ECLI:NL:RBGEL:2026:7992

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
05/131981-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Dodelijk ongeval waarbij een bedrijfsbus en fietser betrokken waren. De rechtbank spreekt verdachte vrij van artikel 6 WVW en veroordeelt voor 5 WVW. Verdachte krijgt een taakstraf voor de duur van 80 uren en een voorwaardelijke OBM van zes maanden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/131981-26

Datum uitspraak : 13 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. B.M.A. Kersten, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Voorst in de gemeente Voorst (th), alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto),komende uit de richting van Deventer, gaande in de richting van Voorst, daarmederijdende over de Deventerweg (N790),roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/ofonachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/ofterwijl het donker was en/ofterwijl het uitzicht voor hem, verdachte over die weg geenszins werd beperkt en/ofterwijl een bestuurder van een fiets al enige tijd en/of afstand voor hem reed,- aldaar te rijden met een snelheid, met een minimale snelheid van 73 kilometer peruur en een maximale snelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een groteresnelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, inelk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatsegeboden was en/of- (daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door zijn bestuurde voertuigheeft gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor hemrijdende verkeer en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op hetoverige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehaden/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels enverkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto nietzodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengenbinnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij wasen/ofhij (vervolgens), is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, de, voorhem uit rijdende, bestuurder van fiets en/of een fiets,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijtenverkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer][slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Voorst in de gemeente Voorst (th), alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto),komende uit de richting van Deventer, gaande in de richting van Voorst, daarmederijdende over de Deventerweg (N790),terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/ofterwijl het donker was en/ofterwijl het uitzicht voor hem, verdachte over die weg geenszins werd beperkt en/ofterwijl een bestuurder van een fiets al enige tijd en/of afstand voor hem reed,- aldaar te rijden met een snelheid, met een minimale snelheid van 73 kilometer peruur en een maximale snelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een groteresnelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, inelk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatsegeboden was en/of- (daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door zijn bestuurde voertuigheeft gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor hemrijdende verkeer en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op hetoverige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehaden/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels enverkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto nietzodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengenbinnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij wasen/ofhij (vervolgens), is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, de, voorhem uit rijdende, bestuurder van fiets en/of een fiets,en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Voorst als bestuurder van een voertuig(bedrijfsauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,Deventerweg, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijnvoertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg konoverzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans inaanrijding is gekomen met, de, voor hem uit rijdende, bestuurder van fiets en/ofeen fiets.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 15 januari 2026 heeft in Voorst (gemeente Voorst) een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte was daarbij betrokken als bestuurder van een voertuig, een bedrijfsbus. Hij reed over de Deventerweg (N790) vanuit Deventer richting Voorst. Op die weg kwam verdachte in botsing met een voor hem rijdende persoon op een fiets, dhr. [slachtoffer] . [slachtoffer] is als gevolg van deze botsing overleden.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld wat exact is gebeurd (waar de botsing heeft plaatsgevonden en de toedracht daarvan) en dus ook niet aan wiens schuld het ongeval te wijten is. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair tenlastegelegde als het subsidiair tenlastegelegde feit. Er is in dit geval geen dusdanig verwijtbaar handelen van verdachte dat geoordeeld kan worden dat hij aanmerkelijk verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld. Een stuurbeweging en een hoogstens minimale snelheidsoverschrijding is onvoldoende om aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan te nemen. Verdachte heeft het slachtoffer niet gezien. Dat betekent niet dat sprake is van gevaarzetting of hinderlijk gedrag. Er wordt in dit geval ook niet aan het gevaarscriterium van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 6 WVW

De rechtbank dient te beoordelen of het handelen van verdachte schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW oplevert. Bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW gaat het om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld dient te worden of verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. De schuld heeft geen betrekking op de relatie tussen het gedrag en de gevolgen (dood of letsel) bij een of meer slachtoffers. Dat betekent dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het handelen, kan worden vastgesteld dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Hoe verschrikkelijk en fataal de gevolgen in dit geval ook zijn geweest.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. De weg bestond uit één rijbaan bestemd voor verkeer uit beide richtingen. Aan beide kanten van de weg was de rijbaan voorzien van een rode fietsstrook. De weg had een recht verloop. Er waren geen tijdelijke verkeersmaatregelen van kracht. Het was op het moment van het ongeval (omstreeks 7:00 uur in de ochtend) donker en er was geen straatverlichting aanwezig. Zowel de bedrijfsbus van verdachte als de fiets van het slachtoffer hadden werkende verlichting. Het slachtoffer reed op enige afstand voor verdachte in dezelfde richting. De maximum snelheid op de weg was 60 km/h.3

Verdachte was goed bekend met de verkeerssituatie op deze weg. Hij reed daar bijna elke dag op weg naar zijn werk. Het uitzicht op de weg voor hem was volgens verdachte op het moment van het ongeval niet beperkt. Desondanks heeft hij het slachtoffer niet gezien. Verdachte wist dat de maximumsnelheid op die weg 60 km/h was. Verdachte reed echter naar eigen zeggen enkele kilometers per uur harder. 4 Door middel van een analyse van het wegkantsysteem is gebleken dat verdachte op ongeveer zestig meter voor de botslocatie tussen de 73 km/h en 80 km/h heeft gereden.5 Verdachte heeft voor het ongeval niet geremd. Wel heeft verdachte verklaard dat hij, toen hij vlak voor de botsing wilde uitwijken voor een tegenligger en daarbij naar rechts uitweek, gas losliet. Toen vond volgens verdachte de botsing plaats.6 Verdachte heeft dus niet krachtig geremd of voor een langere periode gas losgelaten. De snelheid ten tijde van de botsing, slechts een zeer korte tijd later, kan daarom niet enorm veel afgeweken hebben van de eerder gemeten snelheid bij de weglus. De rechtbank ziet gelet hierop geen reden om te twijfelen aan de bij het onderzoek door de Forensische Opsporing Verkeer (FO) bepaalde snelheid en zal uitgaan van een snelheid van in ieder geval hoger dan de toegestane 60 km/h.

Tot slot hebben de politie en de FO ook onderzocht of verdachte op een andere manier afgeleid was of niet in staat zijn bedrijfsbus te besturen. Verdachte bleek niet onder invloed van verdovende middelen en heeft ook niet zijn mobiele telefoons of de systemen in de bedrijfsbus bediend vlak voor of op het moment van de botsing.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte verweten kan worden dat hij met een (iets) hogere snelheid reed dan de toegestane 60 km/h. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van verdachte niet van dien aard dat kan worden aangenomen dat hij roekeloos, zeer, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden. Daarom kan het primair ten laste gelegde feit niet worden bewezen en zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Artikel 5 WVW

Anders dan de verdediging heeft bepleit, vindt de rechtbank dat wel sprake is van overtreding van artikel 5 WVW. Verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt door te rijden met een snelheid die hoger was dan ter plaatse was toegestaan. Dit terwijl het donker was, er geen straatverlichting was en er wel fietsers aanwezig waren op de weg, zoals verdachte heeft verklaard.7 Hij heeft zijn snelheid mede gezien die omstandigheden onvoldoende aangepast aan andere (mogelijke) weggebruikers. Verdachte heeft het voor hem uit fietsende slachtoffer niet (tijdig) opgemerkt en is in botsing gekomen met die fietser.

Het gevaar heeft zich dus daadwerkelijk verwezenlijkt nu er een aanrijding heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan de fietser is overleden. De rechtbank vindt het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Voorst in de gemeente Voorst (th), alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto),komende uit de richting van Deventer, gaande in de richting van Voorst, daarmederijdende over de Deventerweg (N790),terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/ofterwijl het donker was en/ofterwijl het uitzicht voor hem, verdachte over die weg geenszins werd beperkt en/ofterwijl een bestuurder van een fiets op enige tijd en/of afstand voor hem reed,- aldaar te rijden met een snelheid, met een minimale snelheid van 73 kilometer peruur en een maximale snelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een groteresnelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, inelk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatsegeboden was en/of- (daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door zijn bestuurde voertuigheeft gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor hemrijdende verkeer en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op hetoverige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehaden/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels enverkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto nietzodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengenbinnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij wasen/ofhij (vervolgens), is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, de, voorhem uit rijdende, bestuurder van een fiets en/of een fiets,en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd.Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld (vanwege de primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 WVW) tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij een veroordeling geen onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen en het te houden bij een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Verdachte is de hoofdverdiener in het gezin. Een onvoorwaardelijke taakstraf is niet te combineren met zijn werk- en gezinsleven. Verdachte is voor de uitoefening van zijn werk afhankelijk van zijn rijbewijs. Als verdachte zijn rijbewijs kwijtraakt, zal hij zijn baan verliezen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte reed met een hogere snelheid dan was toegestaan in de vroege ochtend van 15 januari 2026 naar zijn werk. Hij zag niet dat op de weg voor hem een oudere man op een fiets reed en kwam met die fietser in botsing. Het slachtoffer overleed ter plekke, ondanks reanimatiepogingen van verdachte, omstanders en de toegesnelde ambulancemedewerkers. De rechtbank begrijpt dat het overlijden van het slachtoffer bijzonder verdrietig is en een enorme impact op zijn familie en omgeving heeft. Geen enkele strafoplegging zal dit leed op kunnen heffen.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte direct na het ongeval direct eerste hulp heeft verleend aan het slachtoffer samen met omstanders en daarna volledig heeft meegewerkt aan het politieonderzoek. Verdachte is schuldbewust en heeft verklaard dat hij tot op de dag van vandaag nog last heeft van de gevolgen van zijn handelen en zich blijft afvragen hoe het ongeluk heeft kunnen gebeuren. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en niet eerder in aanraking met politie en justitie gekomen voor verkeersovertredingen.

Omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van overtreding van artikel 6 WVW (een misdrijf) en veroordeelt vanwege overtreding van artikel 5 WVW (een overtreding) en dus tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, vindt de rechtbank ook een lagere taakstraf dan is geëist passend. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte fulltime werkt en daarmee zijn gezin onderhoudt.

De rechtbank legt, alles afwegend, aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien verdachte die taakstraf niet naar behoren verricht.

Daarnaast ziet de rechtbank het belang van verdachte om zijn rijbewijs te behouden. Verlies van zijn rijbewijs zal een grote impact hebben op het werk- en gezinsleven van verdachte. Daarom legt de rechtbank aan verdachte op een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden onder de algemene voorwaarde met een proeftijd van twee jaar. Een langere proeftijd vindt de rechtbank niet nodig. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte gedurende langere tijd een stok achter de deur nodig heeft om recidive te voorkomen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;

 bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door I.D. Jacobs (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Duis-van Grol, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »