ECLI:NL:RBOVE:2026:6071

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Zaaknummer
ZWO 26/1265
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Beroep niet tijdig beslissen. Wet politiegegevens. Verweerder heeft niet tijdig op het inzageverzoek van eiseres beslist. De rechtbank overweegt dat het beroep zich richt tegen het alsnog genomen besluit tot het (gedeeltelijk) geven van inzage. De rechtbank heropent het onderzoek en draagt verweerder op om documenten van het inzageverzoek aan de rechtbank toe te sturen. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld om gronden tegen het alsnog genomen besluit aan te voeren. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/1265

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] ,

hierna: [verzoekster]

en

de korpschef van politie,

hierna: de korpschef

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat [verzoekster] heeft ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om inzage in persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens. Volgens [verzoekster] voldeed haar verzoek van 12 januari 2026 aan de wettelijke vereisten en had de korpschef dit verzoek inhoudelijk in behandeling moeten nemen. Omdat de korpschef verzuimd heeft tijdig op haar verzoek te beslissen, is [verzoekster] van mening dat de korpschef de bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd. Zij verzoekt de rechtbank om de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef niet tijdig op het verzoek van 12 januari 2026 heeft beslist. Omdat de rechtbank een tussenuitspraak doet, houdt zij een definitieve beslissing over de verschuldigde bestuurlijke dwangsom aan. Hangende het beroep heeft de korpschef beslist op het verzoek van [verzoekster] om inzage in haar persoonsgegevens. De rechtbank oordeelt dat dit beroep ook betrekking heeft op dit alsnog genomen besluit omdat [verzoekster] aan de rechtbank heeft laten weten dat met de (gedeeltelijke) inzage die zij heeft gekregen onvoldoende aan haar verzoek tegemoet is gekomen. De rechtbank heropent daarom het onderzoek en stelt [verzoekster] in de gelegenheid om inhoudelijke gronden in te dienen tegen het besluit tot gedeeltelijke inzage in de gegevens die over haar in de politiesystemen zijn verwerkt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Procesverloop en feiten

2. Op 12 januari 2026 heeft [verzoekster] bij de korpschef een verzoek gedaan om inzage in persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Het verzoek van [verzoekster] ziet, kort weergegeven, op inzage in alle politiegegevens die over haar zijn vastgelegd. [verzoekster] heeft concreet aangegeven tenminste inzage te willen krijgen in alle registraties en signaleringen die van haar zijn vastgelegd in de politiesystemen. [verzoekster] heeft de korpschef verzocht om te motiveren wat de herkomst is van de persoonsgegevens en wat de doeleinden zijn van de verwerking. Ook heeft [verzoekster] de korpschef verzocht om, indien bepaalde gegevens (nog) niet kunnen worden verstrekt, dit te motiveren.

2.1.

De korpschef heeft het verzoek, dat hij op 14 januari 2026 heeft ontvangen, met de brief van 15 januari 2026 afgewezen. Volgens de korpschef is [verzoekster] niet als ontvangstgerechtigde opgenomen in de Wpg en is er daarom geen wettelijke grondslag om politiegegevens aan haar te verstrekken. De korpschef heeft [verzoekster] gewezen op het recht om inzage te krijgen in politiegegevens als persoonsgegevens van haar worden verwerkt, op grond van artikel 25 van de Wpg.

2.2.

Met de brief van 21 januari 2026 heeft [verzoekster] gereageerd op de reactie van de korpschef. [verzoekster] heeft de korpschef verzocht om haar verzoek om inzage van 12 januari 2026 in behandeling te nemen omdat dat volgens haar aan de vereisten van artikel 25 en 26 van de Wpg en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voldoet.

2.3.

Met de brief van 26 januari 2026 heeft de korpschef [verzoekster] geïnformeerd dat hij haar verzoek om inzage in politiegegevens van 21 januari 2026, dat hij op 26 januari 2026 heeft ontvangen, niet inhoudelijk in behandeling neemt. Volgens de korpschef is de aanvraag niet volledig omdat een kopie van een geldig identiteitsbewijs van [verzoekster] ontbreekt. De korpschef heeft [verzoekster] in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen en heeft hij de beslistermijn opgeschort totdat het verzuim is hersteld.

2.4.

[verzoekster] heeft met haar brief van 5 februari 2026 de korpschef erop gewezen dat zij bij haar verzoek om inzage van 12 januari 2026 al een kopie van een geldig identiteitsbewijs had toegestuurd. [verzoekster] heeft de korpschef nogmaals een kopie van haar identiteitsbewijs gestuurd en verzocht om binnen de wettelijke beslistermijn op haar verzoek van 12 januari 2026 te beslissen.

2.5.

Met de brief van 17 maart 2026 heeft de korpschef besloten de termijn om op het verzoek van 26 januari 2026 te beslissen met zes weken te verdagen.

2.6.

Met de brief van 25 maart 2026, ontvangen door de korpschef op 31 maart 2026, heeft [verzoekster] de korpschef in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om inzage van 12 januari 2026. Zij meent dat de beslistermijn op de aanvraag van 12 januari 2026 is verstreken en ook al was verstreken toen de korpschef het besluit nam om de beslistermijn te verdagen.

2.7.

Op 16 april 2026 heeft [verzoekster] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek om inzage in persoonsgegevens.

2.8.

Met het besluit van 21 april 2026 heeft de korpschef de ingebrekestelling afgewezen.

2.9.

Met het besluit van 9 juni 2026 heeft de korpschef besloten op het verzoek van [verzoekster] om inzage van politiegegevens die over haar worden verwerkt. De korpschef heeft beslist dat [verzoekster] gedeeltelijk inzage kan krijgen in de gegevens die over haar in de politiesystemen worden verwerkt.

2.10.

De korpschef heeft op het beroep niet tijdig beslissen gereageerd met een verweerschrift. [verzoekster] heeft aanvullende stukken gestuurd.

2.11.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Op de zitting zijn verschenen: [verzoekster] , bijgestaan door haar partner en de gemachtigde van de korpschef, bijgestaan door mr. M. van Harn. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Wat houdt partijen verdeeld?

3. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of de korpschef met de brief van 15 januari 2026 op het verzoek van [verzoekster] heeft beslist. Volgens [verzoekster] voldoet haar brief van 12 januari 2026 aan de vereisten omdat zij heeft verzocht om inzage in haar persoonsgegevens in de politiesystemen en bij haar verzoek een kopie van haar geldig identiteitsbewijs heeft meegestuurd. De korpschef stelt zich op het standpunt dat hij, met de brief van 15 januari 2026, het verzoek van [verzoekster] heeft afgewezen en volgens hem is deze afwijzing een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De korpschef heeft het tweede verzoek van [verzoekster] , dat hij op 26 januari 2026 ontving, wel inhoudelijk in behandeling genomen. Volgens hem is de beslistermijn niet te laat verdaagd omdat [verzoekster] het verzuim aan haar verzoek met de brief van 5 februari 2026, die hij op 10 februari 2026 heeft ontvangen, heeft hersteld en vanaf dat moment de beslistermijn ging lopen. De korpschef heeft daarom de ingebrekestelling van [verzoekster] met het besluit van 21 april 2026 afgewezen.

Toetsingskader

4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.1

5. Als een besluit wordt aangemerkt: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.2 Een aanvraag is een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.3

Beoordeling

6. De rechtbank moet beoordelen of de korpschef tijdig op het inzageverzoek van [verzoekster] heeft beslist. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Hierna licht de rechtbank toe hoe zij tot dit oordeel komt.

Is de brief van 12 januari 2026 een aanvraag?

7. Artikel 25 van de Wpg bepaalt dat de betrokkene op diens schriftelijke verzoek recht heeft om binnen zes weken uitsluitsel te krijgen over de verwerking van persoonsgegevens die hem betreffen en om die persoonsgegevens in te zien. Artikel 26 van de Wpg bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke zorg draagt voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

8. [verzoekster] heeft met haar brief van 12 januari 2026 de korpschef verzocht om inzage te geven in alle politiegegevens die van haar zijn vastgelegd. [verzoekster] heeft concreet aangegeven tenminste inzage te willen krijgen in alle registraties en signaleringen die van haar zijn vastgelegd in de politiesystemen. [verzoekster] heeft de korpschef verzocht om te motiveren wat de herkomst is van de persoonsgegevens en wat de doeleinden is van de verwerking. Ook heeft [verzoekster] de korpschef verzocht om het te motiveren als bepaalde gegevens (nog) niet kunnen worden verstrekt. Bij het verzoek heeft zij een kopie van haar geldig legitimatiebewijs overgelegd, zodat de korpschef haar identiteit kon vaststellen.

9. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 12 januari 2026 voldoet aan de vereisten van de Wpg omdat [verzoekster] in deze brief uitdrukkelijk heeft verzocht om inzage in haar persoonsgegevens in de politiesystemen. De rechtbank is ook van oordeel dat sprake is van een aanvraag in de zin van de Awb omdat zij de korpschef heeft verzocht om te beslissen of zij de gevraagde inzage kan krijgen. Dat in de brief van 12 januari 2026 ook één keer het woord ‘verstrekt’ wordt gebruikt, maakt niet dat de korpschef om die reden de brief niet als een verzoek om inzage maar als een verzoek om verstrekking heeft kunnen aanmerken. Zo nodig (en voor de zekerheid) had de korpschef op dit punt aan [verzoekster] om duidelijkheid kunnen vragen en feitelijk heeft [verzoekster] in haar brief van 21 januari 2026 nog eens duidelijk gemaakt dat het om een verzoek om inzage ging.De rechtbank overweegt dat het voorgaande tot gevolg heeft dat de korpschef in beginsel binnen zes weken op de aanvraag van 12 januari 2026 van [verzoekster] moest beslissen.

Heeft de korpschef op de aanvraag op 15 januari 2026 een besluit genomen?

10. De korpschef stelt zich op het standpunt dat hij met de brief van 15 januari 2026 weldegelijk op de aanvraag van [verzoekster] heeft beslist en hij het verzoek om inzage van [verzoekster] heeft afgewezen. De korpschef heeft op de zitting toegelicht dat het voor [verzoekster] verwarrend kan zijn overgekomen dat haar verzoek in eerste instantie is afgewezen en in de brief van 26 januari 2026 alsnog werd bevestigd dat haar verzoek in behandeling werd genomen. De korpschef heeft op de zitting erkend dat de inhoudelijke beslissing die met de brief van 15 januari 2026 is genomen niet klopt, maar de brief wel is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb.

11. De rechtbank stelt vast dat de korpschef het verzoek van [verzoekster] heeft opgevat als een verzoek om verstrekking van politiegegevens. De korpschef heeft het verzoek om verstrekking van politiegegevens afgewezen omdat [verzoekster] volgens de korpschef niet als ontvangstgerechtigde is opgenomen in de Wpg. De korpschef heeft [verzoekster] erop gewezen dat zij gebruik kan maken van haar recht op inzage zoals is bedoeld in artikel 25 van de Wpg.

12. De rechtbank is van oordeel dat alleen al uit deze laatste zin blijkt dat de korpschef niet heeft beslist op het verzoek om inzage van [verzoekster] omdat haar aanvraag ten onrechte is aangemerkt als een verzoek om het verstrekken van politiegegevens. Dat de korpschef thans betoogt dat daarmee (impliciet) wel is besloten op het verzoek om inzage acht de rechtbank onjuist en onbegrijpelijk.

Heeft de korpschef tijdig een besluit genomen?

13. De korpschef heeft het verzoek om inzage van [verzoekster] op 14 januari 2026 ontvangen. Uiterlijk op 25 februari 2026 had de korpschef op het verzoek moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat de korpschef dit niet heeft gedaan en pas op 17 maart 2026, en daarmee te laat, de beslistermijn met zes weken heeft verdaagd om op het inzageverzoek te beslissen. [verzoekster] heeft de korpschef in gebreke gesteld met de brief van 25 maart 2026, die de korpschef op 31 maart 2026 heeft ontvangen. Na twee weken heeft [verzoekster] beroep ingesteld.

14. De rechtbank overweegt dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen op juiste gronden is ingediend omdat de korpschef niet binnen de twee weken na de ingebrekestelling heeft beslist.4 De korpschef is daarom een dwangsom verschuldigd aan [verzoekster] .Nu de rechtbank, gelet op wat hierna wordt overwogen, een tussenuitspraak doet, zal een definitieve beslissing over dwangsom pas in de einduitspraak worden gegeven.

Het beroep heeft ook betrekking op het besluit van 9 juni 2026

15. Met het besluit van 9 juni 2026 heeft de korpschef besloten dat [verzoekster] gedeeltelijk inzage krijgt in de gegevens die over haar in de politiesystemen zijn verwerkt. [verzoekster] heeft desgevraagd op de zitting aangegeven dat zij op de uitnodiging van de korpschef ingaat om op het politiebureau inzage te krijgen in de informatie die in de politiesystemen worden verwerkt en zij vooralsnog geen bezwaren heeft tegen het besluit tot inzage. Nadat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten heeft [verzoekster] – per mailbericht van 4 september 2026 – aan de rechtbank laten weten dat zij die bezwaren wel heeft en dat met het besluit van 9 juni 2026 niet (volledig) aan haar verzoek om inzage tegemoet is gekomen.

16. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep ook betrekking heeft op het besluit tot gedeeltelijke inzage van 9 juni 2026 omdat dit besluit niet geheel aan het verzoek van [verzoekster] tegemoetkomt. De rechtbank stelt vast dat uit de aanhef van dit besluit blijkt dat het formeel niet een beslissing is op het verzoek om inzage van 12 januari 2026, maar op het door de korpschef zo geïnterpreteerde verzoek van 21 januari 2026. Zoals de rechtbank onder punt 9 heeft overwogen, moet de brief van 12 januari 2026 aangemerkt worden als een inzageverzoek op grond van de Wpg. De rechtbank stelt vast dat met het besluit van 9 juni 2026 voor het eerst inhoudelijk op het inzageverzoek van [verzoekster] is beslist. Naar het oordeel van de rechtbank is dat voor de toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb doorslaggevend en mag de zeer onzorgvuldige en ondoorzichtige besluitvorming van de korpschef op het verzoek om inzage hier niet ten nadele van [verzoekster] strekken.

Heropening van het onderzoek

17. [verzoekster] heeft de rechtbank met een mailbericht van 4 september 2026 laten weten dat zij, naar aanleiding van de fysieke inzage op het politiebureau, heeft geconstateerd dat de korpschef geheel of gedeeltelijk geen inzage heeft gegeven in haar persoonsgegevens. Zij meent daarom dat het besluit van 9 juni 2026 niet aan haar beroep tegemoet komt. [verzoekster] heeft de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen en haar in de gelegenheid te stellen gronden in te dienen tegen dit besluit.

18. Op grond van artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (het Procesreglement) blijven stukken die na de sluiting van het onderzoek ter zitting ongevraagd zijn ingediend, buiten beschouwing. Een uitzondering geldt voor stukken die aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. De beslissing of deze stukken aanleiding geven tot heropening van het onderzoek maakt de rechtbank uiterlijk in de uitspraak kenbaar.

19. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om het onderzoek te heropenen. Daarbij betrekt de rechtbank dat [verzoekster] op het moment van de zitting nog geen daadwerkelijke inzage had gekregen in de van haar verwerkte persoonsgegevens. Voor inzage moest zij fysiek op het politiebureau verschijnen en die afspraak vond op 3 september 2026, en dus pas na de zitting, plaats. De rechtbank werpt het [verzoekster] daarom niet tegen dat zij op de zitting heeft aangegeven dat zij (vooralsnog) geen bezwaren had tegen het besluit van 9 juni 2026 omdat zij op dat moment nog geen kennis had kunnen nemen van de stukken en informatie waartoe de korpschef inzage heeft verleend. Nu duidelijk is geworden dat dit besluit niet tegemoetkomt aan het beroep van [verzoekster] en de rechtbank nog geen (eind)uitspraak heeft gedaan, ziet de rechtbank aanleiding om het onderzoek te heropenen.

20. De rechtbank zal de korpschef gelet op artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid stellen om de (gelakte) documenten waarop hij heeft besloten dat [verzoekster] inzage in krijgt, in de procedure te brengen. Ook zal de korpschef de ongelakte versie van deze documenten alsmede (eventuele) documenten met persoonsgegevens van [verzoekster] die in het geheel niet aan [verzoekster] ter inzage zijn gegeven aan de rechtbank moeten toesturen. De rechtbank zal vervolgens [verzoekster] in de gelegenheid stellen om de beroepsgronden tegen het besluit van 9 juni 2026 aan te vullen en de korpschef in de gelegenheid stellen om daarop verweer te voeren.

Conclusie en gevolgen

21. De rechtbank zal het onderzoek heropenen en de korpschef opdragen om binnen vier weken na verzenddatum van deze tussenuitspraak de (gelakte) documenten waarop [verzoekster] inzage heeft gekregen, aan de rechtbank toe te sturen. Ook moet de korpschef de

ongelakte passages van de documenten waarop [verzoekster] inzage heeft gekregen, alsmede de documenten met haar persoonsgegevens die in het geheel niet ter inzage zijn gelegd, binnen vier weken na de verzenddatum van deze tussenuitspraak aan de rechtbank toesturen.

22. De rechtbank stelt vervolgens [verzoekster] in de gelegenheid om de gronden tegen het besluit van 9 juni 2026 in te dienen. Na ontvangst van de inhoudelijke gronden zal de rechtbank de korpschef in de gelegenheid stellen om op de inhoudelijke gronden verweer te voeren.

23. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten, het griffierecht in beroep en de hoogte van de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek van 12 januari 2026, nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek;

- bepaalt dat het beroep van [verzoekster] zich mede richt op het besluit van de korpschef van 9 juni 2026;

- draagt de korpschef op om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gelakte documenten waar de korpschef [verzoekster] inzage in heeft gegeven, en een ongelakte versie daarvan alsmede de ongelakte documenten met persoonsgegevens van [verzoekster] die in het geheel niet aan [verzoekster] ter inzage zijn gegeven, aan de rechtbank toe te sturen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »