de 123 km/u op de Rijksweg A6 te Almere.
Door de geregistreerde voertuigsnelheden uit de EDR en het navigatiesysteem te vergelijken is het zeer waarschijnlijk dat de bestuurder van de Ford vlak voor het verkeersongeval reed met een snelheid gelegen rond de 123/124 km/u.10
Een geschrift, te weten een letselrapportage, voor zover inhoudende:
[slachtoffer 1]
Datum incident: 6-9-2024
Vastgestelde letsels bij opname:
- dwarslaesie thoracaal11
06-09-2024 operatie wervelkolom: stabilisatie wervelkolom met
schroeven, staven en een decompressie van het beknelde ruggenmerg.12
Een proces-verbaal van de verklaring van getuig [getuige] , voor zover inhoudende:
Ik reed op de A6 in een Ford Fiesta. Ik zag dat een Tesla op de rem stond. Ik wilde de stilstaande Tesla passeren en op dat moment zag ik dat de Tesla geraakt werd door een ander voertuig en ik zag dat de Tesla in een slip belandde. Ik voelde dat de Tesla tegen mijn voertuig botste en dat mijn auto naar de vangrail werd geduwd.13
De verklaring van de verdachte op de zitting van 8 oktober 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 6 september 2024 op de A6 reed. Ik zag ineens een stilstaande auto. Ik probeerde nog te reageren, maar ik was al te laat. Alarmlichten of remlichten bij deze auto zijn mij niet opgevallen. Ik heb ook geen andere auto op de rem zien staan of zien uitwijken. Ik had goed zicht op de weg.