ECLI:NL:RBZWB:2026:9904

Datum uitspraak
12-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
BRE 26/4113
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening over een omgevingsvergunning voor het kappen van de zomereik op het perceel nabij [adres]. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is [verzoekster] geen belanghebbende.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 26/4113

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigden: mr. I.A. Verbeek en mr. B.M. Visser),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, het college.

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder] (vergunninghouder)

(gemachtigde: mr. W. van Galen).

Samenvatting

1. Deze voorlopige voorziening gaat over de beslissing op bezwaar van 8 juli 2026 (bestreden besluit) waarmee het college alsnog een omgevingsvergunning heeft verleend aan vergunninghouder voor het kappen van de zomereik op het perceel nabij [adres] . Verzoekster is het niet eens dat de omgevingsvergunning alsnog is verleend en heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

1.1.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster geen belanghebbende. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 25 november 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om de zomereik te kappen. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd met het besluit van 16 december 2025. Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft het college de omgevingsvergunning alsnog verleend. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en [persoon 1] . Namens het college hebben deelgenomen: mr. [persoon 2] bijgestaan door [persoon 3] (beheerder openbaar gebied) en [persoon 4] (projectleider gebiedsopgave). Namens vergunninghouder hebben deelgenomen: de gemachtigde van vergunninghouder bijgestaan door ir. [persoon 5] (projectmanager bouw) en ir. [persoon 6] (projectontwikkelaar).

2.3.

De voorzieningenrechter neemt geen beslissing op het beroep van verzoekster zoals bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat vergunninghouder ook beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit.1

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De feiten

3. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van de zomereik, zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) en artikel 8:11 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Waalwijk 2026 (APV).

3.1.

Het college heeft de omgevingsvergunning eerst geweigerd. Op grond van de boomwaarderingstabel van hoofdstuk 5 van de Beleidsregels bomen 2025 moet een boom worden behouden bij een waarde van 70 punten of hoger en de zomereik heeft een waarde van 100 punten. Bovendien overweegt het college dat uit het verplantingsonderzoek van 3 juli 2025 blijkt dat zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase alternatieven mogelijk zijn. Omdat deze alternatieven onvoldoende zijn onderzocht, ziet het college geen aanleiding om van het beleid af te wijken en om de boom te laten kappen. Het college stelt dat de boom niet op deze locatie kan worden behouden, maar ziet ten slotte geen zwaar genoeg wegende maatschappelijke belangen om mee te werken aan het verwijderen van de boom en het daarna compenseren door middel van herplant. Alleen aan het verplaatsen van de boom kan het college meewerken.

3.2.

Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning alsnog verleend. Op 24 juli 2026 heeft verzoekster een beroepschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het bestreden besluit

4. Het college heeft het bezwaar van vergunninghouder gedeeltelijk gegrond verklaard, de weigering herroepen en alsnog een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van de zomereik. Het college vindt het in dit specifieke geval niet evenredig om de omgevingsvergunning te weigeren vanwege een combinatie van de volgende omstandigheden: Allereerst is sprake van een gewekt vertrouwen dat verwijdering van de boom het uitgangspunt zou zijn bij de planontwikkeling en dat medewerking zou worden verleend aan verwijdering van de boom. Daarnaast speelt het belang van de benodigde energievoorziening voor de nieuwe woonwijk, de omstandigheid dat de boom niet verplant kan worden en de omstandigheid dat 15 nieuwe bomen worden herplant ter compensatie.

Ontvankelijkheid van [verzoekster]

5. Het verzoek- en beroepschrift zijn van [verzoekster] . Zij wordt gesteund door een groep van omwonenden die zijn vermeld op de lijst ‘Machtiging door belanghebbenden’. [verzoekster] is een rechtspersoon en behartigt een algemeen (ideëel) belang.

5.1.

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Dit staat in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het derde lid, bepaalt dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

5.2.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35) veilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, rechtstreeks bij het besluit is betrokken.2

5.3.

Het belang dat [verzoekster] stelt te behartigen volgens artikel 2 van haar statuten is als volgt:

“De zorg voor Wereldbomen in beginsel in Nederland door een duurzame groei, met voor vele boomsoorten een scope van meer dan 1000 jaar. Wereldbomen krijgen ruimte als cruciaal onderdeel van onze samenleving, met alle onlosmakelijke ecologische relaties waaronder mens, dier, plant en bodem. Bijbehorende ecotopen zijn op hun beurt onlosmakelijk verbonden met de Wereldboom, maar als locatie in beginsel tijdloos vastgelegd voor deze bestemming met als status Wereldboomecotoop.

Dit wordt gerealiseerd door:

  1. optimale zorg, met zorg wordt bedoelt: Het creëren, beheren, behouden en promoten van de Wereldboom;

  2. de boom te beschouwen in zijn maximale levensverwachting, inclusief de maximalisatie van adventieve groet en/of voortzetting, In samenhang met de tijdloze groeiplaats gelet op het voorgaande;

  3. zowel de locatie, de omgeving als de gemeenschap erin te betrekken waarin de boom leeft en (menselijke) generaties overleeft;

  4. met een optimale waarde voor mens, dier en plant in een steeds veranderende omgeving.

Duurzame groei van een Wereldboom ecotoop, in kwantitatieve als kwalitatieve zin, wordt bereikt door:

groei van kennis en ervaring over oude bomen en de groeiplaats om maximaal oud te worden;

groei in betekenis voor de omgeving die generaties en locaties overstijgt;

het fungeren als boegbeeld voor boom- en groenbeheer.

De stichting tracht haar doel te bereiken door:

  1. het stimuleren van Wereldboom ecotopen door communicatie, educatie en participatie en het adviseren en faciliteren van alle belanghebbenden rondom een Wereldboom ecotoop waardoor het een maximale toekomst heeft

  2. het organiseren van duurzame groei door educatie, participatie en alliantie en het uitdragen en behartigen van de belangen van de stichting.

  3. het zo nodig initiëren en uitvoeren van activiteiten rondom Wereldboom ecotopen alsmede het verwerven ervan, en het initiëren en organiseren van projecten om duurzame groei te bevorderen, alsmede het promoten ervan.

  4. Het organiseren van festiviteiten en symposia om de doelstellingen te verwezenlijken in de breedste zin van het woord.”

5.4.

Naast deze algemene statutaire doelstelling is om te kunnen bepalen of het belang van [verzoekster] rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, relevant of zij met het oog op de behartiging van haar doelstelling feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Het moet daarbij gaan om werkzaamheden die los staan van het voeren van juridische procedures of de voorbereiding daarvan. De statutaire doelstelling van een rechtspersoon dient voldoende onderscheidend te zijn om op grond daarvan te kunnen oordelen dat er sprake is van een rechtstreeks belang bij het aangevochten besluit.3

6. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan [verzoekster] niet worden aangemerkt als belanghebbende. In dit geval is sprake van een ruim geformuleerde doelstelling. Het werkgebied van [verzoekster] is namelijk niet territoriaal begrensd, aangezien zij zorg beoogt te dragen voor Wereldbomen ‘in beginsel’ in Nederland. Ook Wereldbomen buiten Nederland kunnen volgens de statuten dus onder deze zorg vallen. Bovendien is het begrip Wereldboom niet gedefinieerd in de statuten. Tijdens de zitting heeft verzoekster toegelicht dat een Wereldboom een boom is die in staat is om ‘oeroud’ te worden en waaromheen een gemeenschap ontstaat of kan ontstaan. Uit de website blijkt verder dat [verzoekster] zelf bomen aanwijst als Wereldboom. Ten tijde van de zitting stonden op de website negen bomen erkend als ‘Gecertificeerde Wereldbomen’.4 De zomereik stond niet vermeld als Wereldboom. Volgens de website is de zomereik ook geen ‘Wereldboom in wording’ of een ‘Kandidaat Wereldboom’. Tijdens de zitting heeft verzoekster bevestigd dat de zomereik geen Wereldboom is, maar dat wel kan worden. Ook de zorg van een boom die nog geen Wereldboom is valt binnen de doelstelling, aldus verzoekster. De voorzieningenrechter begrijpt uit deze toelichting op het doel van verzoekster dat vrijwel iedere boom(soort) die oud kan worden, op enig moment onder de definitie van Wereldboom kan gaan vallen en dus binnen het doel van verzoekster.

Wanneer de activiteiten van [verzoekster] worden bekeken in het licht van deze ruime doelstelling, dan concludeert de voorzieningenrechter dat verzoekster onvoldoende feitelijke werkzaamheden heeft verricht om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. Tijdens de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij jaarlijks aanwezig is bij het familiefestival [festival] .5 De aanwezigheid bij een (lokaal) familiefestival is echter onvoldoende om aan te nemen dat [verzoekster] feitelijke werkzaamheden heeft verricht voor de zorg voor alle bomen in Nederland die Wereldbomen kunnen worden, laat staan voor de mogelijke wereldbomen buiten Nederland. Verzoekster heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij sinds haar oprichting in 2009 ook andere relevante feitelijke werkzaamheden heeft verricht, maar dat deze niet op de website zijn vermeld. De voorzieningenrechter acht dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd, aangezien het dossier geen stukken bevat die andere relevante activiteiten bevestigen. De voorzieningenrechter heeft op de website wel gelezen over werkzaamheden van [verzoekster] die vooral betrekking hebben op het voeren van de onderhavige juridische procedure en daarmee samenhangende activiteiten. Die werkzaamheden zijn onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat het beroep naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 12 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »