ECLI:NL:RBOBR:2026:7108

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
24/2814
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning milieu voor het tijdelijk verruimen van geluidsniveaus voor de graanhandel van [derde belanghebbende]. Het college was naar het oordeel van de rechtbank niet verplicht om een geluidbeheersplan voor te schrijven. Het beroep is ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 24/2814

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] en [eiser 7] en [eiser 8] , te [woonplaats] , eisers(gemachtigde: mr. V. Wösten)

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college

(gemachtigden: ng. [gemachtigde 1] [gemachtigde 2] en mr. T.J.H. Verstappen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende], uit [woonplaats] ( [derde belanghebbende] ),(gemachtigde: mr. D.H. Nas).

Samenvatting

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning milieu voor het tijdelijk verruimen van geluidsniveaus voor de graanhandel van [derde belanghebbende] . Het college was naar het oordeel van de rechtbank niet verplicht om een geluidbeheersplan voor te schrijven. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

1. [derde belanghebbende] heeft een gewijzigde aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het tijdelijk verruimen van geluidsniveaus voor de inrichting aan de [adres 1] (de locatie). Met het bestreden besluit van 5 september 2023 heeft het college de gewijzigde aanvraag toegewezen. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten “bouwen”, “planologische afwijking van het bestemmingsplan” en “milieu” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.1.

Eisers hebben bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij uitspraak van 24 juli 2024 heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om van dit beroep kennis te nemen.1 De Afdeling heeft het beroep doorgezonden naar deze rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is om over het beroep te oordelen.

1.2.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [naam 1] en de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college, de gemachtigde van [derde belanghebbende] en [naam 2] (CEO van [derde belanghebbende] ). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te geven met elkaar te overleggen.

1.4.

Eisers hebben schriftelijk gereageerd.

1.5.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en geen nadere zitting gehouden.2

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.2.1. De gewijzigde aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend in 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en de Wet geluidhinder, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.Vooraf

3. [derde belanghebbende] exploiteert op de locatie een graanhandel die zich bezig houdt met de op- en overslag van grondstoffen voor veevoeders. Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 6.4b iii, van de Richtlijn industriële emissies. [derde belanghebbende] beschikt over een kade aan de Maas waar schepen van leveranciers en afnemers kunnen aanmeren. Het terrein van de inrichting ligt binnen een planologisch aangewezen geluidzone. In deze geluidzone liggen geen andere bedrijven. Buiten de zone mag de geluidbelasting van het bedrijf niet meer bedragen dan 50 dB(A). Voor de woningen in de geluidzone zijn op grond van de Wet geluidhinder MTG-waarden (Maximaal Toelaatbare Geluidsbelasting) vastgesteld.

3.1.

Eisers wonen in de directe nabijheid van de locatie aan onderscheidenlijk de [straat 1] , de [straat 2] en de [straat 3] . Zij stellen geluidoverlast te ondervinden van het in werking zijn van de inrichting.

3.2.

Bij het besluit van 6 juli 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk in werking hebben van de inrichting zonder overkapping en in verband daarmee de geluidgrenswaarden verruimd. De reden hiervoor is dat uit geluidmetingen uit 2019 bleek dat het nog niet gerealiseerd zijn van een eerder vergunde overkapping leidde tot een hogere geluidbelasting ter plaatse van enkele woningen aan de [straat 3] en de [straat 1] dan volgens de vastgestelde geluidgrenswaarden was toegestaan.

3.3.

Eisers hebben tegen het besluit van 6 juli 2020 beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, onder meer omdat het college heeft verzuimd een controlevoorschrift te verbinden aan de omgevingsvergunning.3 In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat wordt voldaan aan de MTG-waarden, niet zonder meer een tijdelijke verruiming van de geluidgrenswaarden rechtvaardigt. [derde belanghebbende] heeft tegen de uitspraak hoger beroep bij de Afdeling ingesteld. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.4

3.4.

[derde belanghebbende] heeft de aanvraag die ten grondslag lag aan het vernietigde besluit van 6 juli 2020 aangevuld met de activiteiten “bouwen” en “planologische afwijking van het bestemmingsplan”. [derde belanghebbende] heeft daarbij een nieuw akoestisch onderzoek van Cauberg Huygen van 24 januari 2023 ingediend (het akoestische rapport). Het akoestische rapport gaat over maatregelen om de geluidsemissie van de inrichting te verminderen. Eén van de maatregelen betreft de overkapping van het noordelijke buitenterrein. De realisatie van de overkapping kan pas plaatsvinden als een bestaand gebouw is gesloopt en de financiële middelen daartoe toereikend zijn. Naar verwachting zal de overkapping uiterlijk 31 december 2025 gereed zijn. Daarom is aangevraagde termijn om tijdelijk aangepaste geluidgrenswaarden toe te staan gewijzigd in 1 januari 2026. De aanvraag heeft verder betrekking op het verhogen en verlengen van een geluidsscherm, een optimalisatie van bedrijfstijden van bronnen, aanpassingen van bronvermogens en het tijdelijk aanpassen van het vergunde geluidsniveau. Bestreden besluit4. Het bestreden besluit is genomen na een uitgebreide voorbereidingsprocedure. In het bestreden besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten:

- “ bouwen”: het verhogen van het bestaande geluidsscherm en het doortrekken van de verhoging boven de laagbouw;

- “ planologische afwijking van het bestemmingsplan”: het bouwen van een bouwwerk (het geluidsscherm) met een hoogte van 5,4 meter;

- “ milieu”: het tijdelijk aanpassen van de vergunde geluidruimte tot 1 januari 2026.In de omgevingsvergunning milieu staan ook maatregelen die in acht moeten worden genomen. Eén daarvan is dat de overkapping uiterlijk 1 januari 2026 moet zijn gerealiseerd.

Tijdelijk verruimen geluidnormen

5. Eisers konden zich niet verenigen met het tijdelijk verruimen van de geluidnormen tot 1 januari 2026. De periode waarin de tijdelijke verruiming gold, is echter inmiddels verstreken. De tijdelijke verruiming geldt niet meer. Dit onderdeel van het beroep kan dan ook niet meer leiden tot het door eisers gewenste resultaat. De rechtbank zal hier daarom niet verder op ingaan. Overkapping

6. Eisers wijzen erop dat de overkapping niet is gerealiseerd en dat [derde belanghebbende] inmiddels een wijzigingsvergunning heeft aangevraagd om de overkapping te schrappen uit de vigerende omgevingsvergunning. Volgens eisers is die wijzigingsaanvraag onlosmakelijk verknocht met het bestreden besluit. Zij vinden dat er voor de beoordeling van de onderhavige zaak duidelijkheid moet bestaan over of [derde belanghebbende] van het bevoegd gezag van de realisatie van de overkapping mag afzien. 6.1. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Eisers zijn het eens met het bestreden besluit, voor zover daarin een verplichting is opgenomen om de overkapping uiterlijk 1 januari 2026 te realiseren. Zij hebben dan ook geen beroep ingesteld tegen dit onderdeel van het bestreden besluit. De wijziging van dit onderdeel van de omgevingsvergunning voor het in werking hebben van de inrichting is daarmee onherroepelijk. De later aangevraagde wijziging van dit onderdeel zal tot een nieuw besluit leiden, waartegen eisers te zijner tijd beroep kunnen instellen. Dat valt buiten de omvang van het bestreden besluit.

Geluidbeheersplan 7. Eisers voeren aan dat ten onrechte geen geluidbeheersplan is voorgeschreven. Het college heeft niet aangetoond dat geen geluidhinder wordt verwacht. Eisers ondervinden structureel ernstige geluidhinder. Volgens eisers zal de geluidhinder met het bestreden besluit ongewijzigd blijven voortduren.

7.1.

Het college ziet geen aanleiding voor een geluidbeheersplan. De relevante geluidbronnen zijn al bepaald, het geluid ervan is gemeten en [derde belanghebbende] moet op grond van de voorschriften 2.4.1 tot en met 2.4.3 geluidschermen verhogen, aanvullende maatregelen nemen bij de filters en uiterlijk per 1 januari 2026 een overkapping plaatsen. [derde belanghebbende] blijft ruim onder de grenswaarden van de geluidszone en de MTG-waarden voor de woningen in de zone. Gelet op de vergunde geluidniveaus verwacht het college geen geluidhinder.

7.2.

[derde belanghebbende] deelt het standpunt van het college. De hogere geluidgrenswaarden die tijdelijk worden toegestaan zijn niet zo hoog dat geluidhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of is onderbouwd. De inrichting is na de grootscheepse investeringen in 2018 zodanig in werking dat de overlast die werd ervaren is verdwenen. Tot op heden zijn er volgens [derde belanghebbende] geen klachten van omwonenden.

7.3.

In artikel 5.5, vierde lid, aanhef en onder 2o, van het Besluit omgevingsrecht is bepaald dat aan een omgevingsvergunning controlevoorschriften worden verbonden. Voor zover die vergunning betrekking heeft op een IPPC-installatie worden daaraan in ieder geval voorschriften verbonden, inhoudende dat door monitoring of op een andere wijze wordt bepaald of aan de vergunningvoorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt voldaan, waarbij monitoringseisen worden gebaseerd op voor die IPPC-installatie relevante BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatie-documenten over beste beschikbare technieken.

7.4.

De voor de betrokken IPPC-installatie relevante BBT-conclusie is BBT-conclusie 13 van de BREF Voedingsmiddelen en Zuivel. BBT-conclusie 13 is alleen van toepassing in gevallen waarbij geluidhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. In de conclusie is aangegeven dat het een best beschikbare techniek is om een geluidbeheersplan te maken. Dat geluidbeheersplan bevat in ieder geval een protocol voor de monitoring van geluidsemissies, een protocol voor de reactie op geconstateerde geluidsincidenten en een programma ter vermindering van geluid om de bron(nen) te bepalen, de blootstelling aan geluid en trillingen te meten/schatten, de bijdragen van die bronnen te karakteriseren en preventieve en/of beperkende maatregelen te nemen.

7.5.

De rechtbank stelt voorop dat het college controlevoorschriften aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. Dat zijn de voorschriften 2.5.1 tot en met 2.5.3. Op grond van die voorschriften is [derde belanghebbende] verplicht om, kort weergegeven, door middel van akoestisch onderzoek aan te tonen dat aan de voorschriften over de geluidgrenswaarden wordt voldaan. Het college moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek en kan daaraan nadere eisen stellen.

7.6.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college op grond van BBT-conclusie 13 de verdergaande eis van een geluidbeheersplan had moeten stellen. BBT-conclusie 13 is van toepassing als geluidhinder bij gevoelige receptoren worden verwacht en/of is onderbouwd. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat BBT-conclusie 13 niet van toepassing is. De rechtbank legt dat hierna uit.

7.7.

In de omgevingsvergunning zijn maatregelen voorgeschreven om de geluidsemissie van de inrichting te verminderen. In de tijdelijke situatie moeten de bedrijfsprocessen al zijn geoptimaliseerd, moet het bestaande geluidsscherm van drie naar vijf meter worden verhoogd en moeten de bedrijfstijden van bepaalde geluidbronnen worden geoptimaliseerd. Uiterlijk 1 januari 2026 moet de overkapping zijn gerealiseerd. De nu vergunde geluidgrenswaarden zijn voor alle woningen gelijk of lager dan de vergunde waarden uit 2012 en 2015. De enige uitzondering hierop is een toename van het geluidniveau van 1 dB(A) in de nachtperiode bij de woning aan de [adres 2] , tot een grenswaarde van 37 dB(A).

7.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college kunnen afzien van het opleggen van de verplichting om een geluidbeheersplan op te stellen. Een geluidbeheersplan is een doorlopend proces met een monitoringsprotocol een klachtenprotocol en een programma om de geluidsbelasting verder te verlagen en aanvullende maatregelen te treffen in gevallen waarin sprake is van geluidsoverlast of deze overlast kan worden verwacht. Paragraaf 2.4 van de voorschriften verbonden aan het bestreden besluit voorziet reeds in de verplichting om gerichte maatregelen te treffen ter voorkoming en beperking van geluidsoverlast. Niet valt in te zien waarom na het treffen van deze maatregelen desondanks nog steeds geluidsoverlast bij gevoelige receptoren zou zijn te verwachten. Het college heeft hierbij tevens de voor de woningen vastgestelde MTG-waarden kunnen betrekken. BBT 13 is niet van toepassing. Het college was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet verplicht een geluidbeheersplan voor te schrijven. Dit laat onverlet dat, als na controle zou blijken dat het bedrijf niet kan voldoen aan de voorschriften, dit aanleiding zou kunnen zijn om de omgevingsvergunning te wijzigen en alsnog het bedrijf te verplichten een geluidbeheersplan op te stellen, gelet op artikel 5.39 van de Omgevingswet in combinatie met artikel 8.899 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

7.9.

De stelling van eiseres dat de overkapping niet is gerealiseerd en de hogere geluidbelasting voortduurt, leidt niet tot een ander oordeel. Als dat zo zou zijn, handelt [derde belanghebbende] in strijd met de vergunningvoorschriften. Handelen in strijd met de vergunningvoorschriften tast de rechtmatigheid van de vergunning niet aan, maar geeft een grondslag voor handhaving.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning van 5 september 2023 in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten of van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »