ECLI:NL:RBOVE:2026:1670

Datum uitspraak
30-03-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
08-179592-24
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-179592-24 (ontneming)

Datum vonnis: 30 maart 2026

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres].

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 208.090,50.

2 De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 16 maart 2026. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de hoofdzaak. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S. Groothuismink, advocaat in Enschede, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.

De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gehandhaafd.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering, bij gebrek aan voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde voordeel heeft genoten, af te wijzen.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

De veroordeling

Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 30 maart 2026 veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:

feit 1 en feit 3

telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

3.2

Het oordeel van de rechtbank

De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op voordeel dat zou zijn verkregen uit (het medeplegen van) hennepteelt. Veroordeelde is enkel veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep en hennepplanten, voor het (medeplegen van) telen van hennep is hij vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezenverklaarde strafbare feiten. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie daarom af.

4 De beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en

mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »