RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/444420 / HA ZA 26-64
Vonnis in incident van 15 juli 2026
in de zaak van
1 FUNDING BEHEER B.V.,
2. FUNDING SUBSIDIEMANAGEMENT B.V.,
3. FUNDING APPLICATIEONTWIKKELING B.V.,
allen te Enschede,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: Funding Groep,
advocaat: mr. R.H.H. van Wijk,
tegen
1 [ex-werknemer 1] ,
te [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.J. Wolf,2. [bedrijf 1] B.V.,
te [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.J. Wolf,3. [bedrijf 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. M.J. Wolf,4. [ex-werknemer 2],
te [plaats 3] ,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. D.J.C. Hans,5. [ex-werknemer 3],
te [plaats 4] ,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. D.J.C. Hans,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
gedaagde partijen in de hoofdzaak hierna samen te noemen: gedaagden,
eisende partijen in het incident hierna samen te noemen: [ex-werknemers 2 en 3] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in de hoofdzaak van 15 april 2026 met de daarin genoemde stukken;
- de incidentele conclusie tot verwijzing met productie;
- de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De beoordeling in het incident
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. Funding Groep houdt zich onder meer bezig met het begeleiden van subsidieaanvragen. Zij rekent verschillende gemeenten tot haar klantenkring. Zowel [ex-werknemer 1] als [ex-werknemers 2 en 3] zijn in het verleden werkzaam geweest voor Funding Groep. [ex-werknemer 1] deed dat als zelfstandige via [bedrijf 1] , maar [ex-werknemers 2 en 3] waren op grond van een arbeidsovereenkomst rechtstreeks in dienst bij Funding Groep. Met ingang van 1 april 2019, respectievelijk 1 mei 2019 hebben [ex-werknemer 1] , [ex-werknemers 2 en 3] hun werkzaamheden voor Funding Groep beëindigd en hebben zij samen met de heer [naam] , een andere ex-werknemer van Funding Groep die ook per 1 mei 2019 ontslag heeft genomen, de vennootschap [bedrijf 2] opgericht. Die vennootschap richt zich op dezelfde werkzaamheden en projecten als Funding Groep en heeft ook enkele klanten en projecten van Funding Groep overgenomen. Funding Groep verwijt [ex-werknemer 1] nu onder meer dat hij cruciale informatie voor Funding Groep heeft achtergehouden en dat hij, samen met [bedrijf 2] , onrechtmatig heeft geacquireerd onder bestaande klanten van Funding Groep. Funding Groep vordert een vergoeding van de schade die zij hierdoor naar eigen zeggen heeft geleden. [ex-werknemers 2 en 3] wordt onder meer verweten dat zij in strijd met het non-concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding in hun arbeidsovereenkomst hebben gehandeld. Hiervoor zijn zij volgens Funding Groep een contractuele boete verschuldigd.
[ex-werknemers 2 en 3] vorderen dat de rechtbank de hoofdzaak verwijst naar de kantonrechter. Zij leggen hieraan ten grondslag dat alle vorderingen die Funding Groep op hen meent te hebben aardvorderingen zijn in de zin van artikel 93 onder c Rv. Het betreffen vorderingen die voortvloeien uit (een schending van de bepalingen in) de arbeidsovereenkomst en de daaropvolgende beëindigingsovereenkomst met Funding Groep.
Funding Groep heeft daartegen verweer gevoerd. Zij voert aan dat ten aanzien van alle gedaagden (dus ook [ex-werknemers 2 en 3] ) een vergoeding van onderzoekskosten van € 45.000,00 wordt gevorderd op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Dit is dus geen aardvordering in de zin van artikel 93 onder c BW, maar een waardevordering die de competentiegrens van de kantonrechter van € 25.000,00 overschrijdt (artikel 93 onder a Rv). Dit betekent dat de rechtbank in ieder geval voor deze vordering bevoegd is. Omdat het wenselijk is dat alle vorderingen vanuit het oogpunt van doelmatigheid door dezelfde rechter worden behandeld, concludeert Funding Groep tot afwijzing van de incidentele vordering tot verwijzing. Alle vorderingen, ook de aardvorderingen, kunnen volgens Funding Groep door de rechtbank worden behandeld.
In artikel 94 lid 2 Rv is bepaald dat als een zaak meerdere vorderingen betreft en tenminste één daarvan een aardvordering is zoals bedoeld in artikel 93 onder c of d Rv, deze vorderingen alle door de kantonrechter worden behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
Funding Groep heeft tegen [ex-werknemers 2 en 3] zowel een aardvordering als een waardevordering ingesteld (objectieve cumulatie). Artikel 94 lid 2 Rv is dus van toepassing. Dit betekent dat de kantonrechter bevoegd is om deze vorderingen te behandelen. Gelet op de samenhang tussen deze vorderingen, de vorderingen die tegen [ex-werknemer 1] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn ingesteld en de feiten die Funding Groep aan alle vorderingen ten grondslag heeft gelegd, is de rechtbank van oordeel dat een afzonderlijke behandeling daarvan niet wenselijk is. De incidentele vordering tot verwijzing zal daarom worden toegewezen.
Omdat Funding Groep de vorderingen niet heeft ingediend bij de kantonrechter maar bij de rechtbank, zal de rechtbank de hoofdzaak op grond van artikel 71 lid 2 Rv naar de kantonrechter verwijzen.
Funding Groep is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De drempel voor het toekennen van een vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten wegens misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen ligt hoog. Naar het oordeel van de rechtbank wordt die drempel niet gehaald, zodat zal worden aangesloten bij het liquidatietarief voor vorderingen met een onbepaalde waarde. De proceskosten van [ex-werknemers 2 en 3] worden begroot op:
|
- salaris advocaat |
€ |
653,00 |
(1 punt × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
842,00 |
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
3 De beslissing
De rechtbank
verwijst de hoofdzaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Middelburg, op woensdag 29 juli 2026 om 10:00 uur,
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht op grond van artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort,
veroordeelt Funding Groep hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Funding Groep niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.