ECLI:NL:RBDHA:2025:28147

Datum uitspraak
28-05-2025
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
SGR 24/5187
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen - hoorplicht geschonden - gebrek gepaseerd ogv art. 6:22 Awb - telefonische mededeling dat eiser niet opgenomen wordt in taakstelling geen handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw - beroep niet ontvankelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/5187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser wegens het uitblijven van een tijdige beslissing op zijn bezwaar. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordeelt de rechtbank ook het beroep van eiser tegen de beslissing van verweerder om eisers bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.

1.1. Eiser heeft verweerder op 21 februari 2024 telefonisch verzocht om hem op te nemen in de taakstelling en om hem passende woonruimte aan te bieden. Eiser heeft hiertegen op 29 februari 2024 bezwaar gemaakt.

1.2. Op 17 mei 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar.

1.3. Met het besluit van 2 juli 2024 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. E.K. Wösten namens de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is sinds eind 2023 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd per februari 2022. Op 13 december 2023 heeft het COA eiser bij verweerder voor huisvesting aangemeld. Verweerder heeft nog geen passende woning aan eiser toegewezen. Eiser logeert met zijn gezin bij de stiefvader van zijn vrouw.

2.1. In een telefoongesprek van 21 februari 2024 heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd van verweerder vernomen dat eiser niet (opnieuw) wordt opgenomen in de taakstelling1 op grond van zijn nieuwe verblijfsvergunning. De reden hiervoor is dat eiser eerder al was opgenomen op grond van zijn verblijfstitel voorafgaand aan zijn asielaanvraag. Eiser wordt daarom geen passende woonruimte aangeboden.

2.2. Eiser heeft tegen deze telefonische mededeling bezwaar ingesteld. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb en ook geen handeling die daaraan gelijkgesteld kan worden.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Verweerder heeft eisers bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De telefonische mededeling moet worden gelijkgesteld aan een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.2 Het gaat namelijk om een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling. De uitdrukkelijke weigering om eiser op te nemen in de taakstelling en hem passende huisvesting te bieden, raakt eiser in zijn hoedanigheid als statushouder en dus als vreemdeling. Verweerder hanteert een verkeerde uitleg van de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie.

3.1. Verder is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Verweerder heeft eiser namelijk niet op de hoogte heeft gesteld dat advies is gevraagd aan de Commissie bezwaarschriften (hierna: Commissie)3 en eiser is niet gehoord in bezwaar. 4 Uit artikel 7:2 van de Awb volgt dat horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure vormt. Ook heeft verweerder niet voldaan aan zijn vergewisplicht. De enkele mededeling dat geen redenen bekend zijn om aan te nemen dat het advies onredelijk tot is stand gekomen, is daarvoor niet genoeg.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

I. Beroep tegen het niet tijdig beslissen

4. Eiser heeft beroep ingesteld, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar. Het telefoongesprek was op 21 februari 2024. De bezwaartermijn verstreek op 3 april 2024 en verweerder had tot 15 mei 2024 om een beslissing op bezwaar te nemen. Eiser heeft op 1 mei 2024 al een ingebrekestelling gestuurd. De ingebrekestelling is dus prematuur ingediend. Dit betekent dat niet is voldaan aan de vereisten van 6:12, tweede lid, van de Awb voor het indienen van een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

II. Beroep tegen het bestreden besluit

Zorgvuldigheid

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht volstaan met een summiere motivering dat hij het advies van de Commissie heeft overgenomen. Dat is niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel5 en ook niet met het motiveringsbeginsel.6 Het betoog van eiser dat verweerder in strijd heeft gehandeld met zijn vergewisplicht,7 slaagt niet. De vergewisplicht geldt namelijk als een onafhankelijk en onpartijdige adviseur wordt ingeschakeld, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van verweerder.

5.1.

Het betoog van eiser dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, slaagt. Alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, mag verweerder ervan afzien om eiser te horen.8 Uit het feit dat verweerder de Commissie heeft ingeschakeld volgt dat er in dit geval redelijkerwijs wel twijfel bestond over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Uit artikel 22 van de Verordening volgt namelijk dat advies wordt opgevraagd als het bezwaarschrift qua juridisch kader, de feiten en/of de situatie dermate complex is dat behandeling door de Commissie wenselijk is.

5.2.

Hiermee is de totstandkoming van het bestreden besluit in strijd met artikel 7:3 van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren, omdat niet aannemelijk eiser erdoor is benadeeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zijn standpunten in deze beroepsprocedure uitvoerig naar voren heeft kunnen brengen.

Feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de telefonische mededeling van 21 februari 2024 geen handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De rechtbank legt hierna uit hoe ze tot dit oordeel komt.

6.1.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 blijkt dat de wetgever heeft beoogd de toegang tot de bestuursrechter uit te breiden om bepaalde feitelijke handelingen ter uitvoering van de Vreemdelingenwet vatbaar te maken voor beroep bij de bestuursrechter, in het bijzonder bij de vreemdelingenrechter. Tegen feitelijke handelingen kan in het algemeen namelijk alleen beroep worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. De wetgever achtte het echter onwenselijk dat twee verschillende rechters (de bestuursrechter en de burgerlijke rechter) zouden oordelen over geschillen over de Vreemdelingenwet.9 Het gaat daarbij niet om alle feitelijke handelingen, maar alleen rechtens relevante handelingen tegen een vreemdeling als zodanig.10

6.2.

In het geval van eiser gaat het niet om een rechtens relevante handeling die hem raakt in zijn hoedanigheid als vreemdeling. Het is namelijk een feitelijke handeling die in het kader van de Huisvestingswet is verricht en niet in het kader van een vreemdelingenrechtelijke procedure. Dat de Huisvestingswet een bepaling bevat die gemeenten verplicht om vreemdelingen met een asielstatus van passende woonruimte te voorzien, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat de wetgever niet heeft beoogd om het besluitbegrip met artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, zodanig uit te breiden dat alle feitelijke handelingen jegens een vreemdeling eronder zouden komen te vallen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep wegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk, omdat niet is voldaan aan de vereisten voor het indienen van een beroep wegens het tijdig nemen van een besluit.11

8. Het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarom in stand. Omdat de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit heeft vastgesteld, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Om die reden krijgt eiser ook een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 2 juli 2024 ongegrond;

  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;

  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »