ECLI:NL:RBAMS:2026:10249

Datum uitspraak
14-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/13/778133
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Serviceovereenkomsten rechtsgeldig beëindigd, want gedaagde tekortgeschoten in nakoming daarvan. Gedaagde moet meewerken aan afwikkeling samenwerking (overdracht juridische eigendom en servicing leningportefeuille), de op haar rustende zorgplicht staat dat niet in de weg.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/778133 / HA ZA 25-1669

Vonnis in hoofdzaak en incidenten van 14 oktober 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CRADLE CAPITAL B.V.,

te Amsterdam,

eisende partij in de hoofdzaak in conventie en in het incident ex artikel 223 Rv,

verwerende partij in de hoofdzaak in reconventie en in het incident ex artikel 195 Rv,

hierna te noemen: Cradle,

advocaat: mr. M.A. Bolkenstein,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

I-FINANCE.NL B.V.,

te 's-Gravenhage,

gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie en in het incident ex artikel 223 Rv,

eisende partij in de hoofdzaak in reconventie en in het incident ex artikel 195 Rv,

hierna te noemen: I-Finance,

advocaat: mr. P.C.M. Ouwens.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 oktober 2025 met producties,

- de incidentele vordering tot een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) met producties van Cradle,

- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv tevens houdende incidentele vordering ex artikel 195 Rv met producties,

- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 195 Rv met producties,

- de rolbeslissing dat de door I-Finance verzochte mondelinge behandeling in het incident gelijktijdig zal plaatsvinden met de mondelinge behandeling in de hoofdzaak,

- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie met een productie,

- het tussenvonnis van 25 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, en de daarin genoemde processtukken en de beslissing op de eisvermeerdering,

- de eiswijziging van Cradle van 29 juli 2026,

- het bezwaar van I-Finance tegen de eiswijziging van Cradle,

- de e-mail van de rechtbank van 20 augustus 2026 waarin is vermeld dat de eiswijziging wordt geweigerd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Cradle is een investeerder. I-Finance is een financiëledienstverlener met een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) voor – kort gezegd –kredietverlening aan consumenten (hierna: AFM-vergunning).

2.2.

Hollandsche Disconto Voorschotbank B.V. (hierna: HDV) heeft in de periode van

2005 tot en met 2010 leningen aan consumenten verstrekt. Deze leningen zijn te verdelen in renderend, de performing loans (hierna ook: PL Leningen), en niet-renderend, de non-performing loans (hierna ook: NPL Leningen), hierna gezamenlijk: de Leningportefeuille.

2.3.

In 2013 is besloten de Leningportefeuille te securitiseren. Hiervoor zijn obligaties uitgegeven die de houders recht gaven op (een deel van) de opbrengsten uit de Leningportefeuille. HDV bleef in eerste instantie juridische eigenaar van de Leningportefeuille, terwijl de economische eigendom bij Gerona Securitization S.a.r.l. (hierna: Gerona) kwam te liggen. Als onderdeel van de securitisatie is op 23 september 2013 tussen HDV en Vesting Finance Servicing B.V. (hierna: Vesting) een overeenkomst gesloten tot servicing van de Leningportefeuille.

2.4.

Op 8 maart 2023 heeft Cradle de economische eigendom van de Leningportefeuille van Gerona overgenomen.

2.5.

De serviceovereenkomst met Vesting is voor de PL Leningen beëindigd op 8 maart 2023 en voor de NPL Leningen beëindigd op 28 maart 2023. Op diezelfde data heeft Cradle met I-Finance overeenkomsten gesloten voor de servicing van de PL Leningen respectievelijk de NPL Leningen (hierna: de Serviceovereenkomsten).

2.6.

In de Serviceovereenkomsten is afgesproken dat I-Finance diensten voor Cradle zal verrichten op het gebied van het innen en administreren van de Leningportefeuille, waarvoor Cradle aan I-Finance een vergoeding zal betalen. In artikel 2.2 van de Serviceovereenkomsten staat, voor zover relevant:

“(…) [I-Finance] shall, subject to the terms and conditions of this Agreement, have the full power, authority and right to do or cause to be done any and all things which it reasonably considers necessary, convenient or incidental (i) to the compliance with any and present and future laws, rules, orders and regulations applicable to it, including without limitation, the provisions of the AFM (including the Wft) and the rules promulgated thereunder to, inter alia, keep in force all licences, approvals, authorisations and consents which are or may be necessary in connection with the performance of the (…) Services and to abstain from doing any and all things that would be contrary to this (…).”

2.7.

In artikel 7 van de Serviceovereenkomsten staat, voor zover relevant:

“(…)7.2 (…) [I-Finance] shall not have any liability for the obligations of (…) [Cradle] (…).

2.8.

Eveneens op 8 respectievelijk 28 maart 2023 heeft I-Finance door contractsoverneming de juridische eigendom van de PL Leningen en de NPL Leningen overgenomen van HDV.

2.9.

De kredietnemers betalen rente en aflossing op rekeningen die partijen de Collection Accounts noemen. Het geld dat op deze wijze wordt ontvangen, moet volgens artikel 4.1 van de Serviceovereenkomsten door I-Finance eerst worden aangewend voor de kosten die zijn gemaakt bij het innen van de Leningportefeuille, dan voor de servicevergoeding voor I-Finance, daarna voor reserveringen voor “expected borrowers’ charge backs which will be calculated on a quarterly basis by [I-Finance] and communicated to [Cradle]”, waarna het overige aan Cradle zal worden uitbetaald. Deze verdeling wordt hierna de “betalingswaterval” genoemd.

2.10.

Eind maart 2025 heeft tussen I-Finance en Cradle e-mailcorrespondentie plaatsgevonden over een door een kredietnemer bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: Kifid) tegen I-Finance gestarte klachtprocedure. Deze klager stelde dat hij in het verleden te veel rente had betaald omdat zijn variabele rentetarief ten onrechte niet daalde toen de marktrente daalde en maakte aanspraak op compensatie daarvoor (hierna: rentecompensatie). Deze correspondentie laat zich als volgt samenvatten:

  • Op 24 maart 2025 stuurt [naam] van I-Finance aan Cradle e-mails van zijn collega’s door waarbij hij aangeeft het eerst niet maar nu wel te snappen, verregaande consequenties te voorzien en hierover te willen overleggen.

  • Op 25 maart 2025 reageert Cradle dat zij uit de e-mail van het Kifid opmaakt dat het Kifid de aangeleverde informatie niet begrijpt. Cradle schrijft dat zij voor overdracht aan I-Finance “best veel” dossiers via het Kifid heeft afgewerkt op basis van dezelfde uitgangspunten en begeleid met een Excel-sheet. Dit zijn dezelfde berekeningen die al eerder met I-Finance waren gedeeld en door het Kifid altijd zijn geaccepteerd. Cradle sluit af met het verzoek de correspondentie met het Kifid in het dossier te delen en overleg te hebben.

  • I-Finance heeft hierop geantwoord dat het niet één document is waar zij de informatie vandaan heeft en stuurt de berekening door die I-Finance aan de kredietnemer heeft gestuurd.

  • Cradle herhaalt dat het Kifid uitleg wil hebben over de berekening en dat Cradle dit zeer regelmatig heeft gedaan toen Vesting nog het beheer deed, dat het niet zinvol is om opnieuw de rentecompensatie te ontleden door ‘gegooglede’ informatie te verzamelen en dat Loyens & Loeff hier al veel tijd in heeft gestoken, waarvan de voorgestelde compensatieberekeningen het resultaat zijn. Cradle vraagt om de correspondentie en de compensatieberekening voor deze betreffende kredietnemer in voorbereiding op het overleg.

  • I-Finance reageert dat zij de klacht inmiddels minnelijk met de kredietnemer heeft afgehandeld en de klacht bij het Kifid zal worden ingetrokken. I-Finance geeft aan dat volgens haar de wijze van berekenen die is gehanteerd niet juist is en dat I-Finance een publieke uitspraak wilde voorkomen. Omdat I-Finance het risico draagt wil zij eerst geloven dat het goed zit en wil zij de door Cradle gehanteerde berekeningswijze graag bespreken.

2.11.

Op 22 mei 2025 heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden, waarbij de insteek van Cradle is geweest om de samenwerking met I-Finance te beëindigen en de servicing en het juridisch eigendom van de Leningportefeuille over te dragen aan een andere partij met een AFM-vergunning.

2.12.

Op 22 mei 2025 heeft I-Finance een bedrag van € 447.330,95 van de Collection Accounts overgeboekt naar een rekening op naam van I-Finance met als omschrijving “Reservering rentecompensatie”. Dit heeft zij in de periode tot en met eind juli 2025 nog vijf keer gedaan. In totaal is in deze periode een bedrag van € 738.367,95 door I-Finance overgeboekt.

2.13.

Cradle heeft per aangetekende brief van 4 augustus 2025 aan I-Finance de Serviceovereenkomsten per direct beëindigd. Zij heeft hierin geschreven dat sprake is van tekortkoming van I-Finance onder de Serviceovereenkomsten, namelijk het onttrekken van geld aan de Collection Accounts en het niet in gesprek treden over overdracht van de servicing, wat onder artikel 20.1 van de Serviceovereenkomsten het recht geeft tot beëindiging daarvan.

2.14.

Op 5 en 7 augustus 2025 heeft I-Finance een bedrag van € 643.367,95 teruggeboekt naar de Collection Accounts.

2.15.

Op 2 september 2025 heeft Cradle conservatoir beslag gelegd op rekeningen van I-Finance, waaronder de Collection Accounts.

2.16.

Tot medio september 2025 heeft overleg plaatsgevonden over de manier waarop partijen hun samenwerking zouden kunnen beëindigen, dan wel opnieuw vormgeven.

2.17.

Op 8 en 15 oktober 2025 heeft I-Finance € 80.000,00 respectievelijk € 12.000,00 overgeboekt van de Collection Accounts naar een andere rekening op naam van I-Finance, onder vermelding van “Reservering rentecompensatie”.

3 Het geschil

in het incident ex artikel 223 Rv

3.1.

Cradle vordert, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis I-Finance voor de duur van het geding veroordeelt om op straffe van een dwangsom:

  • alle relevante informatie over de Leningportefeuille aan Cradle te overhandigen,

  • primair: mee te werken aan de afwikkeling van de samenwerking tussen partijen, waaronder alle aan Cradle toekomende gelden uit te betalen aan Cradle, subsidiair: alle gelden die op de Collection Accounts binnenkomen door te boeken naar een escrow account,meer subsidiair: enkel met een onafhankelijke derde te beschikken over de Collection Accounts,

  • de proceskosten met rente te betalen.

3.2.

Cradle stelt dat I-Finance na dagvaarding opnieuw geld (een totaalbedrag van € 92.000) heeft onttrokken aan de Collection Accounts. Volgens Cradle heeft zij een dringend belang bij de voorlopige voorziening, omdat zij door het gedrag van I-Finance het risico loopt haar vorderingen niet (meer) te kunnen verhalen op I-Finance.

3.3.

I-Finance voert verweer.

in het incident ex artikel 195 Rv

3.4.

I-Finance vordert, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Cradle veroordeelt om afschriften betreffende – kort gezegd – betaalstromen van bepaalde NPL Leningen te overhandigen, met veroordeling van Cradle in de proceskosten.

3.5.

I-Finance stelt dat Cradle niet alle relevante financiële gegevens van een groot deel van de NPL Leningen heeft overhandigd. I-Finance heeft die informatie nodig om de rentecompensatie te kunnen berekenen waarop kredietnemers aanspraak kunnen maken en welk bedrag derhalve daarvoor door I-Finance moet worden gereserveerd.

3.6.

Cradle voert verweer.

in de hoofdzaak in conventie

3.7.

Cradle vordert na wijziging van eis, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht verklaart dat de Serviceovereenkomsten rechtsgeldig zijn beëindigd per 4 augustus 2025,

II. I-Finance veroordeelt om € 1.768.249,47 te betalen aan Cradle plus het bedrag dat vanaf 1 juli 2026 op de Collection Accounts wordt gestort en aan Cradle toekomt, met rente,

III. I-Finance veroordeelt om primair: de Serviceovereenkomsten na te komen, waaronder mee te werken aan de afwikkeling van de samenwerking, subsidiair: mee te werken aan de afwikkeling van de samenwerking, in beide gevallen op straffe van een dwangsom,

IV. I-Finance veroordeelt tot betaling aan Cradle van € 6.675 aan buitengerechtelijke incassokosten plus rente, de beslagkosten en

de proceskosten met rente.

3.8.

Cradle stelt dat zij de Serviceovereenkomsten in augustus 2025 mocht opzeggen, omdat I-Finance toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming daarvan. I-Finance heeft niet voldaan aan haar verplichting om door haar van de kredietnemers geïnde bedragen door te betalen aan Cradle. Daarnaast heeft I-Finance ten onrechte kosten van de AFM en advocaten doorbelast, heeft ze Cradle niet geïnformeerd over de ontwikkelingen in de Leningportefeuille en ook niet meegewerkt aan wijziging van de Serviceovereenkomsten, terwijl zij dat wel verplicht is. In meer algemene zin is I-Finance ongeschikt voor haar taak omdat zij niet voldoende thuis is in de berekening van rentecompensatie met betrekking tot de Leningportefeuille.

I-Finance moet haar verplichtingen onder de (beëindigde) Serviceovereenkomsten alsnog nakomen door (i) uitbetaling van € 1.768.249,47 en (ii) mee te werken aan het afwikkelen van de samenwerking tussen partijen door overdracht van de juridische eigendom en de servicing van de Leningportefeuille aan een door Cradle aan te wijzen partij met een AFM-vergunning.

3.9.

I-Finance vindt dat de vorderingen moeten worden afgewezen en voert daartoe het volgende aan. Op grond van de Serviceovereenkomsten mag I-Finance alles doen wat nodig is om aan de op haar rustende wet- en regelgeving te voldoen. Daaronder valt ook de op haar rustende zorgplicht ten opzichte van de kredietnemers. Zolang tussen partijen onduidelijkheid bestaat over (i) de verplichting om kredietnemers actief te informeren over hun recht op rentecompensatie en (ii) de berekening van de rentecompensatie, kan zij niet meewerken aan overdracht van haar taken. Zij is degene die wordt aangesproken door kredietnemers en door de AFM. Dit laatste is een risico waarvoor zij niet kan worden gevrijwaard door Cradle. Daarnaast moet een voldoende omvangrijke reserve worden aangehouden voor de rentecompensatie, omdat I-Finance anders niet in staat is om die uit te betalen. Bovendien staan de Serviceovereenkomsten deze inhouding onder de betalingswaterval ook toe. De door haar doorbelaste kosten kwalificeren als kosten in verband met de uitwinning van de leningen, wat onder de Serviceovereenkomsten geoorloofd is. Bovendien heeft zij Cradle steeds overzichten gestuurd van het verloop van de Leningportefeuille. Ten slotte wijst I-Finance erop dat onder de Serviceovereenkomsten slechts een verplichting geldt om redelijkerwijs mee te werken aan verzoeken tot wijziging daarvan, terwijl Cradle beëindiging beoogt. Van een tekortkoming is geen sprake en dus is er ook geen grond voor beëindiging van de Serviceovereenkomsten noch voor terugbetaling van het door haar gereserveerde geld.

in de hoofdzaak in reconventie

3.10.

I-Finance vordert, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht verklaart dat I-Finance gehouden is de consumenten binnen de Leningportefeuille actief te benaderen en te informeren over de wezenlijke wijziging van hun consumptief krediet met betrekking tot de rente,

II. voor recht verklaart dat als en zodra I-Finance rentecompensatie is verschuldigd aan consumenten, zij deze consumenten rentecompensatie moet aanbieden, met inachtneming van artikel 2.4 en 2.5 van de Serviceovereenkomsten,

III. voor recht verklaart dat I-Finance een bedrag van € 890.820,09 mocht reserveren voor rentecompensatie,

IV. voor recht verklaart dat I-Finance op elke Payment Date gelden mag reserveren voor rentecompensatie, nadat de verplichtingen in artikel 4 lid 1 sub a en b Serviceovereenkomst zijn voldaan,

V. Cradle veroordeelt tot betaling aan I-Finance van € 2.036.650,26, dat I-Finance onverschuldigd aan Cradle heeft betaald,

VI. Cradle veroordeelt om na ontvangst van een schriftelijke opgave van I-Finance het daarin genoemde bedrag aan rentecompensatie aan I-Finance te betalen,

VII. Cradle veroordeelt in de proceskosten met rente.

3.11.

I-Finance baseert haar vorderingen op de op haar rustende zorgplicht en uitleg van haar contractuele bevoegdheden zoals zij ook in conventie als verweer heeft aangevoerd.

3.12.

Cradle voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Zij voert hiertoe hetzelfde aan als in conventie met betrekking tot het beëindigen van de Serviceovereenkomsten en de verplichting van I-Finance om mee te werken aan overdracht van de juridische eigendom en de servicing van de Leningportefeuille.

Van onverschuldigde betaling is geen sprake. I-Finance heeft de betreffende bedragen conform de overeengekomen betalingswaterval aan Cradle uitbetaald op de Payment Dates. Daaraan kan I-Finance niet achteraf een andere bestemming toekennen.

4 De beoordeling

in het incident strekkende tot voorlopige voorzieningen

4.1.

Op grond van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangige procedure vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van die procedure (lid 1), op voorwaarde dat de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak (lid 2). Aan die voorwaarde is in deze zaak voldaan. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang bestaat. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.

4.2.

Het incident en de hoofdzaak worden gelijktijdig behandeld en daarin wordt ook in dit vonnis gelijktijdig uitspraak gedaan. Daarmee ontbreekt het belang van Cradle bij de gevraagde provisionele voorzieningen. De incidentele vordering wordt daarom afgewezen.

in de hoofdzaak in conventie

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat Cradle de economisch gerechtigde is tot de Leningportefeuille; de daarover door de kredietnemers verschuldigde rente en aflossingen, komen in beginsel aan haar toe. Omdat Cradle zelf niet over de daartoe vereiste AFM-vergunning beschikt, mag zij zelf geen krediet verlenen aan consumenten. Dat is de reden waarom Cradle de juridische eigendom van de Leningportefeuille aan I-Finance – die deze vergunning wel heeft - heeft doen overdragen en met haar overeenkomsten heeft gesloten voor de door I-Finance ten behoeve van Cradle te verrichten diensten.

4.4.

Deze constructie heeft tot gevolg dat I-Finance ten opzichte van de consument als kredietverlener is aan te merken. Dit betekent dat zij als financiëledienstverlener in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) aan die publiekrechtelijke toezichtwetgeving is onderworpen. De Wft bepaalt (voor zover voor deze zaak relevant) dat zij op zorgvuldige wijze de belangen van de consumenten in acht moet nemen (artikel 4:24a Wft) en dat zij een doorlopende verplichting heeft om de informatie te verstrekken aan de consumenten die relevant is voor een adequate beoordeling van hun krediet.

4.5.

Daarnaast rust er op I-Finance als financiëledienstverlener ook een civielrechtelijke zorgplicht ten opzichte van de kredietnemers. De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en de relevante ervaring van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. Onder omstandigheden kan dat een waarschuwingsplicht meebrengen. In dit geval is sprake van kredietverlening aan consumenten op basis van relatief eenvoudige kredietovereenkomsten met geringe financiële risico’s. De zorgplicht van I-Finance ten opzichte van deze kredietnemers (voor zover voor deze zaak relevant) beperkt zich daarom tot het verstrekken van juiste en duidelijke informatie. Deze informatieverplichting is doorlopend; ook tijdens de looptijd van het krediet moet I-Finance deze kredietnemers op tijd op de hoogte brengen als er iets verandert wat voor hen redelijkerwijs van belang is.

4.6.

Daarnaast heeft I-Finance ook verplichtingen ten opzichte van Cradle. Naast wat daarover in de tussen hen gesloten Serviceovereenkomsten is bepaald, rust er op I-Finance als opdrachtnemer de plicht om in haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (art. 7:401 van het Burgerlijk Wetboek). Hierbij is van belang dat Cradle de economisch gerechtigde van de Leningportefeuille is. De baten daarvan komen aan Cradle toe en eventuele betalingsverplichtingen aan de kredietnemers worden (uiteindelijk) door haar gedragen. Dit is in de Serviceovereenkomsten vastgelegd als een verplichting voor Cradle om I-Finance te vrijwaren voor enige aansprakelijkheid ten aanzien van de kredietvorderingen (zie 2.7).

4.7.

In deze zaak staat met name de vraag centraal hoe de op I-Finance rustende (zorg)plichten ten aanzien van de kredietnemers zich verhouden ten opzichte van haar verplichtingen als opdrachtnemer van Cradle. De rechtbank oordeelt als volgt.

Cradle heeft de Serviceovereenkomsten rechtsgeldig opgezegd

4.8.

Cradle stelt dat I-Finance niet heeft voldaan aan haar verplichting om – kort gezegd – de van de consumenten geïnde bedragen door te betalen aan Cradle. I- Finance voert aan dat zij op grond van de Serviceovereenkomsten gerechtigd was bedragen te reserveren voor rentecompensatie. De rechtbank volgt I-Finance niet in dit verweer, ter toelichting geldt het volgende.

4.9.

I-Finance beroept zich op de overeengekomen betalingswaterval (zie 2.8), waarin (onder meer) staat dat geïnde bedragen kunnen worden toebedeeld aan de “Rolling Reserve Amount”, wat in de definitielijst is omschreven als “the amount held back as coverage for expected borrowers’ charge backs which will be calculated on a quarterly basis by[I-Finance] and communicated to [Cradle]”. Volgens I-Finance kwalificeert rentecompensatie als een “charge back” omdat het bedragen betreft die aan kredietnemers moeten worden terugbetaald wegens te veel geïnde rente. Dit betekent dat zij bevoegd was tot reservering, aldus I-Finance.

4.10.

Cradle legt de betalingswaterval anders uit; zij wijst erop dat een “charge back” ziet op het geval dat een betaling heeft plaatsgevonden en de betaler vervolgens bij zijn bank een verzoek doet tot stornering, omdat de betaling wordt betwist. In het financiële verkeer is dit de gebruikelijke betekenis die aan deze term wordt gegeven. Het is ook logisch dat voor die kosten een reserve mag worden aangehouden, omdat die voor I-Finance onvoorzien zijn, in tegenstelling tot rentecompensatie. Over een reserve voor de destijds al bekende rentecompensatie is tussen partijen niet gesproken in het kader van de Serviceovereenkomsten, aldus Cradle.

4.11.

Waar discussie bestaat over de uitleg van bepalingen uit de Serviceovereenkomsten, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.

4.12.

De taalkundige betekenis van “charge backs” ondersteunt de uitleg van Cradle en dat er bij de totstandkoming van de Serviceovereenkomsten niet over een reservering voor rentecompensatie is gesproken. I-Finance heeft niet weersproken dat dat geen onvoorziene kosten voor I-Finance zijn. Waarom dan toch redelijkerwijs ook (een reservering voor) rentecompensatie onder “charge backs” moet worden begrepen, is door I-Finance onvoldoende toegelicht. Hierbij komt dat I-Finance tot 22 mei 2025 – ruim twee jaar na het aangaan van de Serviceovereenkomsten – ook geen uitvoering heeft gegeven aan hoe zij nu zegt de bevoegdheid tot reservering te hebben begrepen. Dit terwijl gedurende die tijd de potentiële verplichtingen tot betaling van rentecompensatie bestonden. De uitleg van Cradle wordt gevolgd en de rechtbank gaat dan ook ervan uit dat de bepalingen over het toedelen van geïnde gelden aan de Rolling Reserve Amount niet zien op een reservering voor rentecompensatie. Dit betekent dat I-Finance daarop dus ook geen beroep kan doen ter rechtvaardiging daarvan.

4.13.

Ook artikel 2.2 van de Serviceovereenkomsten (zie 2.6), waarin staat dat I-Finance – kort samengevat – alles mag doen wat nodig is om te kunnen voldoen aan de op haar rustende wet- en regelgeving, legitimeert het reserveren van het geld niet. I-Finance lijkt te onderkennen dat er geen wet- of regelgeving op haar van toepassing is die haar concreet verplicht om een reserve aan te leggen voor rentecompensatie. Zij plaatst dit verweer in het kader van de op haar rustende zorgplicht om rekening te houden met de belangen van de consument. Waarom die belangen vanaf 22 mei 2025 ineens zouden vergen dat I-Finance een reserve zou aanhouden, terwijl daartoe eerder kennelijk geen aanleiding bestond, is niet voldoende toegelicht. Voor zover de rechtbank I-Finance zo moet begrijpen dat zij naar aanleiding van de discussie over de manier waarop de kredietnemers moeten worden benaderd en de kritiek op haar afhandeling van de klacht bij het Kifid bezorgd was of toekomstige rentecompensatieclaims naar behoren zouden worden afgehandeld en of I-Finance daartoe wel over middelen zou kunnen beschikken, geldt dat die zorg onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank legt dat hieronder uit.

4.14.

Voorop staat dat Cradle onweersproken heeft aangevoerd dat zij I-Finance onder artikel 7 van de Serviceovereenkomsten (zie 2.7) heeft gevrijwaard voor enige aansprakelijkheid ten aanzien van de kredietvorderingen en de rentecompensatie, wat dus contractueel voor rekening van Cradle komt. Dat Cradle daar tot op heden ook steeds gevolg aan heeft gegeven, in de zin dat zij de rekening oppakt als rentecompensatie aan de orde is, is ook niet betwist door I-Finance. Dat Cradle daartoe vanaf mei 2025 niet meer bereid zou zijn geweest, blijkt ook nergens uit. De zorg dat I-Finance gehouden is tot uitkering van een bedrag voor rentecompensatie aan een kredietnemer en daar niet aan kan voldoen omdat ze daarvoor geen middelen heeft, is in dit licht onvoldoende onderbouwd.

4.15.

I-Finance heeft op zichzelf gelijk dat – anders dan het standpunt waarop Cradle zich destijds stelde – niet kan worden volstaan met het plaatsen van een advertentie in een dagblad en dat zij de consument actief moet aanschrijven over een mogelijk recht op rentecompensatie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien hoe het belang van de consument bij informatie wordt gediend door het reserveren van geld.

4.16.

De zorg van I-Finance dat – samengevat – kredietnemers tekort zouden worden gedaan als de door Cradle voorgestane methode van berekening van rentecompensatie zou worden gevolgd, is door Cradle gemotiveerd weersproken. Zij heeft toegelicht dat het gaat om een complexe Leningportefeuille, waarin niet kan worden volstaan met een integrale berekening van rentecompensatie, maar individueel maatwerk is vereist. Dit komt omdat in deze Leningportefeuille in het verleden al diverse aanpassingen hebben plaatsgevonden om kredietnemers in de rentelasten tegemoet te komen. Deze eerdere aanpassingen moeten worden betrokken bij de berekening of en, zo ja, hoeveel rentecompensatie mogelijk nog verschuldigd is. Hiertoe is een processtandaardisatie voor de berekening door Loyens & Loeff N.V. opgesteld in overeenstemming met de richtlijnen van de AFM en het Kifid. Dit is al eerder door Cradle toegepast bij de afhandeling van rentecompensatieclaims en al in april 2024 met I-Finance gedeeld. De berekening die I-Finance wil hanteren houdt geen rekening met de tegemoetkomingen in het verleden en leidt tot het toekennen van rentecompensatie, terwijl consumenten daarop geen of in mindere mate recht hebben en doet daarom afbreuk aan het economisch belang van Cradle bij de Leningportefeuille, aldus Cradle. In dit licht had het op de weg van I-Finance gelegen om uit te leggen waarom zij niet aan de op haar rustende zorgplicht ten opzichte van de kredietnemer kan voldoen als zij de door Cradle voorgestane berekeningsmethode voor rentecompensatie zou hanteren. Dat heeft zij onvoldoende gedaan door in deze procedure te zeggen dat deze methode volgens haar onjuist is zonder (voldoende) toe te lichten waarom. Die toelichting is ook niet te lezen in de door haar overgelegde uitdraai van dossiernummers en bedragen, omdat zij daarbij niet heeft uitgelegd waarop die bedragen zijn gebaseerd.

4.17.

Gelet op het voorgaande noopt ook de aard van de overeenkomst of de eisen van redelijkheid en billijkheid, waarop ter zitting een beroep is gedaan, niet tot het aannemen van een bevoegdheid voor I-Finance om geld te reserveren voor rentecompensatie.

4.18.

Kortom, van een rechtvaardiging voor het door I-Finance reserveren van de bedragen voor rentecompensatie is geen sprake. Die bedragen hadden op grond van de Serviceovereenkomsten dus maandelijks moeten worden uitbetaald aan Cradle op de betreffende betaaldata. In de nakoming van die verplichting is I-Finance tekortgeschoten en dat is aan haar toerekenbaar. Niet betwist is de stelling van Cradle dat I-Finance op 4 augustus 2025 al in verzuim verkeerde en dat aan de voorwaarden voor opzegging onder artikel 20.1 van de Serviceovereenkomsten is voldaan. De gevorderde verklaring voor recht dat de Serviceovereenkomsten rechtsgeldig zijn opgezegd bij brief van 4 augustus 2025 zal dus worden toegewezen. De overige door Cradle aan de opzegging ten grondslag gelegde tekortkomingen behoeven geen bespreking meer.

I-Finance moet de beëindigde Serviceovereenkomsten alsnog nakomen

4.19.

Cradle heeft – na vermeerdering van eis – gesteld dat zij nog € 1.768.249,47 van I-Finance tegoed heeft uit hoofde van de Serviceovereenkomsten, plus het bedrag dat vanaf 1 juli 2026 op de Collections Account wordt gestort en – de rechtbank begrijpt: na toepassing van de betalingswaterval – aan Cradle toekomt.

4.20.

I-Finance heeft aangevoerd dat zij dit bedrag niet is verschuldigd omdat zij gerechtigd was dit te reserveren. Dit houdt gelet op het voorgaande geen stand.

4.21.

Daarnaast heeft I-Finance ten aanzien van de omvang van het bedrag slechts verweer gevoerd waar het gaat om kosten voor advocaten en de AFM die volgens haar op grond van de Serviceovereenkomsten op de uitkering aan Cradle in mindering mochten worden gebracht, wat door Cradle is betwist. Deze kosten maken gelet op de akte vermeerdering van eis en de daarbij overgelegde productie 33 van Cradle echter geen onderdeel (meer) uit van het nu gevorderde bedrag van € 1.768.249,47. De hoogte van het bedrag is overigens niet door I-Finance betwist en ligt voor toewijzing gereed.

4.22.

Het verzoek van I-Finance tot het nemen van een nadere akte om op de eiswijzing te mogen reageren, wordt afgewezen. I-Finance heeft niet betwist dat het na eisvermeerdering gevorderde bedrag blijkt uit de opgave van I-Finance over juni 2026. Dit betekent dat I-Finance hierop voldoende had kunnen reageren als ze dat had gewild.

4.23.

De door Cradle gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum waarop de akte eisvermeerdering is genomen, aangezien Cradle niet (voldoende) inzichtelijk heeft gemaakt welk bedrag op welke dag op grond van de Serviceovereenkomsten aan Cradle had moeten worden betaald.

4.24.

Voorzover de betalingen van de kredietnemers door I-Finance zijn ontvangen na de beëindiging van de Serviceovereenkomst, geldt dat partijen er kennelijk allebei nog van uitgaan dat, zolang de samenwerking nog niet is afgewikkeld, hun rechtsverhouding nog wordt beheerst door de bepalingen van de beëindigde Serviceovereenkomsten. Dit betekent dat ook het door I-Finance vanaf 1 juli 2026 geïnde bedragen in overeenstemming met de bepalingen van de Serviceovereenkomsten – en dus met toepassing van de betalingswaterval – aan Cradle moet worden doorbetaald. Voor zover Cradle ook hierover bedoeld heeft wettelijke rente te vorderen, zal dit worden afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld wanneer deze betalingsverplichtingen opeisbaar zijn, laat staan wanneer sprake is van verzuim.

I-Finance moet meewerken aan het afwikkelen van de samenwerking

4.25.

Cradle vordert dat I-Finance de Serviceovereenkomsten moet nakomen, waaronder in ieder geval moet worden verstaan medewerking verlenen aan het afwikkelen van de samenwerking, welke afwikkeling bestaat uit:

  1. meewerken aan overdracht van het juridisch eigendom en de servicing van de Leningportefeuille aan een door Cradle voor te dragen vergunninghoudende partij;

  2. het ter beschikking stellen van alle informatie en rapportages conform het bepaalde in de Serviceovereenkomsten, en

  3. alle overige activiteiten die noodzakelijk zijn in het kader van een efficiënte afwikkeling van de samenwerking tussen partijen.

4.26.

Cradle doet hierbij kennelijk een beroep op artikel 20.3 en 20.4 van de Serviceovereenkomsten. Hierin is – kort gezegd – bepaald dat bij beëindiging van de Serviceovereenkomsten met I-Finance, Cradle een vervangende servicer zal aanwijzen die ervaring moet hebben met deze werkzaamheden en over een AFM-vergunning moet beschikken. Daarnaast is overeengekomen dat I-Finance bij beëindiging van de Serviceovereenkomsten – samengevat – alle bescheiden die verband houden met de leningen aan Cradle moet verstrekken.

4.27.

Dat I-Finance bij een rechtsgeldige beëindiging van de Serviceovereenkomsten in beginsel gehouden is om mee te werken aan afwikkeling van de samenwerking is niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Wel voert zij aan dat zij op basis van de op haar rustende zorgplicht niet kan meewerken aan overdracht van de Leningportefeuille aan de partij die Cradle op het oog heeft, Qube Capital B.V. (hierna: Qube). Dat is een aan Cradle gelieerde partij en ten aanzien van haar bestaan dus dezelfde zorgen over de afwikkeling van rentecompensatie als zij ten aanzien van Cradle zelf heeft. Op grond van de op haar rustende zorgplicht moet zij zich ervan vergewissen dat de consumenten niet slechter af zijn door de overdracht. Daarnaast moet Cradle haar bij overdracht vrijwaren voor eventuele aansprakelijkheid in verband met de Leningportefeuille en dat laat zich ten aanzien van publiekrechtelijke handhaving door de AFM niet voorstellen, aldus I-Finance.

4.28.

De rechtbank stelt voorop dat partijen afspraken hebben gemaakt over wat er moet gebeuren als de Serviceovereenkomsten worden beëindigd. Er is in de Serviceovereenkomsten bepaald dat er dan een nieuwe servicer zal worden aangewezen door Cradle die ervaring en een AFM-vergunning moet hebben. De eis dat deze partij niet gelieerd mag zijn aan Cradle is geen onderdeel van de tussen partijen gemaakte afspraken. Ook de op I-Finance rustende zorgplicht staat niet in de weg aan meewerken aan overdracht van de servicing van de Leningportefeuille aan een partij die aan de economische gerechtigde gelieerd is. Terecht heeft I-Finance betoogd dat zij daarbij oog moet houden voor de belangen van de kredietnemers, maar daartoe is voldoende dat er geen kenbare en concrete aanwijzingen zijn dat de belangen van de kredietnemers bij Qube niet in goede handen zouden zijn en – nu het gaat om consumenten – dat zij zich ervan heeft vergewist dat Qube over alle voor het kredietbeheer vereiste vergunningen beschikt.1 Niet betwist is dat Qube over die vereiste vergunningen beschikt. Dat en, zo ja, waarom Qube overigens ongeschikt zou zijn om haar taak als servicer te vervullen, is niet (voldoende) toegelicht.

4.29.

Wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de overdracht van de servicing geldt eveneens voor de verplichting tot overdracht van de juridische eigendom van de Leningportefeuille. Hoewel dit niet met zoveel woorden in de Serviceovereenkomsten is bepaald, is het één naar het oordeel van de rechtbank onlosmakelijk verbonden met het ander. Hierbij is van belang dat de juridische eigendom van de Leningportefeuille slechts aan I-Finance is overgedragen om haar dienstverlening te kunnen uitvoeren en niet om haar een eigen aanspraak op de Leningportefeuille toe te kennen en het economisch belang bij de Leningportefeuille alleen bij Cradle ligt. De situatie dat I-Finance de juridisch eigenaar blijft van de Leningportefeuille – en dus beschikkingsbevoegd – terwijl de economische eigendom bij Cradle berust en de servicing door Qube wordt verricht, is moeilijk voorstelbaar. Voorzover dit niet al uit een redelijke uitleg van de beëindigingsbepalingen uit de Serviceovereenkomsten volgt, volgt de verplichting om ook de juridisch eigendom over te dragen aan de door Cradle gewenste opvolger uit de op I-Finance jegens Cradle in acht te nemen zorgplicht van een goed opdrachtnemer. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam dienstverlener zal ook moeten meewerken aan het dusdanig afwikkelen van de opdracht dat zijn opvolger in staat is om soortgelijke diensten voor de opdrachtgever te verrichten. In dit geval behelst dat ook de verplichting om de juridische eigendom van de Leningportefeuille aan Qube over te dragen.

4.30.

Ten slotte geldt dat partijen niet zijn overeengekomen dat Cradle bij overdracht van de juridische eigendom en de servicing van de Leningportefeuille I-Finance moet vrijwaren voor aansprakelijkheid in verband met de Leningportefeuille. Hoewel het voor de hand ligt dat partijen hiertoe een nadere overeenkomst zullen sluiten en Cradle zich in haar eerdere voorstellen ter afwikkeling van de samenwerking met I- Finance hiertoe ook bereid heeft getoond, staat het ontbreken van een contractuele vrijwaring niet aan een verplichting tot meewerken aan overdracht in de weg. Dat laatste geldt ook voor het feit dat het risico van eventuele handhaving van publiekrechtelijke toezichtwetgeving op I-Finance blijft rusten.

4.31.

I-Finance zal dus moeten meewerken aan het afwikkelen van de samenwerking door (i) overdracht van de juridische eigendom en de servicing van de Leningportefeuille aan Qube en (ii) het overhandigen van de stukken en informatie die zij ten aanzien van de leningen onder zich heeft, zoals door partijen in artikel 20.3 van de Serviceovereenkomsten afgesproken. De door Cradle gevorderde termijn van vijf dagen is te kort, de rechtbank acht een termijn van veertien dagen na de datum van dit vonnis redelijk. Deze vordering zal in die zin worden toegewezen.

4.32.

Voor het overige is deze vordering te onbepaald. De vorderingen tot “nakomen van de overeenkomst”, meewerken aan overdracht aan “een vergunninghoudende partij”, en het verrichten van “alle activiteiten die nodig zijn voor een efficiënte afwikkeling van de samenwerking” zijn te ongespecificeerd en zullen daarom worden afgewezen.

4.33.

Aan de veroordelingen wordt geen dwangsom verbonden. Ten eerste omdat de vorderingen ruim geformuleerd zijn, waardoor het risico op executiegeschillen toeneemt. Ten tweede mag van een vergunninghoudende partij als I-Finance verwacht worden dat zij aan de veroordelingen zal voldoen.

Buitengerechtelijke kosten

4.34.

Cradle vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Cradle heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat is door I-Finance niet weersproken. Cradle heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 6.675 conform het Besluit worden toegewezen.

4.35.

De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

de hoofdzaak in reconventie

4.36.

De vorderingen die I-Finance in reconventie heeft ingesteld zijn grotendeels gebaseerd op de veronderstelling dat I-Finance belast blijft met de servicing van de Leningportefeuille en verplichtingen die zij dan zou hebben ten aanzien van de kredietnemers waarin Cradle (financieel) zou moeten voorzien. Zoals uit hetgeen in conventie is overwogen volgt, heeft Cradle de Serviceovereenkomsten gerechtvaardigd beëindigd en zal I-Finance mee moeten werken aan overdracht van de jurisdictie eigendom en servicing van de Leningportefeuille. Hierop stuiten de vorderingen onder I, II , IV en VI (zie 3.10) al af.

4.37.

De vordering onder III (zie 3.10) die strekt tot een verklaring voor recht dat I-Finance gerechtigd was een bedrag van € 890.820,09 te reserveren voor rentecompensatie kan evenmin worden toegewezen. In conventie is al uitgelegd dat I-Finance dat recht niet heeft, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.

4.38.

Ten slotte ligt ook de vordering onder V (zie 3.10) tot betaling van € 2.036.650,26 voor afwijzing gereed. Terecht heeft Cradle hier tegenin gebracht dat deze bedragen op de betreffende betaaldata en na toepassing van de overeengekomen betalingswaterval op grond van de Serviceovereenkomsten door I-Finance zijn betaald. Dat I-Finance nu meent dat de kredietnemers te veel rente betaald hebben over hun lening, maakt niet dat er destijds geen rechtsverhouding was die de betalingen van haar aan Cradle rechtvaardigden (artikel 6:203 BW). Die rechtsverhouding vloeide immers voort uit de tussen partijen gesloten Serviceovereenkomsten.

in het incident ex artikel 195 Rv

4.39.

De inzagevordering in het incident wordt afgewezen. Ook hierbij geldt dat de door I-Finance gevorderde bescheiden haar zouden moeten dienen bij de voortzetting van haar dienstverlening als servicer onder de – in dit geval – NPL Serviceovereenkomst. Nu deze overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd en I-Finance zal moeten meewerken aan overdacht van de juridische eigendom en de servicing van deze NPL Leningen, is van voortzetting van haar rol en werkzaamheden geen sprake meer en ontbeert zij het voor inzage vereiste belang (artikel 194 Rv).

de kosten van het beslag en de proceskosten in de incidenten, in conventie en in reconventie

4.40.

I-Finance krijgt in de incidenten, de hoofdzaak in conventie en de hoofdzaak in reconventie (grotendeels) ongelijk. I-Finance zal daarom de beslagkosten en de proceskosten van Cradle moeten vergoeden.

4.41.

Cradle vordert in totaal € 9.150,80 aan beslagkosten. Deze vordering is niet betwist en gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar, met dien verstande dat voor de verlenging van het beslag geen extra punt aan advocatensalaris wordt toegekend omdat daarvoor hetzelfde verzoekschrift is gebruikt. De beslagkosten worden aldus vastgesteld op € 1.321,55 voor kosten van de deurwaardersexploten, € 1.428,00 voor griffierecht en € 4.631,00 (1 punt x € 4.631,00), in totaal € 7.380,55.

4.42.

De proceskosten van Cradle in conventie worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

119,40

- griffierecht

€

8.760,00

(€ 10.188,00 minus € 1.428,00)

- salaris advocaat

€

9.262,00

(2 punten × € 4.631,00)

- nakosten (in conventie en in reconventie samen)

€

296,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

18.437,40

4.43.

De proceskosten van Cradle in reconventie worden begroot op € 4.631 (2 punten x € 4.631 x 0,5 in verband met samenhang in conventie) aan salaris advocaat.

4.44.

In de omstandigheid dat het belang bij de incidenteel gevorderde voorlopige voorzieningen (artikel 223 Rv) met de beslissing in de hoofdzaak is komen te vervallen, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in dit incident te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4.45.

De proceskosten van Cradle in het inzage incident (artikel 195 Rv) worden begroot op € 653,00 (1 punt x € 653,00) aan salaris advocaat.

4.46.

Cradle heeft gevorderd dat over de proceskosten in de hoofdzaak in conventie wettelijke rente moet worden betaald als die niet binnen veertien dagen worden betaald. Deze vordering zal worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident ex artikel 223 Rv

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in het incident ex artikel 195 Rv

5.3.

wijst het gevorderde af,

5.4.

veroordeelt I-Finance in de proceskosten van € 635,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie

5.5.

verklaart voor recht dat dat de Serviceovereenkomsten rechtsgeldig zijn beëindigd per 4 augustus 2025,

5.6.

veroordeelt I-Finance tot betaling van € 1.768.249,47 en het bedrag dat vanaf 1 juli 2026 tot de datum van volledige afwikkeling van de samenwerking tussen partijen nog op de Collection Accounts wordt gestort en op grond van de Serviceovereenkomsten door I-Finance aan Cradle dient toe te komen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.768.249,47 vanaf 14 juli 2026 tot aan de dag van volledige betaling,

5.7.

bepaalt dat I-Finance binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis haar medewerking moet verlenen aan de afwikkeling van de samenwerking door:

  1. mee te werken aan de overdracht van het juridisch eigendom van de Leningportefeuille aan Qube Capital B.V.;

  2. mee te werken aan de overdracht van de servicing van de Leningportefeuille aan Qube Capital B.V.;

  3. alle in artikel 20.3 van de Serviceovereenkomsten genoemde informatie te verstrekken;

5.8.

veroordeelt I-Finance om aan Cradle te betalen een bedrag van € 6.675,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.9.

veroordeelt I-Finance in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 7.380,55, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak,

5.10.

veroordeelt I-Finance in de proceskosten van € 18.437,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

5.11.

veroordeelt I-Finance tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.13.

wijst het gevorderde af,

5.14.

veroordeelt I-Finance in de proceskosten van € 4.631,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in het incident ex artikel 195 Rv, in conventie en in reconventie

5.15.

veroordeelt I-Finance tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als I-Finance niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.16.

verklaart de veroordelingen onder 5.4, 5.6 tot en met 5.11, 5.14 en 5.15 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, rechter, bijgestaan door mr. R. Hafith en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »