vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer vordering: [nr_tul] Parketnummer ontneming: 01/01.217840.25Parketnummer: 01/01.217840. [verdachte 1]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.217840.25
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,
wonende te [adres] .
Procedure
De vordering van de officier van justitie van 11 februari 2026 strekte tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 814.209,49 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Naar aanleiding van de vordering heeft de verdediging op 2 juni 2026 een conclusie van antwoord van genomen. De officier van justitie heeft vervolgens op 30 juni 2026 een conclusie van repliek ingediend waarbij zij de ontnemingsvordering – na herberekening – heeft verhoogd tot een bedrag van € 920.880,91. De verdediging heeft op 11 augustus 2026 een conclusie van dupliek ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft op tegenspraak plaatsgevonden op 4 maart 2026 en 22 september 2026, gelijktijdig met het onderzoek in de strafzaak.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie gaat uit van de berekening in het ontnemingsrapport waarbij een opbrengst van € 1.923.637,30 wordt vastgesteld.
In repliek heeft de officier van justitie aangevoerd dat de in het ontnemingsrapport berekende loonkosten naar beneden dienen te worden gecorrigeerd. Daartoe heeft de officier van justitie de volgende berekening opgevoerd:
(…)
In totaal hebben klanten aan alle bezorgers € 1.923.637,30 betaald. Hierboven is
berekend hoeveel een bezorger gemiddeld per dienst incasseerde. Dit betekent dat er
1.923.637,30 : 1.657 = 1.160 diensten zijn verricht. Een dienst bestond gemiddeld uit
9 uur. De veroordeelde betaalde 15 euro per uur: 1.160 diensten x 9 uren x 15 euro =
€ 156.600,00 aan totale loonkosten.
Voor wat betreft de berekende post “overige kosten” meent de officier van justitie dat deze dient te worden verhoogd. Daartoe heeft de officier van justitie de volgende berekening opgevoerd:
(…)
Gemiddeld zijn er 322 kilometers gemaakt per dienst. Dat betekent dat er 322 x € 0,21 =
67,62 euro per dienst wordt betaald aan reiskosten. Zoals hiervoor is uitgerekend,
liggen er aan de opbrengst 1160 diensten ten grondslag. Dit komt op een reiskosten
vergoeding van 1160 diensten x € 67,62 = € 78.439,20.
(…)
Ter terechtzitting van 22 september 2026 heeft de officier van justitie – naar aanleiding van de conclusie van dupliek – het bij repliek gevorderde bedrag van € 920.880,91 verlaagd door hierop een bedrag van € 7.550,00 aan huur- en transportkosten in mindering te brengen.
Voor het overige heeft de officier van justitie zich aangesloten bij de berekening die is opgenomen in het ontnemingsrapport en de aanpassingen daarop zoals hiervoor weergegeven.
De definitieve vordering van de officier van justitie strekt tot:
-
het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 913.330, 91;
-
het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 913.330, 91 ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen vanwege de in de strafzaak bepleitte integrale vrijspraak.
Subsidiair heeft de verdediging met een beroep op het vertrouwensbeginsel verzocht om de aanvangsperiode waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd, vast te stellen op 1 juli 2023.
Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat de ontvangen betalingen afkomstig zijn uit de in Duitsland legale lachgashandel, de verkoop van andere goederen door het bedrijf [bedrijf] en de mogelijkheid van typefouten in de door de verbalisant opgesomde geldbedragen. De berekende opbrengst zou daarom met een bedrag van € 200.000,- moeten worden verlaagd.
Ten aanzien van de gemaakte kosten heeft de verdediging aangevoerd dat het bedrag van de huurkosten te laag is becijferd. Dit zou € 45.544,50 moeten zijn.
De inkoopprijs dient volgens de verdediging te worden vastgesteld op € 28,- per 2 kilogram cilinder.
Bij de berekening van de loonkosten is uitgegaan van drie werkshifts op de vrijdagen en zaterdagen; dit zouden er – op basis van de bevindingen in het dossier – volgens de verdediging vier moeten zijn, waarmee de loonkosten in totaal € 347.490,00 zouden bedragen.
Ten onrechte zijn in de berekening ook de kosten ter hoogte van € 15.902,00 voor de zogenaamde black boxes en de gemaakte reiskosten – die door de verdediging wordt vastgesteld op € 189.189,00 – niet meegenomen.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel zou daarmee hooguit € 211.143,60 bedragen.
Tenslotte heeft de verdediging een draagkrachtverweer gevoerd en in dat kader verzocht om de betalingsverplichting op nihil te stellen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden onderzocht of, en zo ja, in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten dan wel soortgelijke feiten dan wel dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij vonnis van deze rechtbank van 6 oktober 2026 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is [verdachte 1] (hierna: veroordeelde) veroordeeld voor - kort gezegd - lachgashandel gepleegd in de periode van 6 december 2024 tot en met 24 september 2025, en het bezit van in totaal ongeveer 646 kilogram lachgas. Dat vonnis is niet onherroepelijk.
Op basis van het vonnis in de strafzaak, het procesdossier, het op 2 februari 2026 door [verbalisant] opgemaakte rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport), de uitgewisselde conclusies en de behandeling van de vordering ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
Vertrouwensbeginsel
Sinds 1 januari 2023 is het algehele lachgasverbod van kracht en staat het middel op Lijst II van de Opiumwet. Dit betekent dat de productie, verkoop, het vervoer en het bezit van lachgas voor recreatief gebruik vanaf die datum strafbaar zijn. Van een officieel gedoogbeleid met betrekking tot het bezit van en de handel in lachgas, zoals dat bijvoorbeeld geldt met betrekking tot cannabis, is nimmer sprake geweest.
Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie met het indienen van de ontnemingsvordering – voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 januari 2023 tot en met 1 juli 2023 – niet heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.
Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.
Met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank als volgt.
Opbrengsten
Voor wat betreft de schatting van de opbrengsten baseert de rechtbank zich op de opbrengstberekening uit het ontnemingsrapport. Die berekening is voldoende onderbouwd door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat deze berekening in het ontnemingsrapport gebaseerd is op concrete aanknopingspunten uit de WhatsApp- en Signalgesprekken die zijn aangetroffen in de telefoons van de veroordeelde. Er zijn geen aanwijzingen dat er bij die berekening Duitse legale verkoopactiviteiten zijn meegenomen of andere legale verkoopactiviteiten in Nederland.
Dit gegeven vindt ook steun in het proces-verbaal van pseudokoop van 18 september 2025 (proces-verbaal pag. 328-329) waarop op het door het pseudokoopteam naar [bedrijf] verzonden WhatsAppbericht: 'Hey hey hebben jullie prijslijst van de sterke drank, vapes en Sigaretten werd gereageerd met het bericht ‘”Hey alleen lachgas aanwezig”.
Ook blijkt uit de gelokaliseerde SumUp-transacties, de Nederlandse teksten in de advertenties en de voornoemde WhatsApp- en Signalgesprekken dat enkel de lachgashandel die heeft plaatsgevonden binnen het grondgebied van Nederland in het rapport is berekend.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de berekening en de daarbij gehanteerde opbrengstbedragen te twijfelen en neemt deze berekening bij de schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt.
Het totale opbrengstbedrag stelt de rechtbank dan ook vast op € 1.923.637,30.
Kosten
Voor wat betreft de hoogte van de kosten die op dit bedrag in mindering kunnen worden gebracht, is rechtbank van oordeel dat de berekeningen in het ontnemingsrapport alsmede de herberekeningen van enkele posten door de officier van justitie, een voldoende nauwkeurig schattingsbeeld geeft.
Nu de verdediging tegen deze berekeningen onvoldoende concreet verweer voert en de gehanteerde methodes van de officier van justitie en de daaruit voortvloeiende verdeling niet onredelijk worden geacht, volgt de rechtbank de totale kostenberekening van € 1.010.306,39 zoals door de officier van justitie bij requisitoir is becijferd.
Aan deze kostenberekening dient, in afwijking van het standpunt van de officier van justitie, naar het oordeel van de rechtbank ook de kostenpost “Black boxes” ter hoogte van
€ 15.902,00 te worden toegevoegd nu uit het dossier genoegzaam is gebleken dat dit ziet op de inkoopkosten van lachgasballonnen, die door de veroordeelde bij de verkoop van lachgascilinders aan de afnemer werden meegeleverd.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het door [verdachte 1] verkregen voordeel als volgt.
Opbrengst: € 1.923.637,30-/- Huurkosten: € 45.094,50-/- Inkoopkosten: € 717.220,03-/- Arbeidskosten € 156.600,00
-/- Transportkosten € 500,00
-/- Overige kosten: € 90.891,86
-/- Black boxes € 15.902,00
-----------------------------------
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 897.428,91
Dit voordeel dient veroordeelde te worden ontnomen.
Draagkracht
Volgens vaste jurisprudentie wordt de draagkracht aan de orde gesteld in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.
De verdediging heeft gesteld dat de veroordeelde op dit moment over onvoldoende financiële middelen beschikt om aan diens betalingsverplichting te voldoen. De rechtbank is echter van oordeel dat het prematuur is om te stellen dat de veroordeelde naar redelijke verwachting ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben, zodat het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Aan de veroordeelde zal daarom de verplichting worden opgelegd om een bedrag van € 897.428,91 aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Maximale duur gijzeling
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 897.428,91.
De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e, elfde lid, Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.
Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 897.428,91 zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 1095 dagen, nu dat het maximum vast te stellen aantal dagen gijzeling betreft.
Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 897.428,91 (voluit: achthonderdzevenennegentigduizendvierhonderdachtentwintig euro en eenennegentig eurocent).
Legt aan [verdachte 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 897.428,91 (voluit: achthonderdzevenennegentigduizendvierhonderdachtentwintig euro en eenennegentig eurocent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.E. de Kryger, voorzitter,
mr. A. Bernsen en A.M. Koning, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 06 oktober 2026.