RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 26/2091 en ZWO 26/2094
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats],
hierna: eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Raalte,
hierna: het college,
(gemachtigde: mr. M. Bastet).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Energie Salland-West B.V. uit Lierderholthuis,
hierna: ESW.
1 Samenvatting
Het college heeft op 19 oktober 2023 een omgevingsvergunning verleend aan ESW voor het realiseren van een klein zonnepark. Dit zonnepark zou op een perceel van eiser worden gerealiseerd. Omdat ESW dit project niet heeft uitgevoerd en niet meer wil uitvoeren heeft ESW het college verzocht de omgevingsvergunning in te trekken. Met het besluit van 16 juni 2026 heeft het college dat gedaan.
Eiser is in de tussenliggende periode tot het plan gekomen om een landgoed te realiseren, waarvan het zonnepark een onderdeel zou kunnen worden, hetgeen hij aan het onderzoeken is. Met de intrekking van de omgevingsvergunning is hij het om die reden niet eens. Hij heeft daartegen beroep ingesteld. Omdat hij de omgevingsvergunning nodig heeft om op korte termijn deel te nemen aan de laatste ronde voor de SDE++ subsidie verstrekking, hetgeen noodzakelijk is om het mogelijk toekomstige zonnepark te realiseren, heeft hij daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek- en beroepschrift. Zij verklaart het beroep ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een verzoek om voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wijst zij daarom af.
2 Inleiding
Enkele jaren geleden is, mede vanuit eiser, het initiatief ontstaan om ten behoeve van het dorp [plaats] op het perceel van eiser aan de [adres] in [plaats] een klein zonnepark van twee hectare te realiseren.
Om dit te realiseren was onder meer een omgevingsvergunning nodig. De aanvraag daartoe is in eerste instantie ingediend door Energie Coöperatie Salland-West (hierna: coöperatie). Later is deze aanvraag overgenomen door ESW die in de tussentijd was opgericht.
Het college heeft op 19 oktober 2023 de omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark nabij [adres] in [plaats]. De omgevingsvergunning is gericht aan ESW. De omgevingsvergunning is onherroepelijk geworden.
Ondertussen is er – althans zo begrijpt de voorzieningenrechter uit wat partijen naar voren hebben gebracht – een vertrouwensbreuk ontstaan tussen eiser, ESW en de coöperatie, welke niet is hersteld.
Eiser heeft het plan opgevat om een nieuw landgoed te vormen, waarbij meer natuurinclusief wordt gewerkt. Daaraan wil hij graag een/het zonnepark van twee hectare toevoegen. Over zijn plan tot het realiseren van het landgoed, de status van de omgevingsvergunning ten aanzien van het zonnepark en zijn wens om het zonnepark mogelijk in eigen beheer te realiseren heeft verzoeker in 2025 meerdere gesprekken gevoerd met het college. Op 11 december 2025 heeft hij uiteindelijk een plan ingediend bij het college, waar – op verzoek van het college – het perceel waarop het zonnepark gerealiseerd zou worden buiten valt.
In de tussentijd is op 9 november 2025 echter namens ESW verzocht tot intrekking van de omgevingsvergunning ten behoeve van het zonnepark. Op 16 december 2025 heeft het college een ontwerpbesluit voor het intrekken van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eiser was hier hiermee niet eens, mede vanwege het plan om het landgoed inclusief zonnepark te realiseren en de omstandigheid dat hij grondeigenaar is van het perceel waarop het zonnepark gerealiseerd zou worden. Hij heeft daarom een zienswijze ingediend.
De ingediende zienswijze door eiser heeft het college niet tot een heroverweging van het ontwerpbesluit gebracht. Het college heeft met het besluit van 16 juni 2026 de omgevingsvergunning ingetrokken. Als motivering in het besluit is gegeven dat de vergunninghouder geen uitvoering heeft gegeven aan de omgevingsvergunning, dat ook niet wil en daartoe in bestuursrechtelijke zin ook niet toe kan worden verplicht. Ook is de vergunninghouder niet verplicht de omgevingsvergunning over te dragen aan een ander als hij geen uitvoering wenst te geven aan de omgevingsvergunning. Gezien er geen concreet zicht meer is op uitvoering van de omgevingsvergunning is er geen reden om deze te laten voortbestaan. Daarmee kan men niet anders dan het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning van de vergunninghouder honoreren. In zijn reactie op de zienswijze van eiser vult het college op bovenstaande nog aan dat het zodoende niet aannemelijk is dat met gebruik van deze omgevingsvergunning een zonnepark wordt ontwikkeld op de betreffende locatie.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij de omgevingsvergunning nodig heeft. Indien deze niet herleeft, kan hij namelijk niet deelnemen aan de laatste ronde voor de verstrekking van SDE++ subsidie die aanvangt op 27 oktober 2026. Zonder deze subsidie is het voor eiser vrijwel onmogelijk het zonnepark te realiseren.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en ESW vertegenwoordigd door [naam].
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.1
3 Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluit tot intrekking
Op grond van artikel 5.40, tweede lid van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekken:
-
in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,
-
als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning,
-
op verzoek van de vergunninghouder;
-
voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is,
-
voor een milieubelastende activiteit of een wateractiviteit waarvoor met toepassing van artikel 16.7, eerste lid, aanhef en onder b, gecoördineerd omgevingsvergunningen zijn verleend: als de omgevingsvergunning voor de samenhangende wateractiviteit respectievelijk de milieubelastende activiteit is ingetrokken,
-
voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.
Ter zitting heeft het college toegelicht dat hij het bestreden besluit heeft gebaseerd op artikel 5.40, tweede lid, onder b en c, van de Omgevingswet.
Eiser is geen vergunninghouder
De voorzieningenrechter ziet zich gelet op de gronden van eiser eerst voor de vraag gesteld of eiser als vergunninghouder van de omgevingsvergunning waarop het intrekkingsbesluit ziet kan worden aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 5.40, tweede lid, onder c, van de Omgevingswet.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de omgevingsvergunning van 19 oktober 2023 verleend is aan ESW. Ook is niet in geschil dat tussen het moment van het verzoek tot intrekken van de omgevingsvergunning en het daadwerkelijk besluit daartoe ESW is opgeheven en de omgevingsvergunning is overgedragen aan de coöperatie. In zoverre kan eiser niet worden aangemerkt als vergunninghouder.
Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen geen sprake is geweest van een overname van de omgevingsvergunning door eiser. ESW en eiser staan er ten aanzien van een overname anders is. Op zitting is door partijen bevestigd dat er ten aanzien daarvan ook geen civielrechtelijke procedure loopt.
In dit geval is sprake van een zaaksgebonden omgevingsvergunning. Eiser heeft in dat kader verwezen naar de Wet algemene bepalingen omgevingswet (hierna: Wabo). In artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft en dat de vergunninghouder ervoor zorg draagt dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Het college heeft de omgevingsvergunning destijds (mede) op deze bepaling gebaseerd. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Deze regelgeving volgt de Wabo op en is van toepassing op het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning. De (onherroepelijke) omgevingsvergunning geldt op grond artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor de activiteiten waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet. In artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet is bepaald dat een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop zij betrekking heeft. Diegene is vergunninghouder en draagt zorg voor de naleving van de vergunningvoorschriften. Na lezing van de wetsgeschiedenis2 ten aanzien van artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet concludeert de voorzieningenrechter dat de wetgever ten opzichte van artikel 2.25, eerste lid van de Wabo geen wijziging heeft willen aanbrengen. De voorzieningenrechter gaat er daarmee van uit dat de omgevingsvergunning onder de Omgevingswet ook een zaaksgebonden karakter heeft.
De voorzieningenrechter overweegt dat de omgevingsvergunning weliswaar een zaaksgebonden karakter heeft en dat eiser grondeigenaar is van het perceel waarop de omgevingsvergunning ziet, maar is van oordeel dat eiser daarmee niet zonder meer als vergunninghouder kan worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat uit artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet volgt dat de omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft. Diegene is de vergunninghouder. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat onder ‘degene die de activiteit verricht’ moet worden verstaan degene die voor het verrichten van de activiteit (eind)verantwoordelijk is.3 De voorzieningenrechter komt op basis van de gedingstukken en hetgeen met partijen op zitting is besproken tot het oordeel dat eiser als zodanig niet kan worden aangemerkt. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter allereerst dat het zonnepark op het perceel van eiser niet is gerealiseerd. Verder volgt uit het betoog van eiser dat hij in de fase na oprichting van ESW zich vanwege een vertrouwensbreuk (ten dele) heeft afgewend van het project, waarbij onder meer de intentieovereenkomst met de looptijd tot 1 januari 2023 niet is verlengd of is vervangen door één met ESW. Uit het overige betoog van eiser volgt daarnaast slechts dat hij vervolgens op den duur tot het plan is gekomen het landgoed met eventueel een zonnepark te realiseren en dat hij in de onderzoeksfase daarnaar daarover in 2025 in gesprek is geweest met het college over onder meer de status van de omgevingsvergunning.
Daaruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat eiser ten tijde van het intrekkingsbesluit op grond van artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet kon worden aangemerkt als vergunninghouder.
Het college heeft de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen intrekken
Eiser heeft voorts gewezen op het feit dat hij grondeigenaar is van het perceel waarop de omgevingsvergunning ziet en de omstandigheid van zijn eigen project, welke plannen ook bekend zijn bij het college. Daarmee heeft het college bij intrekkingsbesluit ten onrechte onvoldoende (kenbaar) rekening gehouden. Daarnaast betwijfelt hij of de e-mail van 9 november 2025 kan worden aangemerkt als verzoek tot intrekking.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de e-mail van 9 november 2025 kan worden aangemerkt als verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning. Daarin wordt (onder meer) vermeld: ‘De vergunning voor de [adres] te [plaats] kan worden ingetrokken en de laatste 25% leges komen hiermee te vervallen.’ Weliswaar wordt ook gesproken over de leges, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende duidelijk dat wordt verzocht tot intrekking van de betreffende omgevingsvergunning. Het college heeft dit dan ook als zodanig mogen opvatten.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling4 is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. Daarbij moet het college in een individueel geval een gemotiveerde afweging maken of het gelet op de betrokken belangen wel of geen gebruik wenst te maken van deze bevoegdheid. Het college moet alle relevante belangen inventariseren en afwegen, waaronder de belangen van de vergunninghouder, zoals zijn financiële- en bedrijfsbelangen. De bestuursrechter dient vervolgens te beoordelen of het college tot zijn besluit heeft kunnen komen.5
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het college in redelijkheid tot intrekking van de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat eiser – zoals hiervoor is overwogen – niet kan worden aangemerkt als vergunninghouder noch dat hij dat (op korte termijn) alsnog zal worden. Immers, van een mogelijke overname van de omgevingsvergunning of civielrechtelijke procedure daarover is en was geen sprake. Voorts heeft het college kunnen aannemen dat de verantwoordelijkheid voor (de uitvoering van) de omgevingsvergunning ten tijde van het verzoek tot intrekking en het daadwerkelijke intrekkingsbesluit lag bij ESW dan wel de coöperatie en dat vanuit hen als vergunninghouder duidelijk is gemaakt dat geen uitvoering is gegeven aan de omgevingsvergunning en dat dit voornemen ook niet meer bestaat. Dit is ter zitting nogmaals bevestigd. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter het algemeen belang van het tegengaan van ongebruikte omgevingsvergunningen en het belang van ESW dan ook in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij het laten voortbestaan van de omgevingsvergunning. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat eiser grondeigenaar is en mogelijk in de toekomst met gebruik van de omgevingsvergunning een bijdrage wil leveren aan het ontwikkelen van het zonnepark onvoldoende is om de belangen van eiser zodanig zwaar te laten wegen dat tot intrekking van het besluit niet kon worden overgegaan. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel, onder verwijzing naar de reactie op de zienswijze, dat het college dit in het bestreden besluit voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd.
4 Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Eiser krijgt om die reden het griffierecht ook niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.