RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/5877
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten ,
(gemachtigde: mr. M. el Hachmioui).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Voorschoten, (vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan
vergunninghoudster voor het herinrichten van de openbare ruimte in de wijk [wijk] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning en keren zich in het bijzonder tegen wijzigingen met betrekking tot parkeerplaatsen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep voor zover ingesteld door [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk is. Het beroep voor zover ingesteld door [eiser 1] is niet-ontvankelijk met betrekking tot één besluitonderdeel, en voor het overige ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft op 20 februari 2024 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het herinrichten van de openbare ruimte in de wijk [wijk] in de gemeente Voorschoten , bekend onder de naam ‘ [project] ’ (het project). Het project omvat het vervangen van het riool, waarbij alle straten in de wijk [wijk] op maaiveldniveau opnieuw worden ingericht. Met het uitvoeren van groot onderhoud wordt de wijk onder meer klimaatadaptief en met meer biodiversiteit ingericht
Met het besluit van 29 augustus 2024 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Met het bestreden besluit van 30 juli 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij het verlenen van de vergunning gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Het college en eisers hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026, gelijktijdig met de zaak met zaaknummer SGR 25/5773, op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente.1 Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Voor het gebied waarop het project betrekking waren vóór 1 januari 2024 onder meer de bestemmingsplannen “West” en “Landgoederen en sportvelden” van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Voorschoten .
De voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Het bestreden besluit
4. Ten behoeve van de herinrichting van de openbare ruimte in de wijk [wijk] heeft, na overleg met onder meer bewoners, een voorlopig ontwerp en een definitief ontwerp van een herinrichtingsplan gemaakt. Het herinrichtingsplan is goedgekeurd door de gemeenteraad.2 Om de herinrichting te kunnen uitvoeren is de in deze procedure voorliggende omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning heeft betrekking op het hele gebied van de wijk [wijk] en voorziet in verschillende (omgevingsplan)activiteiten zoals bouwen, afwijken van regels van het omgevingsplan, het vellen van een houtopstand, en het uitvoeren van werkzaamheden.3
Ontvankelijkheid beroep eisers Van Bemmelen
5. De rechtbank stelt vast dat eisers [eiser 2] en [eiser 3] geen bezwaar hebben gemaakt tegen het bestreden besluit. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het niet instellen van bezwaar redelijkerwijs niet kan worden verweten aan [eiser 2] en [eiser 3] . Dit betekent dat het beroep – voor zover ingesteld door deze eisers – niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Ontvankelijkheid beroep [eiser 1]
6. Voor zover het beroep van [eiser 1] (hierna: eiser) is gericht tegen het besluitonderdeel waarbij in afwijking van de bestemmingsplannen “West” en “Landgoederen en sportvelden” parkeren binnen de bestemming “Groen” wordt toegestaan bij de [straat 1] , is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belanghebbende is bij dit besluitonderdeel (hierna: besluitonderdeel [straat 1] ). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Alleen een belanghebbende kan bezwaar kan maken tegen een besluit.4 Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.5 Volgens vaste rechtspraak6 is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor zijn woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen - zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico - van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
De rechtbank stelt vast dat de [straat 1] op ongeveer 400 meter afstand van de woning van eiser ligt. Niet is gebleken dat het toevoegen van parkeerplaatsen aan de [straat 1] gevolgen van enige betekenis zou kunnen meebrengen voor het woon- en leefklimaat van eiser. De op de zitting ingenomen stelling dat eiser of zijn gezinsleden geregeld langs de [straat 1] fietsen is onvoldoende om aan te nemen dat hij zich daarmee voldoende onderscheidt van anderen en een persoonlijk belang heeft. Het beroep van eiser, voor zover gericht tegen het besluitonderdeel [straat 1] , is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank zal de tegen dit besluitonderdeel gerichte beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken.
Verdwijnen parkeerplaatsen in de [straat 2]
7. Eiser betoogt dat het laten vervallen van de parkeerplaatsen in de [straat 2] in strijd is met de bestemming “Verkeer” en dat het college dit niet heeft onderkend. Eiser voert aan dat hij onevenredig in zijn belang wordt geschaad door het verdwijnen van zes parkeerplaatsen in de [straat 2] . In het parkeeronderzoek van Trajan van 10 en 12 november 2022 wordt geconcludeerd dat de [straat 2] reeds een parkeerdruk van 100% en hoger kent, terwijl de parkeerdruk in de aangrenzende [straat 3] 90 tot 100% bedraagt en in de aangrenzende [straat 4] 70 tot 80%. Deze hoge parkeerdruk zal verder toenemen, zodat de kans op het vinden van een parkeerplaats nog kleiner wordt. Daarnaast zal de verkeersveiligheid afnemen, omdat vanwege het geringere aantal beschikbare parkeerplaatsen vaker fout zal worden geparkeerd. Volgens eiser wordt zijn woning daardoor minder goed bereikbaar en neemt de leefbaarheid in de straat af.
Het college stelt zich op het standpunt dat de herinrichting op dit onderdeel gezien moet worden als een feitelijke handeling. De parkeerplaatsen aan de [straat 2] liggen binnen de bestemming “Verkeer” en een wijziging van het aantal parkeerplaatsen is niet in strijd met het bestemmingsplan, aldus het college.
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat binnen de bestemming “Verkeer” naast parkeerplaatsen ook groenvoorzieningen zijn toegestaan.7 Dat het daarbij, naar eiser stelt, alleen kan gaan om ondergeschikte groenvoorzieningen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de planregels. Uit de letterlijke tekst van de planregels blijkt dat het moet gaan om bijbehorende voorzieningen. Het vervangen van zes van de achttien parkeerplaatsen door groen valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de reikwijdte van een bij de bestemming “Verkeer” behorende groenvoorziening.
Omdat geen sprake is van strijd met de bestemming “Verkeer” en de omgevingsvergunning ook niet in een toestemming om de parkeerplaatsen te verwijderen voorziet, wordt in het kader van de toetsing van deze omgevingsvergunning niet toegekomen aan de wijze waarop eisers belangen zijn gewogen en hoe (parkeer)onderzoek in de besluitvorming is betrokken. Datzelfde geldt voor de door eiser aangedragen alternatieven en de gestelde strijd met het parkeerbeleid. Deze beroepsgronden kunnen niet leiden tot het oordeel dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend. Om die reden zal de rechtbank deze beroepsgronden niet inhoudelijk bespreken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep voor zover dat is ingesteld door [eiser 2] en [eiser 3] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [eiser 1] is niet-ontvankelijk, voor zover dat is gericht tegen het besluitonderdeel [straat 1] , en voor het overige ongegrond.
Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover dat is ingesteld door [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van [eiser 1] , voor zover dat is gericht tegen het besluitonderdeel [straat 1] , niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van [eiser 1] voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Bestemmingsplan “West”
Artikel 13.1
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. verkeerswegen, bestaande uit maximaal 2 rijstroken (uitgezonderd voorsorteerstroken) en voorts (…);
(…)
parkeerplaatsen en -terreinen;
(…)
pleinen, woonerven, voet- en fietspaden, bermen en trottoirs;
met daarbij behorende:
-
gebouwen;
-
bouwwerken geen gebouwen zijnde;
-
groenvoorzieningen;
(…)