RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12315710 \ CV EXPL 26-2336
Vonnis in verzet in kort geding van 1 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats],
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mrs. G.M. Volkerink en S.E. Koers,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M. de Jong (De Jong juristen Zwolle B.V.).
1 De zaak in het kort
[eiser] heeft [gedaagde] in kort geding gedagvaard en daarbij onder meer betaling van achterstallige huur en ontruiming van een bedrijfsruimte gevorderd. De vorderingen zijn bij verstek toegewezen. [gedaagde] is daartegen in verzet gekomen.
De kantonrechter moet eerst beoordelen of het verzet tijdig is ingesteld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat dat niet het geval is. [gedaagde] is daarom niet-ontvankelijk in haar verzet. Aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen wordt niet toegekomen. Hierna licht de kantonrechter deze beslissing toe.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van [eiser],
- het verstekvonnis van 5 maart 2025met zaaknummer 11481892 \ CV EXPL 25-102,
- de verzetdagvaarding met producties van [gedaagde],- de aanvullende producties van [eiser],- de mondelinge behandeling van 17 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [gedaagde],- de pleitnota van [eiser].
3 Het geschil en de beoordeling daarvan
Waar deze zaak over gaat
[naam] is bestuurder van [gedaagde]. [eiser] is eigenaar van een bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] (hierna: de bedrijfsruimte). [eiser] en [naam] hebben mondeling een huurovereenkomst gesloten. Deze geldt voor onbepaalde tijd. De huurprijs bedraagt € 907,50 per maand, inclusief btw. De bedrijfsruimte wordt gebruikt voor de opslag van roerende zaken.
Vanaf mei 2022 werden de huurtermijnen onregelmatig of slechts gedeeltelijk betaald. Vanaf maart 2024 bleef betaling geheel uit. [eiser] heeft [gedaagde] aangemaand om de huurachterstand te voldoen. Omdat betaling uitbleef en [eiser] het pand aan een derde wilde verhuren, heeft [eiser] in kort geding betaling van de huurachterstand, ontruiming van de bedrijfsruimte op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag en betaling van een gebruiksvergoeding van € 907,50 per maand vanaf januari 2025 tot de dag van ontruiming gevorderd. Verder heeft [eiser] gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij verstekvonnis van 5 maart 2025 met zaaknummer 11481892 \ CV EXPL 25-102 (hierna: het verstekvonnis) zijn de vorderingen van [eiser] toegewezen. De dwangsom is gematigd tot € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde voldoet, met een maximum van € 50.000,00.
Op 15 mei 2025 is de bedrijfsruimte door een deurwaarder ontruimd.
[gedaagde] is vervolgens in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. [gedaagde] vordert dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiser] alsnog worden afgewezen. [gedaagde] stelt dat zij tijdig verzet heeft ingesteld. Volgens [gedaagde] is zij op 19 juni 2026, twee dagen nadat zij bij de griffie van de rechtbank het verstekvonnis had opgevraagd en toegestuurd had gekregen, bekend geraakt met de inhoud van het vonnis. Verder voert [gedaagde] aan dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij het door haar gevorderde en dat de vordering zich niet leent voor beoordeling in kort geding. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat het vonnis formeel uitsluitend is gewezen tegen [gedaagde], terwijl de feitelijke gebruiker en huurder van het gehuurde [bedrijf] B.V. zou zijn geweest. [bedrijf] B.V. is nooit in rechte betrokken, heeft zich niet kunnen verweren en is ook niet veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. De executie van het vonnis is daardoor onrechtmatig, aldus [gedaagde]. [gedaagde] stelt verder dat [eiser] misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid en dat bedrijfsgoederen zijn weggehaald en dat daardoor de onderneming is stilgelegd. Volgens [gedaagde] is er aanleiding om [eiser] te veroordelen in de werkelijke proceskosten.
[eiser] betwist dat het verzet tijdig is ingesteld. Daarnaast stelt [eiser] zich op het standpunt dat de vorderingen in het verstekvonnis terecht zijn toegewezen. Volgens [eiser] is de huurovereenkomst met [gedaagde] gesloten, zijn de facturen ook op naam van [gedaagde] gesteld en was de huurachterstand ernstig genoeg om ontruiming te rechtvaardigen. [eiser] betwist verder het overige dat [gedaagde] heeft aangevoerd.
Het oordeel van de kantonrechter in verzet: [gedaagde] is niet-ontvankelijk
De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of [gedaagde] ontvankelijk is in verzet. De kantonrechter stelt voorop dat artikel 143 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat verzet moet worden ingesteld binnen vier weken na (i) betekening van het verstekvonnis in persoon aan de veroordeelde, (ii) een daad van bekendheid van de veroordeelde of (iii) de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. In artikel 144 onder d Rv staat vervolgens dat in geval van gedwongen ontruiming van onroerende zaken het vonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd nadat de ontruiming heeft plaatsgevonden.
Vast staat dat de ontruiming van het bedrijfspand op 15 mei 2025 heeft plaatsgevonden. Daarmee is het vonnis ten uitvoer gelegd in de zin van artikel 144 onder d Rv en is de verzettermijn gaan lopen. De verzetdagvaarding dateert van 16 juli 2026. Dat is buiten de termijn van vier weken. [gedaagde] is daarmee in beginsel te laat in verzet gekomen.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK9154) volgt dat in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan bestaan voor een beperkte verruiming van de verzettermijn, indien strikte toepassing daarvan het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM in de kern zou aantasten. Daarvoor is vereist dat het instellen van verzet binnen de wettelijke termijn op zwaarwegende bezwaren stuit.
De kantonrechter stelt voorop dat, voor zover [gedaagde] heeft beoogd te betogen dat de verzettermijn gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad moet worden verruimd, geldt dat het in dit geval niet gaat om een beperkte verruiming, maar om een verruiming van ruim een jaar. Maar zelfs als daaraan wordt voorbijgegaan en wordt getoetst aan de maatstaf uit het arrest van de Hoge Raad, ziet de kantonrechter in de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden voorshands geen aanleiding voor een verruiming van de verzettermijn.
Daartoe weegt mee dat de stelling van [gedaagde] dat zij vanaf de zomer van 2024 geen toegang meer had tot de bedrijfsruimte door [eiser] is betwist. Maar ook als ervan zou worden uitgegaan dat [gedaagde] geen toegang meer had, dan volgt daar nog niet uit dat van [gedaagde] redelijkerwijs niet kon worden verlangd tijdig verzet in te stellen.
Dat de stukken zijn betekend op een adres waar [gedaagde] wel stond ingeschreven, maar feitelijk niet meer gevestigd was, maakt dat niet anders. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] wist of moest begrijpen dat [gedaagde] daar feitelijk niet meer gevestigd was. Dat brengt mee dat deze omstandigheid voor rekening en risico van [gedaagde] komt.
Ook de stelling van [gedaagde] dat haar bedrijfsactiviteiten waren stilgelegd en dat zij de uitkomst van lopend onderzoek door overheidsinstanties wilde afwachten, biedt geen aanknopingspunten om van de wettelijke termijn af te wijken. Deze omstandigheden zijn door [gedaagde] slechts summier toegelicht. Ook is niet geconcretiseerd waarom die omstandigheden eraan in de weg stonden om tijdig verzet in te stellen. Dat [gedaagde] gedurende meerdere jaren voorwerp van onderzoek is geweest, vormt op zichzelf nog geen zwaarwegende belemmering voor het instellen van verzet. Daarbij komt dat [gedaagde] zelf heeft gesteld dat haar bedrijfsvoering in gevaar is gekomen doordat bedrijfsmiddelen door [eiser] zouden zijn verkocht of vervreemd. Dat valt moeilijk te rijmen met haar stelling dat zij niet eerder kennis kon nemen (of heeft genomen) van het verstekvonnis. Bovendien is ter zitting besproken dat [gedaagde] gebruikmaakt van een privé e-mailadres van [naam] en dat zij dat adres ook in de periode rondom het verstekvonnis en de ontruiming gebruikte. Tegen die achtergrond is het niet aannemelijk dat berichten over de ontruiming en executie [gedaagde] niet hebben bereikt.
Onder voorgaande omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de termijn van verzet al was verstreken. Onverkorte toepassing van artikel 143 lid 3 Rv in verbinding met artikel 144 Rv komt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet in strijd met artikel 6 EVRM. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] niet-ontvankelijk is in haar verzet. Het verstekvonnis blijft in stand. Aan een inhoudelijke beoordeling van wat door partijen is aangevoerd, wordt niet toegekomen.
[gedaagde] moet de proceskosten van verzet betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van het verzet betalen. De kosten van [eiser] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
865,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.009,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter
verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in het verzet,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure van € 1.009,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026. |
||