ECLI:NL:RBOVE:2026:6158

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/08/345091 / JE RK 26-260
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

GI acht voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk. Kinderrechter toetst desondanks het aangehouden verzoek tot verlenging.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Almelo

Zaaknummer: C/08/345091 / JE RK 26-260

Datum uitspraak: 29 september 2026

Beschikking afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Enschede,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. F. Pool,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M. Metin.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Op 9 april 2026 heeft de kinderrechter in deze zaak een tussenbeschikking gegeven, waarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd voor de duur van een jaar met ingang van 13 april 2026 tot 13 april 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie is verlengd voor de duur van zes maanden met ingang van 13 april 2026 tot 13 oktober 2026. Iedere verdere beslissing op het verzoek van de GI over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is aangehouden.

1.2.

Op 31 augustus 2026 is een schriftelijke update van de GI binnengekomen.

1.3.

Op 29 september 2026 is de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet, gelijktijdig met de zaak met nummer C/08/345096 / JE RK 26-261, waarop afzonderlijk bij beschikking van heden is beslist. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. M. Krol, waarnemend voor mr. Pool;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en ambulant begeleider [naam 1] (Ambulante Zorg Twente), aan wie bijzondere toegang is verleend;

- [naam 2] en [naam 3] namens de GI.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 28 september 2026, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Voor de feiten wordt hier verwezen naar de tussenbeschikking van 9 april 2026.

3 Het verzoek

3.1.

Sinds de tussenbeschikking van 9 april 2026 heeft de GI samen met de ouders en het gezinshuis een ‘terug naar huis’ plan gemaakt. Hierbij is goed gekeken naar de belangen van [minderjarige] , zodat zij niet overvraagd gaat worden en de afspraken voornamelijk voor haar duidelijk zijn. Het gaat goed met [minderjarige] nu ze meer naar haar ouders gaat en ze lijkt geen ander gedrag te tonen. De GI heeft één keer een Veilig Thuis melding ontvangen over dat er ruzie is geweest tussen de vader en familie tijdens een contactmoment van [minderjarige] bij de ouders thuis. De politie is daarbij betrokken geweest en heeft een zorgmelding gemaakt. [minderjarige] is met haar ouders en halfzussen een weekend naar de formule 1 in Oostenrijk geweest en tevens is zij in de zomervakantie wat langer bij haar ouders geweest. Nu [minderjarige] vaker en langer naar huis gaat is in overleg met de ouders besloten om de begeleiding van [stichting 1] stop te zetten, mede ook omdat er vanuit [stichting 1] geen zorgen naar voren kwamen tijdens de contactmomenten. De ouders hebben ontwikkeling laten zien in hun opvoedvaardigheden en staan open voor adviezen. Wel wordt vanuit [stichting 1] geadviseerd om intensieve opvoedondersteuning in te zetten om het gezin te ondersteunen tijdens de overgang en de verdere opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] heeft traumabehandeling van [stichting 2] gevolgd, maar geconstateerd is dat de behandeling aan de oppervlakte blijft en het haar niet lukt om een diepere laag in haarzelf te bereiken. Er is daarom gekozen om speltherapie in te zetten zodat [minderjarige] minder woorden nodig heeft en vanuit gevoel mag spelen. Echter komt [minderjarige] niet tot spel en lijkt zij niets uit te durven spreken, bang voor de consequenties wanneer ze dit wel doet. De ouders gaan daarom [minderjarige] toestemming geven dat ze alles mag vertellen en spelen wat ze wil. Ook gaan zij [minderjarige] naar de speltherapie brengen in de hoop dat [minderjarige] iets meer durft te laten zien bij de therapie. Het is van belang dat de speltherapie doorgang blijft houden.

3.2.

Gelet op al het vorenstaande is de GI van mening dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer nodig is en [minderjarige] per 12 oktober 2026 weer bij haar ouders kan gaan wonen. Tot die tijd zal de GI het proces volgen en indien nodig bijsturen om de overgang van [minderjarige] zo soepel mogelijk te maken. IAG van Pluryn is gevraagd om ook [minderjarige] mee te nemen in het traject. Pluryn is bekend bij het gezin en dit voorkomt dat er opnieuw iemand betrokken gaat raken rondom het traject van [minderjarige] .

4 De beoordeling

Voorafgaand

4.1.

Vaststaat dat de GI het onderhavige verzoek niet langer wenst te handhaven dan wel wenst in te trekken, zoals ook blijkt uit de schriftelijke update van 31 augustus 2026. Alle belanghebbenden stemmen daarmee in.

4.2.

Artikel 1:265j BW vereist toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) indien de GI een kinderbeschermingsmaatregel niet wenst te verlengen (lid 1) of als zij deze tussentijds wil beëindigen (lid 2). In de onderhavige zaak is het resterende gedeelte van het verzoek bij tussenbeschikking van 9 april 2026 aangehouden. Nu de GI het aangehouden gedeelte van het verzoek wenst in te trekken, ontstaat er een risico dat er geen toetsing meer plaatsvindt; noch door de raad, noch door de kinderrechter, omdat er alsdan geen verzoek meer ligt. Het uitgangspunt van de wetgever is echter dat als een kinderbeschermingsmaatregel stopt, er iemand moet meekijken, dan wel de raad dan wel de kinderrechter. Het vorenstaande kan niet slechts op een ‘afspraak’ tussen de ouders en de GI berusten. In onderhavige zaak ontbreekt de door de raad vereiste toetsing. Om die reden is het aangehouden gedeelte van het verzoek behandeld op de mondelinge behandeling van 29 september 2026.

Het inhoudelijke oordeel

4.3.

De kinderrechter zal het aangehouden gedeelte van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing afwijzen, hetgeen betekent dat de huidige machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog doorloopt tot 13 oktober 2026. Uit de door de GI verstrekte informatie volgt dat [minderjarige] op of na 8 oktober 2026 zal terugkeren naar haar ouders. De tussenliggende periode wordt benut om de overgang geleidelijk te laten verlopen, zodat [minderjarige] op gepaste en zorgvuldige wijze afscheid kan nemen van het gezinshuis en haar sociale omgeving aldaar.

4.4.

De ondertoezichtstelling van [minderjarige] loopt onverminderd door tot 13 april 2027. De GI heeft bevestigd dat haar betrokkenheid inmiddels hoofdzakelijk op de achtergrond plaatsvindt en dat de ouders goed samenwerken met de reeds betrokken hulpverlening in het vrijwillig kader. Evenals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de beschikking van 23 september 2025 heeft beschreven, heeft de kinderrechter er alle vertrouwen in dat de ouders deze hulpverlening in het vrijwillig kader voortvarend blijven oppakken. Hoewel een terugkeer van [minderjarige] naar de thuissituatie niet zonder hobbels zal verlopen en ondersteuning noodzakelijk blijft, is duidelijk waarneembaar dat de ontstane rust een gunstige uitwerking heeft op [minderjarige] (en halfzus [naam 4] ). De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de ouders deze stijgende lijn weten vast te houden.

4.5.

Gelet op de tot dusver behaalde resultaten spreekt de kinderrechter de hoop uit dat een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] volgend jaar niet meer aan de orde zal zijn en dat de ouders de hulpverlening zelfstandig in het vrijwillig kader kunnen voortzetten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de ouders deze stijgende lijn weten vast te houden. De ouders hebben een lang en intensief traject doorlopen en een mooie ontwikkeling doorgemaakt. Het behaalde resultaat verdient een groot compliment.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

wijst het resterende gedeelte van het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026 door

mr. A. Flos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Işik-Wispels als griffier, en op schrift gesteld op 12 oktober 2026.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »