RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/342020 / HA ZA 25-429
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
1 [eiser 1],
te [woonplaats 1],2. [eiser 2],
te [woonplaats 2],3. [eiser 3] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. S.R. Kieffer,
tegen
1 [gedaagde 1],
te [woonplaats 3],2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 4],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. H.J. ter Meulen en mr. L. Kunst-van Leeuwen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 8 april 2026;
-
de akte van [eisers];
-
de akte van [gedaagden]
2 De beoordeling
In het tussenvonnis van 8 april 2026 heeft de rechtbank overwogen dat een deel van de vorderingen in de hoofzaak zien op een tussen [gedaagden] en [eiser 3] B.V. gesloten huurovereenkomst. Dat betekent dat de vorderingen in de hoofdzaak en de incidenten moeten worden behandeld en beslist door de kantonrechter (artikel 93 onder c en artikel 94 lid 2 Rv). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de gehele zaak ambtshalve te verwijzen naar de kantonrechter (artikel 71 lid 2 Rv). Partijen hebben geen bezwaar geuit. De rechtbank zal de zaak dan ook verwijzen naar de kantonrechter.
[gedaagden] hebben de rechtbank verzocht Van der Voorts te veroordelen in de proceskosten. [eisers] hebben de rechtbank verzocht haar niet in de proceskosten te veroordelen, omdat de zaak niet op grond van een verzoek of vordering van [gedaagden], maar ambtshalve wordt verwezen naar de kantonrechter. De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten aanhouden, totdat op de vorderingen zal worden beslist.
3 De beslissing
De rechtbank
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere behandeling en beslissing naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank op dinsdag 16 juni 2026;
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure bij de kantonrechter niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.