ECLI:NL:RBDHA:2026:29482

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
SGR 26/6467
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende een beroep wegens niet tijdig beslissen. Ontheffingsverzoek kan niet worden aangemerkt als een aanvraag. Dat betekent dat ook geen sprake kan zijn van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. De voorzieningenrechter is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en evenzeer om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 26/6467 (voorlopige voorziening) en SGR 26/4764 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigden: mr. R. Groeneveld en L. Robbemond).

Procesverloop

1. Op 16 maart 2026 heeft verzoeker bij verweerder een aanvraag ingediend voor ontheffing voor het voeren van reclame van derden met een digitaal LED-scherm op een voertuig. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

1.1.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

1.3.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoeker daartegen.1

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoeker is naar eigen zeggen een aantal jaren bezig met het ontwikkelen van een bedrijfsmatig concept waarbij reclame van een derde aangeboden wordt op een LED-scherm dat wordt bevestigd op een taxi. Verzoeker probeert sinds 2025 met verweerder tot afspraken te komen voor de uitvoering van dit concept. Omdat verzoeker meer concreet wilde worden heeft hij op 16 maart 2026 een aanvraag gedaan voor ontheffing om zijn beoogde bedrijfsmatige concept uit te voeren. Op 30 maart 2026 heeft verzoeker verweerder in gebreke gesteld en verzocht om binnen twee weken alsnog een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te nemen. Verweerder heeft verzoeker bij brief van 29 april 2026 kortgezegd laten weten dat verlichte reclame op voertuigen altijd verboden is. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat de brief geen besluit is in de zin van de Awb zodat er geen bezwaar of beroep tegen open staat.

Verzoeker heeft eerder een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend maar dat heeft niet geleid tot een inhoudelijke uitspraak.2

Wat vindt verzoeker?

3. Verzoeker geeft aan dat hij graag in overleg wil met verweerder om te zoeken naar een manier waarop hij zijn bedrijf kan gaan uitoefenen. Daarvoor heeft verzoeker veel informatie aangedragen zoals relevante rechtspraak en technische waarborgen. Verweerder weigert echter om deze informatie te beoordelen en een voor bezwaar vatbaar besluit te nemen. Hierdoor lijdt verzoeker schade aangezien hij zijn bedrijf nu niet kan exploiteren.

Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen om binnen twee weken een besluit op zijn aanvraag te nemen. Subsidiair vraagt verzoeker om verweerder op te dragen om verzoekers de uitvoering van verzoekers bedrijfsmatige concept onder voorwaarden tijdelijk te gedogen.

Wat vindt verweerder?

4. Verweerder heeft op 24 september 2026 een verweerschrift ingediend. Daarin stelt verweerder zich op het standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet- ontvankelijk verklaard moet worden omdat de gevraagde voorziening verder strekt dan met het beroep tegen het niet tijdig beslissen op verzoekers aanvraag kan worden bereikt. Ook ontbreekt volgens verweerder spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft niet uitgelegd waarom hij de uitkomst van het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet kan afwachten. Verweerder geeft de rechtbank echter in overweging om ook meteen op het beroep te beslissen conform artikel 8:86 van de Awb.

Ten aanzien van het beroep stelt verweerder zich primair op het standpunt dat verzoekers aanvraag voor een ontheffing niet een verzoek is waarover verweerder bevoegd is om te beslissen. De door verzoeker gewenste activiteit kan niet worden toegestaan met een ontheffing van verweerder. Daarom is verweerder niet verplicht om een besluit te nemen op verzoekers verzoek. Hoofregel uit vaste rechtspraak3 is dat een mededeling dat een bestuursorgaan niet bevoegd is als een besluit geldt. Verweerder stelt zich echter op standpunt dat hier in dit geval van afgeweken moet worden omdat het evident is dat hem geen bevoegdheden op dit gebied toekomen.

Het klopt dat eerder aan verzoeker is meegedeeld dat er nog een appellabel besluit zou volgen. Dat had echter niet gemoeten en is erg ongelukkig.

Subsidiair is verweerder van mening dat als de rechtbank verweerders brief van 29 april 2026 aanmerkt als een besluit, deze brief wel genomen is binnen de beslistermijn. Ten overvloede wijst verweerder nog eens op de inhoud van die brief. Daaruit blijkt dat het voeren van verlichte reclame van derden op taxi’s altijd verboden is.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

5. De voorzieningenrechter begrijpt het belang van verzoeker bij het verkrijgen van duidelijkheid over de uitvoerbaarheid van zijn bedrijfsconcept. Dat resultaat kan in deze zaak echter niet worden bereikt. In deze zaak ligt uitsluitend de vraag voor of een publiekrechtelijke grondslag bestaat om het door verzoeker gevraagde besluit te nemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Hierna zal zij toelichten waarom.

6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is om het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen, in beginsel moet worden aangemerkt als een besluit omdat zo’n mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt over de aanwezigheid en de reikwijdte van de vermeende bevoegdheid. Dit geldt echter niet wanneer er aan het bestuursorgaan geen enkele bevoegdheid toekomt ter uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft.4

7. Van dit laatste is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval sprake. Er is geen publiekrechtelijke rechtsplicht en een daaruit voortvloeiende bevoegdheid voor verweerder aan te wijzen om de door verzoeker gewenste rechtsgevolgen te bewerkstelligen. Verzoeker heeft ook niet onderbouwd dat er wél een publiekrechtelijke grondslag bestaat op grond waarvan verweerder bevoegd is om op zijn verzoek te beslissen. De door verzoeker aangehaalde jurisprudentie, toont dit ook niet aan. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij ondanks zijn eigen onbevoegdheid wel bereid is om met verzoeker mee te denken over de vraag bij welke instantie verzoeker wel terecht zou kunnen. De voorzieningenrechter juicht dit initiatief toe, nu verzoeker daarmee hopelijk meer handvaten krijgt om zijn beoogde bedrijfsmatige concept te bewerkstelligen.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers ontheffingsverzoek niet kan worden aangemerkt als een aanvraag. Dat betekent dat ook geen sprake kan zijn van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. Dit betekent vervolgens dat volgens artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, geen beroep kon worden ingesteld.

9. De voorzieningenrechter is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en evenzeer om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken draagt de voorzieningenrechter de griffier op het door verzoeker betaalde griffierecht terug te storten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep;

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »