RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/418179 / HA ZA 25-506
Vonnis in incident van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats ] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mr. T. Mimpen en mr. J.J.E. van der Wallen,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats ] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden,2. [gedaagde 2],
te [plaats ] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden,
eisende partijen in reconventie in de hoofdzaak,3. [gedaagde 3] B.V.,
te [plaats ] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
advocaten: mr. F.M.C. van Helmond en mr. J.P.M. Dexters,
gedaagde partijen in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2025
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde 2] en [gedaagde 1]
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 3]
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de incidentele conclusie houdende vordering tot inzage en afschrift van [eiseres]
- de conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ,
- de conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 3] .
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De hoofdzaak in het kort
In de hoofdzaak vordert [eiseres] dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] worden veroordeeld tot betaling van verbeurde boetes wegens het schenden van de op hen rustende postcontractuele verplichtingen. Daarnaast vordert [eiseres] [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Investements legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag.
[gedaagde 2] en zijn echtgenote zijn bestuurders van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] was tot december 2019 enig aandeelhouder van [A ] B.V. en [B] B.V. Op 23 december 2019 is [eiseres] opgericht, die 75% van de aandelen in [A ] B.V. en [B] B.V. heeft verkregen. [gedaagde 1] ) bleef als manager werkzaam voor [eiseres] . Op 2 oktober 2023 heeft [gedaagde 1] ook haar resterende belang van 25% in [eiseres] verkocht. [gedaagde 2] (sales agent) en zijn echtgenote (administratief medewerkster) verrichtten vanaf die datum werkzaamheden voor [eiseres] op basis van overeenkomsten van opdracht. [eiseres] en [gedaagde 1] ) zijn verschillende postcontractuele verplichtingen overeengekomen, waaronder een geheimhoudingsbeding, een anti-ronselbeding, een relatie- en non-concurrentiebeding en een boetebeding. Op 26 oktober 2023 is [gedaagde 3] opgericht.
Volgens [eiseres] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun positie als voormalig bestuurder respectievelijk aandeelhouder van [eiseres] misbruikt door voor zichzelf een voorsprong te bewerkstelligen bij het opzetten van een directe concurrent van [eiseres] en haar werkmaatschappijen, althans daar een aandeel in te hebben op een zodanige wijze dat dit kwalificeert als een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegenover [eiseres] hebben. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een met [eiseres] en haar werkmaatschappijen concurrerende onderneming opgezet, namelijk [gedaagde 3] . Vaststaat dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] een belangrijk financieel aandeel hebben (gehad) in de op- en uitbouw van [gedaagde 3] , althans meerdere financieringen aan [gedaagde 3] hebben verstrekt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben met het opzetten, althans exploiteren en/of uitbouwen, van [gedaagde 3] in strijd met de op hen rustende postcontractuele verplichtingen jegens [eiseres] gehandeld. Tevens handelen [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (gezamenlijk) onrechtmatig jegens [eiseres] . Op basis van de reeds verzamelde informatie concludeert [eiseres] dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op aanzienlijke en consequente wijze de op hen rustende postcontractuele verplichtingen hebben geschonden. Daarnaast staat voor [eiseres] vast dat [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseres] , enerzijds bestaande uit onrechtmatige concurrentie door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , anderzijds het onrechtmatig profiteren van het tekortschieten van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] door [gedaagde 3] , aldus Investements.
3 De beoordeling in het incident
[eiseres] vordert op grond van artikel 195 en 194 Rv dat [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden veroordeeld tot het verlenen van inzage in en afschrift van de gegevens die zich thans in gerechtelijke bewaring bevinden bij DigiJuris B.V. als gevolg van conservatoir bewijsbeslag op 15 april 2025 en op 19 mei 2026 (hierna: de Gegevens).
[eiseres] legt hieraan ten grondslag dat zij een concreet en gerechtvaardigd belang heeft bij inzage: het vaststellen en onderbouwen van de gestelde schendingen van de postcontractuele verplichtingen en het onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] .
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.
Voorop gesteld wordt dat voor het recht op inzage op grond van artikel 194 en 195 Rv aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.+
[eiseres] heeft eerder gepoogd inzage in de Gegevens te verkrijgen bij wege van een kort geding. Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Limburg van 25 juni 2025 is de vordering van [eiseres] tot het verkrijgen van inzage in de Gegevens afgewezen. In dat vonnis is onder meer overwogen: “Daarmee is duidelijk welke vorderingen [eiseres] pretendeert te hebben op gedaagden en kan zij die vorderingen in de dagvaarding in de bodemprocedure onderbouwen. Afhankelijk van het verweer dat gedaagden in de bodemprocedure zullen voeren, kan in die bodemprocedure inzage in het in beslag genomen bewijs aan de orde komen om [eiseres] in de gelegenheid te stellen om haar stellingen nader te bewijzen.”
Als [eiseres] daadwerkelijk belang had gehad bij het verkrijgen van inzage in de Gegevens ter onderbouwing van haar vordering in de hoofdzaak dan had het voor de hand gelegen dat zij na afwijzing van haar vordering in kort geding daartoe een inzagevordering had ingediend bij dagvaarding. Indien die vordering zou zijn toegewezen dan had [eiseres] haar stellingen met de Gegevens nader kunnen onderbouwen zodat [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] in hun antwoord daarop inhoudelijk hadden kunnen reageren. [eiseres] heeft echter [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gedagvaard zonder daarbij gelijktijdig een inzagevordering in te stellen. [eiseres] heeft haar inzagevordering pas ingediend nadat de procedure in de hoofdzaak tot en met het antwoord in reconventie en dagbepaling mondelinge behandeling was gevorderd. Zij heeft het kennelijk ook niet nodig gevonden om te wachten met dagvaarden totdat in hoger beroep was beslist op de inzagevordering (bij arrest van19 mei 2026).
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [eiseres] beschikte over de informatie die nodig was om de door haar gestelde feiten te onderbouwen. [eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een andere conclusie leiden. Voor zover [eiseres] van mening is dat zij inzage in de Gegevens nodig heeft om haar stellingen te bewijzen, oordeelt de rechtbank dat bewijslevering nu (nog) niet aan de orde is. Voor haar vordering tot inzage in dit stadium van de procedure, waarin de hoofdzaak is afgeconcludeerd en voor mondelinge behandeling komt, heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende belang gesteld.
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering tot inzage zal worden afgewezen.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] en de proceskosten van [gedaagde 3] worden elk begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de incidentele vordering tot inzage af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 842,00 van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 842,00 van [gedaagde 3] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor dagbepaling mondelinge behandeling,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.