RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/611627 / HL RK 26-32
Beschikking van 14 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [plaats] , Israël,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. H. Loonstein en mr. J.X. ten Velden,
tegen
1 [verweerder sub 1] B.V.,
te [plaats] ,2. [verweerder sub 2],
te [plaats] , Curaçao,3. [verweerder sub 3],
te [plaats] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
advocaat: mr. G.J. de Bock.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de mondelinge behandeling van 16 september 2026, waar zijn verschenen:
- [verzoeker] , via videoverbinding, bijgestaan door mr. Ten Velden;
- [verweerder sub 3] ;
- mr. De Bock;
- de spreekaantekeningen van mr. Ten Velden.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[verzoeker] en [verweerder sub 1] hebben een een converteerbare overeenkomst van geldlening gesloten gesloten.
[verweerder sub 2] was tot 27 mei 2026 bestuurder van [verweerder sub 1] . Sinds 27 mei 2026 is [verweerder sub 3] bestuurder.
3 Het verzoek en het verweer
[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een getuigenverhoor en inzage in, afschrift van en uittreksel van gegevens zoals vermeld in punt 3.4 van het verzoekschrift te bevelen.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft met [verweerder sub 1] op 28 maart 2024 een converteerbare overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij [verzoeker] € 250.000,- aan [verweerder sub 1] moest betalen in tien batches van € 25.000,- over een periode van twaalf maanden. [verweerder sub 1] verbond zich de batches aan [verzoeker] terug te betalen, steeds binnen één jaar na betaling door [verzoeker] . [verzoeker] en [verweerder sub 1] hebben ook een contractuele rente afgesproken. [verzoeker] heeft € 175.000,- aan [verweerder sub 1] verstrekt. [verzoeker] heeft op 30 juni 2025 schriftelijk aan [verweerder sub 1] meegedeeld dat hij zich wilde terugtrekken uit het samenwerkingsverband.
De geldlening zou worden gebruikt ten behoeve van een nieuw op te richten onderneming dan wel platform/app ‘ [naam] ’. Het platform is niet van de grond gekomen en het is [verzoeker] volstrekt onduidelijk waaraan het bedrag van € 175.000,- is besteed. Aan [verzoeker] is daarover nooit verantwoording afgelegd. [verweerder sub 1] heeft de batches van 3 april 2024, 11 juni 2024, 12 september 2024 en 13 november 2024 niet binnen de overeengekomen termijn aan [verzoeker] terugbetaald. [verzoeker] is voornemens [verweerders] in rechte te betrekken. [verzoeker] wil [verweerder sub 2] als bestuurder aansprakelijk stellen. [verweerder sub 3] was geen statutair bestuurder, maar hij had de volledige zeggenschap en controle over [verweerder sub 1] en bepaalde (mede) het beleid. De overeenkomst is ook getekend door [verweerder sub 3] .
[verweerders] maakt geen bezwaar tegen het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Zij verzoekt wel aan de voorzieningenrechter om te bepalen welke componenten voor de getuigentaxe aan de zijde van [verweerder sub 2] in aanmerking komen voor vergoeding en de omvang van de getuigentaxe bij beschikking vast te stellen.
Ten aanzien van het verzoek tot inzage verzoekt [verweerders] een voorschot voor de kosten van € 560,- exclusief btw vast te stellen. Daarnaast verzoekt [verweerders] het bevel tot inzage voor zover dit gericht is tot [verweerder sub 3] en [verweerder sub 2] af te wijzen. Tot slot verzoekt [verweerders] om de verzochte dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 50.000,- af te wijzen.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
4 De beoordeling
Het voorlopig getuigenverhoor
Het juridisch kader
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:
a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek
b. de aard en het beloop van de vordering
c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
Verder moet het verzoekschrift vermelden de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoekende partij als getuigen wil horen.
Het verzoek voldoet aan de eisen
[verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Het verzoek zal daarom worden toegewezen tenzij de rechtbank van oordeel is:
- dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of
- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
[verweerders] heeft geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek. Het verzoek voldoet naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de eisen van de wet en zal dan ook worden toegewezen.
De getuigentaxe
Het verzoek van [verweerders] om reeds nu de componenten voor de getuigentaxe van [verweerder sub 2] , die in het buitenland woont, en de omvang daarvan vast te stellen zal worden afgewezen.
Artikel 182 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna Rv) gaat ervanuit dat de getuige schadeloosstelling kan vorderen, die vervolgens door de rechter wordt begroot. In de praktijk vraagt de rechter-commissaris aan het slot van het verhoor van de getuige of de getuige kosten heeft gemaakt voor het bijwonen van het getuigenverhoor. De door de rechtercommissaris begrote kosten moeten volgens artikel 182 Rv worden vermeld in het proces-verbaal. Uit artikel 182 Rv volgt dus dat de getuigentaxe pas aan de orde is nadat de getuige daadwerkelijk is gehoord. Dit betekent dat in dit kader geen taak voor de voorzieningenrechter is weggelegd.
Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank wijst [verzoeker] erop dat de rechtbank voor het verhoor in beginsel maximaal 90 minuten in totaal per getuige zal reserveren. Als [verzoeker] van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, moet hij dit – binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking – gemotiveerd aan de rechter-commissaris verzoeken.
De advocaat van [verzoeker] moet voor de oproeping van de getuigen zorgdragen. Bij het tijdstip van oproeping van de getuigen moet rekening worden gehouden met de te verwachten duur van het verhoor per getuige. De namen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, moeten ten minste een week vóór het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
Het inzageverzoek
Het juridisch kader
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Hieruit volgen vier voorwaarden voor de toewijzing van een verzoek op grond van artikel 194 Rv, namelijk (1) degene die informatie verlangt moet partij zijn bij een rechtsbetrekking, (2) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn, (3) de verzoekende partij moet voldoende belang hebben bij het verzoek en (4) degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde informatie beschikken. Als aan één van deze voorwaarden niet wordt voldaan, moet het verzoek worden afgewezen.
Partij bij een rechtsbetrekking en voldoende belang bij het informatieverzoek
Partijen hebben hierover geen geschil.
Beschikken over de gevraagde informatie
[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift verzocht om inzage in diverse stukken, waaronder managementvergoedingen. Naar aanleiding hiervan heeft [verweerders] in zijn verweerschrift aangevoerd over de volgende stukken te beschikken:
2024
( i) Publicatiebalans en fiscale aangifte
(ii) Balans en winst- en verliesrekening
(iii) Grootboek
(iv) Facturen
( v) Bankafschriften
2025
(vi) Balans en winst- en verliesrekening
(vii) Facturen
(viii) Bankafschriften
2026
(ix) Facturen
( x) Bankafschriften
[verweerder sub 1] is bereid deze te verstrekken.
[verweerders] heeft verklaard niet over overzichten van de managementvergoedingen te beschikken. [verzoeker] heeft op de zitting bevestigd dat als er geen overzichten zijn, [verweerders] niet gehouden is om deze alsnog op te stellen. [verzoeker] zal aan de hand van de overgelegde stukken zelf deze informatie moeten opmaken.
[verweerders] heeft ook verklaard dat zij evenmin beschikt over een overzicht van gelden die aan derden zijn verstrekt. [verzoeker] kan deze gelden afleiden uit de bankafschriften die [verweerders] bereid is te overleggen.
[verweerders] heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek om [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] te bevelen de stukken te overleggen, dan wel hier inzage of afschrift van de geven. De voorzieningenrechter zal [verweerder sub 3] naast [verweerder sub 1] bevelen om tot inzage en afschrift over te gaan. [verweerder sub 3] heeft op de zitting meegedeeld dat hij sinds 27 mei 2026 bestuurder is van [verweerder sub 1] en voordien ook als (feitelijk) bestuurder optrad. [verweerder sub 3] heeft dus als bestuurder de macht over deze gegevens, zodat hij in staat is over de stukken te beschikken en aan het bevel te voldoen. Ten aanzien van [verweerder sub 2] geldt dat hij geen bestuurder meer is en daarom niet langer toegang heeft tot de gevraagde stukken. Het verzoek ten aanzien van [verweerder sub 2] zal daarom worden afgewezen.
Voldoende belang
[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift en het behandelde op de zitting zijn belang bij het informatieverzoek voldoende onderbouwd. [verweerders] heeft dit belang ook niet betwist. Er is daarom voldoende vast komen te staan dat [verzoeker] voldoende belang heeft bij zijn verzoek.
Voorschot voor de kosten
In artikel 195 lid 2 Rv staat dat als de rechter het verzoek toewijst, de rechter een voorschot voor de kosten van het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel kan bepalen. [verweerders] heeft verzocht om een voorschot van € 560,00 exclusief btw, bestaande uit 16 administratie-uren. [verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. [verweerders] heeft aangevoerd dat zij uitgaat van digitale beschikbaarstelling aan [verzoeker] . [verzoeker] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Met een digitale verstrekking zijn geringe kosten gemoeid, zodat een voorschot niet aangewezen is. De voorzieningenrechter zal het verzoek van [verweerders] dan ook afwijzen.
Dwangsom
[verzoeker] verzoekt oplegging van een dwangsom voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [verweerders] niet aan het verzoek voldoet. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, omdat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 3] tot op heden niet aan het verzoek hebben voldaan. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 3] zullen geen nadeel ondervinden van de opgelegde dwangsom als zij de veroordeling naleven. Wel zal de voorzieningenrechter de dwangsom en het maximum matigen, zoals vermeld in de beslissing.
Conclusie
Het inzageverzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen als na te melden in de beslissing.
Overige punten
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een kostenveroordeling uit te spreken.
Omdat de advocaat van [verweerders] al in het bezit is van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangt, hoeft [verzoeker] geen afschrift van deze stukken aan [verweerders] te verstrekken.
Tegen de beslissing op het verzoek tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens kan hoger beroep worden ingesteld.
5 De beslissing
De rechtbank
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden door mr. M.R. van der Vos,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Lelystad, Stationsplein 15,
bepaalt dat [verzoeker] binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de Handelsgriffie - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2026 tot en met februari 2027 moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat de advocaat van [verzoeker] voor de oproeping van de getuigen zorg zal dragen,
verzoekt de advocaat van [verzoeker] het oproepingsschema (met de namen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen) een week voor de zittingsdatum aan de rechtbank en aan de wederpartij toe te zenden,
beveelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] om inzage te verstrekken in, afschrift te verstrekken van en uittreksel te verstrekken van:
2024
( i) Publicatiebalans en fiscale aangifte
(ii) Balans en winst- en verliesrekening
(iii) Grootboek
(iv) Facturen
( v) Bankafschriften
2025
(vi) Balans en winst- en verliesrekening
(vii) Facturen
(viii) Bankafschriften
2026
(ix) Facturen
( x) Bankafschriften
bepaalt dat het verstrekken van inzage in, afschrift van en uittreksel van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk op 28 oktober 2026 door digitale verstrekking,
veroordeelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 3] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 3] na betekening niet voldoen aan de veroordeling onder 5.7., met een maximum van € 25.000,-,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. |
||
|
! |
! |
|
|
! |